ECLI:NL:RBNNE:2026:3601

ECLI:NL:RBNNE:2026:3601

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/17/199651 / HA ZA 25-83
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Geldleningen. Eindvonnis na bewijsopdracht. Het voorshands bewezen geachte feit dat eiser de bedragen als geldleningen aan gedaagde heeft verstrekt is niet ontzenuwd. Vordering wordt geheel toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: C/17/199651 / HA ZA 25-83

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. D.M. Schouten-Hennen,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. K. Benchaïb.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 april 2026- de akte met productie van [gedaagde]

- de antwoordakte met productie van [eiser]- de akte van [gedaagde] .

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

In het tussenvonnis van 22 april 2026 heeft de rechtbank overwogen dat [gedaagde] heeft erkend dat hij op 21 september 2019 een bedrag van € 11.000,00 van [eiser] heeft geleend. De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] het openstaande bedrag van € 4.100,00 uit hoofde van deze lening aan [eiser] moet terugbetalen.

De rechtbank heeft verder in het tussenvonnis voorshands bewezen geacht dat [eiser] in de periode van 24 september 2019 tot en met 22 november 2021 een totaalbedrag van € 31.834,32 aan [gedaagde] heeft geleend. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen dit voorshands bewezen geachte feit. [gedaagde] heeft ter levering van tegenbewijs schriftelijk bewijs overgelegd. [eiser] heeft daarop bij akte gereageerd en heeft daarbij een nadere productie in het geding gebracht. [gedaagde] heeft vervolgens op die productie gereageerd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

[gedaagde] is niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs

[gedaagde] heeft een overzicht van betalingen verstrekt die door [eiser] op zijn bankrekening zijn gedaan tot en met 21 september 2019. [gedaagde] heeft daarbij toegelicht dat de bankrekening destijds niet door hem, maar door zijn toenmalige echtgenote werd gebruikt. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat het hem volstrekt onduidelijk is waar alle bedragen die op het overzicht zijn opgenomen op zien. Tot slot heeft [gedaagde] erop gewezen dat op het overzicht te zien is dat er ook bedragen zijn teruggeboekt naar [eiser] en dat het hem ook hierbij niet duidelijk is met welk doel dit is gebeurd.

De rechtbank overweegt – zoals ook door [eiser] naar voren is gebracht – dat het door [gedaagde] overgelegde betalingsoverzicht slechts een overzicht bevat van de al bekende overboekingen door [eiser] naar de bankrekening van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarmee geen ander bewijs overgelegd dan informatie die al onderdeel uitmaakte van de procedure. Vaststaat dat de door [eiser] gestelde bedragen zijn overgemaakt naar een bankrekening die op naam van [gedaagde] stond. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze overboekingen hebben plaatsgevonden. Zijn verweer beperkt zich tot de stelling dat zijn toenmalige echtgenote destijds feitelijk gebruikmaakte van zijn bankrekening, waardoor hij niet op de hoogte was van de bijschrijvingen. Dat [gedaagde] zijn toenmalige echtgenote feitelijk gebruik liet maken van een op zijn naam staande bankrekening, komt in de verhouding tot [eiser] voor rekening en risico van [gedaagde] en kan hem daarom niet baten.

[gedaagde] is in het kader van de bewijsopdracht in het geheel niet nader ingegaan op de door [eiser] gestelde leningen op 13 juni en 7 juli 2020 en op 22 november 2021, in het kader waarvan [eiser] een contante betaling aan [gedaagde] heeft gedaan of rechtstreeks geld naar derden heeft overgemaakt ten behoeve van [gedaagde] . [gedaagde] heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat de overgemaakte bedragen (en het contant betaalde bedrag) een andere grondslag hadden dan de door [eiser] gestelde leningen. Daarmee is het voorshands bewezen geachte feit dat [eiser] de bedragen als geldleningen aan [gedaagde] heeft verstrekt niet ontzenuwd.

Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat [eiser] aan [gedaagde] in de periode van 24 september 2019 tot en met 21 november 2021 in totaal een bedrag van € 31.834,32 heeft geleend.

De vordering van [eiser] wordt toegewezen

Nu is komen vast te staan dat [eiser] het hiervoor genoemde bedrag aan [gedaagde] heeft geleend, ligt vervolgens de vraag voor of de totale lening opeisbaar is. Artikel 7:129e BW bepaalt dat de lener verplicht is het verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor terugbetaling uit de overeenkomst tot geldlening voortvloeit. Nu partijen zelf geen tijdstip voor terugbetaling als bedoeld in artikel 7:129e BW zijn overeengekomen is de lening in zijn geheel opeisbaar zes weken nadat [eiser] het bedrag heeft opgeëist. [eiser] heeft de lening (in ieder geval) opgeëist door middel van de brief van 11 februari 2025 die een door hem ingeschakeld incassobureau per e-mail aan [gedaagde] heeft verzonden. Dat betekent dat de lening (in ieder geval) op 26 maart 2025 – zes weken na verzending van deze brief – in zijn geheel opeisbaar is geworden. [gedaagde] is dan ook gehouden het bedrag van € 31.834,32 ten aanzien van de leningen in de periode van 24 september 2019 tot en met 21 november 2021 aan [eiser] terug te betalen. Zoals in het tussenvonnis is geoordeeld moet [gedaagde] ook het openstaande bedrag van € 4.100,00 ten aanzien van de lening van 21 september 2019 aan [eiser] terugbetalen. Dit betekent dat de vordering van [eiser] tot betaling van het totale openstaande bedrag van € 35.934,32 zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen. De wettelijke rente zal echter niet worden toegewezen vanaf de gevorderde vervaldata van facturen, omdat geen sprake is van facturen met betalingstermijnen. Nu vaststaat dat [gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding tot terugbetaling is gesommeerd en hij niet aan die sommatie heeft voldaan, verkeerde hij ten tijde van de dagvaarding in verzuim. De wettelijke rente zal daarom, zoals subsidiair gevorderd, worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Buitengerechtelijke incassokosten

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.134,34 worden toegewezen.

Beslagkosten

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 910,87 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.214,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.214,00), totaal € 2.455,87.

Proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

144,47

- griffierecht

1.043,00

- salaris advocaat

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.048,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 35.934,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 april 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.134,34 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.455,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.048,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

1062

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand