ECLI:NL:RBNNE:2026:3599

ECLI:NL:RBNNE:2026:3599

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 25/566
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Intrekking toevoeging Raad voor Rechtsbijstand. Inkomensgrens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging terecht heeft ingetrokken en een betalingsverplichting aan eiser heeft opgelegd.

Uitspraak

[naam], uit [woonplaats], eiser

en

Raad voor Rechtsbijstand

(gemachtigde: mr. J. Luursema).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: mr. S. Radovic-Pieters uit Heerenveen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een toevoeging die door de Raad voor Rechtsbijstand (de Raad) aan eiser was verleend en weer is ingetrokken. Eiser is het niet eens met de terugbetalingsverplichting die aan hem is opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Raad voor Rechtsbijstand (de Raad) de toevoeging terecht heeft ingetrokken en een betalingsverplichting aan eiser heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en verloop van de procedure

2. Op 29 november 2022 heeft derde-partij namens eiser een aanvraag gedaan voor een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand. De Raad heeft de aanvraag op 5 december 2022 afgewezen omdat het vastgestelde inkomen in het peiljaar 2020 de wettelijke financiële grenzen overschreed.

Op 5 december 2022 heeft eiser om peiljaarverlegging verzocht. De Raad heeft dit op 4 januari 2023 toegewezen. Er is alsnog gesubsidieerde rechtsbijstand toegekend onder oplegging van een eigen bijdrage van € 156,00.

Op 24 januari 2024 heeft derde-partij om vergoeding van de toevoeging verzocht. De Raad heeft op 26 januari 2024 aan derde-partij een vergoeding toegekend voor rechtsbijstand van € 2.325,96.

Na hercontrole is gebleken dat het vastgestelde verzamelinkomen en/of vermogen in 2020 en 2022 boven de wettelijke grens ligt. De Raad heeft daarom bij besluit van 28 augustus 2024 de toevoeging aan eiser ingetrokken en het bedrag dat aan derde-partij is uitgekeerd (€ 2.325,96) van eiser teruggevorderd.

Met het bestreden besluit van 20 december 2024 op het bezwaar van eiser is de Raad bij het besluit tot intrekking van de toevoeging gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Raad heeft op het beroepschrift gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Raad.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het standpunt van eiser?

3. Eiser stelt dat de Raad aan derde-partij om een getekende opdrachtbevestiging had moeten vragen voordat de vergoeding aan derde-partij werd uitgekeerd. De Raad heeft dat ten onrechte niet gedaan. Eiser is niet akkoord gegaan met de voorwaarden waaronder derde-partij werkzaamheden voor hem zou verrichten. Eiser heeft dus geen opdracht gegeven voor werkzaamheden van derde-partij. De Raad had daarom geen vergoeding aan derde-partij mogen uitkeren en eiser is niet verplicht om die vergoeding aan de Raad terug te betalen.

Wat is het standpunt van de Raad?

4. De Raad stelt zich op het standpunt dat zijn taak beperkt is tot het beoordelen of er recht is op gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit de hercontrole is gebleken dat het inkomen van eiser dat door de Belastingdienst is vastgesteld in het peiljaar 2020 hoger was dan de inkomensgrens die in 2022 gold. Daarom is er geen recht op subsidie voor de kosten van rechtsbijstand. In het verlegde peiljaar 2022 lag het gezamenlijk inkomen van eiser en zijn partner weliswaar onder de grens, maar was er op naam van eisers partner een vermogen geregistreerd dat het drempelbedrag overschreed. Op basis van de fiscale gegevens over 2022 bestaat er daarom ook geen recht op een toevoeging. De Raad stelt daarom dat eiser het bedrag dat aan derde-partij is uitgekeerd, moet terugbetalen. Er is niet gebleken van zwaarwegende omstandigheden om daarvan af te zien.

Ten overvloede merkt de Raad op dat eiser zijn gegevens aan derde-partij heeft verstrekt om de toevoeging aan te vragen en zelf een verzoek om peiljaarverlegging heeft ingediend. Eiser heeft tot slot niet verzocht om de toevoeging in te trekken.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk gelet op het volgende.

Tussen partijen staat vast dat eiser geen recht had op een toevoeging. Eiser heeft dat namelijk niet betwist: eiser heeft niet betwist dat zijn inkomen in 2020 hoger was dan de inkomensgrens die in 2022 gold en dat zijn partner in 2022 een vermogen had dat hoger was dan het geldende drempelbedrag. Dat betekent dat de Raad de toevoeging terecht heeft ingetrokken.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de Raad de vergoeding die aan derde-partij is uitgekeerd van eiser mocht terugvorderen.

Uit de Wrb volgt dat eiser de vergoeding die de Raad aan derde-partij heeft uitbetaald voor de verrichte werkzaamheden aan de Raad moet terugbetalen. De Raad vordert het bedrag van eiser terug, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de Raad de vergoeding niet aan derde-partij mocht uitbetalen zonder eerst een getekende opdrachtbevestiging bij derde-partij op te vragen. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd en het is de rechtbank ook niet gebleken dat derde-partij bij de declaratie van de toevoeging een getekende opdrachtbevestiging had moeten indienen.

Bovendien volgt uit het dossier dat eiser aan derde-partij opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden. In het bijzonder volgt dit uit het verzoek om peiljaarverlegging dat eiser zelf bij de Raad heeft ingediend. In dit verzoek heeft eiser namelijk gevraagd om alsnog gesubsidieerde rechtsbijstand door derde-partij toe te kennen. Verder heeft eiser op de zitting erkend dat derde-partij (feitelijk) werkzaamheden voor hem heeft verricht. Voor de stelling dat de Raad de vergoeding niet aan derde-partij mocht uitkeren, bestaat dus geen grond.

Eiser heeft ter zitting opgemerkt dat hij geen gebruik zou hebben gemaakt van rechtsbijstand als hij de opdrachtbevestiging eerder had ontvangen, gelet op het uurtarief van derde-partij en het aantal uren dat met de opdracht gemoeid zou zijn. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op zwaarwegende omstandigheden die zich verzetten tegen de terugvordering van de vergoeding, is de rechtbank van oordeel dat dit niet als zwaarwegende omstandigheid kan worden aangemerkt. Dit is namelijk een zaak tussen eiser en derde partij. Deze omstandigheden betekenen daarom niet dat de Raad geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om het bedrag dat de Raad aan derde-partij heeft uitbetaald terug te vorderen van eiser.

In het verzoek om peiljaarverlegging wordt onder ‘6. Ondertekening aanvrager’ overigens gemeld dat eiser de vergoeding die de Raad aan de advocaat heeft betaald, aan de Raad moet terugbetalen als na controle blijkt dat eiser met terugwerkende kracht niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Eiser was daarom van deze verplichting op de hoogte of had in ieder geval van deze verplichting op de hoogte kunnen zijn.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Raad de vergoeding die de Raad aan derde-partij heeft uitbetaald van eiser mocht terugvorderen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk en hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Lok

Griffier

  • mr. H.L. Brandes-Boers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand