ECLI:NL:RBNNE:2026:3600

ECLI:NL:RBNNE:2026:3600

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 25/433
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. Bestuurlijke boete wegens gebruik van bestuurderskaart die niet op naam van eiser gesteld was. De rechtbank oordeelt dat de boete terecht is opgelegd. Wegens overschrijding redelijke termijn matiging van de boete.

Uitspraak

LRECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/433

(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, Inspectie Leefomgeving en Transport

(gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg).

1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 1.500,- die aan eiser is opgelegd wegens het gebruik van een bestuurderskaart die niet op zijn naam gesteld was. Eiser is het niet eens met de opgelegde boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar alleen omdat de redelijke termijn is overschreden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 24 oktober 2023 hebben toezichthouders van de politie een controle bij eiser uitgevoerd met betrekking tot de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. Hiervan is een rapport opgemaakt. In dit rapport maken de toezichthouders melding van het gebruik door eiser van een bestuurderskaart die niet op zijn naam is gesteld op 6 oktober 2023. Eiser is daarover verhoord.

Op 30 januari 2024 heeft de minister een voornemen tot boeteoplegging aan eiser gezonden. Daarop heeft eiser op 18 februari 2024 een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 23 april 2024 heeft de minister aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.500,- omdat eiser een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart heeft gebruikt. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullend gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Deze zaak gaat over de vraag of de boete van € 1.500,- die aan eiser is opgelegd wegens het gebruik van een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart, terecht is opgelegd.

Waren de toezichthouders bevoegd?

4. Eiser stelt dat de toezichthouders onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij niet bevoegd waren om de rijtijdengegevens, anders dan van de actuele rit, bij eiser op te vragen. Deze gegevens hadden de toezichthouders moeten opvragen bij de werkgever van eiser ( [naam werkgever] ).

De rechtbank is van oordeel, gelijk aan het oordeel van de rechtbank Overijssel in haar uitspraak van 20 mei 2025, dat de verbalisanten bevoegd waren om toezicht te houden op de naleving van de Arbeidstijdenwet en dat de tachograafgegevens bevoegd zijn verkregen.

De rechtbank stelt vast dat de ambtenaren van de politie in de wet zijn aangewezen als ambtenaren aan wie het toezicht op de naleving van de Arbeidstijdenwet is opgedragen. De verbalisanten waren daarom in beginsel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van de Arbeidstijdenwet. Uit het boeterapport van 10 november 2023 blijkt dat de toezichthouders de rij- en rusttijden controleerden en in dat kader inzage wilden in de tachograafgegevens. De toezichthouders waren hiertoe bevoegd. Op grond van Verordening 165/2014 moeten de erkende controleambtenaren namelijk over voldoende uitrusting en wettelijke bevoegdheden beschikken om hun taken uit te kunnen voeren, waaronder de vereiste instrumenten om gegevensbestanden van de voertuigunit en tachograafkaarten te downloaden.

De rechtbank is verder van oordeel dat de toezichthouders bevoegd waren om van eiser inzage in de gegevens te vorderen. Zij hoefden zich niet eerst tot [naam werkgever] te richten. Ook de bestuurder van het voertuig is namelijk verplicht om de Arbeidstijdenwet na te leven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de toezichthouders ruimer gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid dan redelijkerwijs noodzakelijk was. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht het boeterapport ten grondslag worden gelegd aan het besluit?

5. Volgens eiser mocht de minister het boeterapport en het rapport verhoor niet ten grondslag leggen aan het boetebesluit. Er ontbreekt allerlei relevante informatie, zoals de reden van aanhouding (twee rode zwaailampen) en het bezoek aan Scania Wijster. Ook de verklaring van eiser dat hij tijdig is afgelost door [naam werkgever] en dat [naam werkgever] met zijn eigen bestuurderskaart verder is gereden, ontbreekt. Eiser is gedwongen om een valse verklaring af te leggen. Verder staat er ten onrechte dat aan eiser de cautie is gegeven en dat de verklaring aan eiser is voorgelezen. Het aanvullend proces-verbaal van 22 april 2024 heeft ook geen waarde.

Eiser stelt dat hij alleen zijn eigen bestuurderskaart heeft gebruikt en niet die van [naam werkgever] . [naam] heeft [naam werkgever] op 6 oktober 2023 naar Saterland, Duitsland gebracht, waar [naam werkgever] eiser heeft afgelost. [naam] heeft eiser daarna naar huis gebracht. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een verklaring van hemzelf, een verklaring van [naam] , een handgeschreven dagstaat van [naam werkgever] en een uitdraai van de ANWB-routeplanner overgelegd. Volgens eiser komt zijn verklaring overeen met de tachograafgegevens.

De rechtbank is van oordeel dat de minister het boeterapport ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit.

Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt boeterapport, voor zover het gaat om eigen waarnemingen en bevindingen van de opsteller. Bij een concrete betwisting van het rapport, moet worden beoordeeld of er voldoende twijfel is ontstaan waardoor het rapport niet of niet helemaal aan de vaststelling van de boete ten grondslag kan worden gelegd. Daarbij kunnen ook later afgelegde verklaringen worden betrokken.

De rechtbank stelt vast dat het boeterapport van 10 november 2023 is opgemaakt op ambtsbelofte en ambtseed. Het rapport verhoor, opgemaakt op 10 november 2023, is niet opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte, maar is wel als bijlage bij het boeterapport gevoegd. Ook is de kern van de verklaring van eiser, zoals opgenomen in het rapport verhoor, opgenomen in het boeterapport.

De rechtbank ziet in wat eiser heeft gesteld, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het boeterapport. De toezichthouders hebben geconstateerd dat op 6 oktober 2023 een snelle kaartwissel heeft plaatsgevonden, waarbij eiser vier dagen in Duitsland had gereden om na een rit van negen uur en vier minuten op de grens te wisselen van chauffeur om de laatste 53 minuten en 63 kilometer verder te rijden. De eerste verklaring van eiser hierover luidt dat hij het laatste stuk in Nederland op de kaart van zijn werkgever heeft gereden, omdat het vrijdag was en hij graag naar huis wilde. In bezwaar verklaart eiser echter dat [naam werkgever] hem op 6 oktober 2023 bij de grens heeft afgelost en dat [naam] hem naar huis heeft gebracht. De rechtbank hecht meer waarde aan de eerste verklaring van eiser dan aan zijn latere verklaring. Eiser heeft zijn eerste verklaring namelijk tegenover een toezichthouder afgelegd. Die eerste verklaring is meestal meer betrouwbaar dan een latere verklaring. De gehoorde persoon zal in eerste instantie namelijk meer geneigd zijn onbevangen en naar waarheid te verklaren en zich minder laten leiden door ongewenste gevolgen die antwoorden voor hem of derden zouden kunnen hebben.

De rechtbank betrekt verder dat eiser in zijn eigen nadere verklaring niets heeft vermeld over de gestelde dwang om een valse verklaring af te geven, over het ontbreken van de cautie of over andere gestelde evidente fouten in het boeterapport en in het rapport verhoor. De overige documenten die eiser heeft overgelegd geven ook geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van het boeterapport. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van [naam] summier en niet voorzien van een kopie van een identiteitsbewijs. De overgelegde dagstaat van 6 oktober 2023 van [naam werkgever] is handgeschreven en er valt niet uit af te leiden wanneer deze is opgemaakt, waardoor hieraan onvoldoende waarde kan worden gehecht. Ook uit het gegeven dat de afstand tussen Saterland en de woonplaats van eiser ( [woonplaats] ) ongeveer 66 kilometer is, kan de rechtbank niet afleiden dat de bevindingen in het boeterapport onjuist zijn. Die afstand zegt namelijk niets over welke chauffeur heeft gereden. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft mogen afgaan op de bevindingen in het boeterapport. Uit dat rapport volgt dat aan eiser de cautie is gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van een overtreding?

6. Eiser stelt dat geen sprake is van een overtreding. De toezichthouders hebben niet uit eigen waarneming kunnen vaststellen dat eiser op 6 oktober 2023 de bestuurderskaart van [naam werkgever] heeft gebruikt. Eiser had ten tijde van de controle namelijk alleen zijn eigen kaart bij zich. De toezichthouders hebben niet aangetoond dat er nog een andere kaart in het voertuig aanwezig was en dat er een andere bestuurderskaart is gebruikt dan de kaart van eiser zelf. Er is dus geen overtreding door de toezichthouders vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat, gelet op overwegingen 5.1 tot en met 5.4.1, voldoende is vast komen te staan dat eiser gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart. Dat door de toezichthouders niet is vastgesteld dat een tweede bestuurderskaart aanwezig was in het voertuig, maakt dit niet anders. De toezichthouders hebben de tachograafgegevens uitgelezen en eiser daarover gehoord. Dit zijn eigen waarnemingen van de toezichthouders. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding.

Is de opgelegde boete passend en geboden?

7. Eiser stelt dat de boete van € 1.500,- in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de boete wegens de handelswijze van de verbalisanten onevenredig is. Daarnaast stelt eiser dat de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de handelswijze van de verbalisanten onrechtmatig of onbehoorlijk is geweest. Zoals overwogen, mocht de minister uitgaan van het boeterapport.

De boete dient evenwel gematigd te worden omdat de redelijke termijn overschreden is, om zo tot een boetebedrag te komen dat passend en geboden is.

De redelijke termijn van twee jaar begint op het moment dat sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Uit vaste rechtspraak volgt dat de termijn in punitieve zaken begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. In dit geval is dat 30 januari 2024, de datum waarop de minister het voornemen om eiser een boete op te leggen aan eiser kenbaar heeft gemaakt. Op 24 oktober 2023 is enkel aangekondigd dat een boeterapport zal worden opgesteld. Hieruit blijkt nog niet het voornemen van de minister om een boete op te leggen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (naar boven afgerond) zeven maanden.

Volgens vaste rechtspraak ligt in het geval waarin de redelijke termijn met meer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden is overschreden, een vermindering van de boete met 10% in de rede. Dat betekent dat de rechtbank de boete matigt met € 150,-.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat er aanleiding bestaat de boete te matigen met € 150,-. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het gaat om de hoogte van de boete en het besluit van 23 april 2024 herroepen voor zover het gaat om de hoogte van de boete. De rechtbank zal de hoogte van de boete vaststellen op € 1.350,- en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Bij de toerekening van de termijnoverschrijding in punitieve zaken geldt voor zowel de bestuurlijke fase als de beroepsfase dat deze onredelijk lang is als de duur daarvan meer dan een jaar in beslag heeft genomen. Omdat in dit geval de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat der Nederlanden de proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,25). Verder moet de Staat der Nederlanden het griffierecht dat eiser heeft betaald aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand