RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummers: C/18/26/1229 R en C/18/26/1230 R
vonnis van 20 juli 2026
in de zaak van:
[verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] en
[verzoeker 2] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
hierna te noemen: verzoekers.
1. PROCESGANG
Verzoekers hebben op 22 april 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 13 juli 2026. Daarbij is [verzoeker 1] verschenen tezamen met mevrouw [naam] , werkzaam bij de Gemeentelijke Kredietbank [plaats] (GKB). [verzoeker 1] heeft de rechtbank op 12 juli 2026 bericht dat [verzoeker 2] niet ter zitting zal verschijnen omdat zij op 12 juli 2026 is opgenomen op de intensive care.
2. RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De GKB heeft namens verzoekers, zo begrijpt de rechtbank uit het verzoekschrift, verzocht om de ingangsdatum te bepalen op een maand voor de datum van het vonnis. Daarbij is aangegeven dat er tijdens de buitengerechtelijke schuldregeling gedurende één maand nagenoeg maximaal is afgedragen. [verzoeker 1] was gedurende die maand fulltime werkzaam en [verzoeker 2] was vanwege niet aangeboren hersenletsel niet in staat om arbeid te verrichten. De afdracht is met stukken, waaronder een berekening van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op een maand voor de datum uitspraak.
BESLISSING
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] en
[verzoeker 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,
beiden wonende te [adres 1]
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 20 juni 2026, waardoor deze termijn eindigt op 20 december 2027;
benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres 2]
;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.