RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 12226029 \ VV EXPL 26-34
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
[VvE] ,
te Hoogeveen,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. R. Rijkeboer-Kollee,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. van der Veen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties, ter griffie ontvangen op 8 juni 2026,
- de op 15 juni 2026 door de VvE nagezonden productie 15,- de vrijwillige verschijning van [gedaagde] ,- de mondelinge behandeling van 17 juni 2026, die gelijktijdig heeft plaatsgevonden
met de mondelinge behandeling van het verzoekschrift van [gedaagde] ex
artikel 5:130 BW, geregistreerd onder nummer 12202011 / VZ VERZ 26-10, van welke behandeling aantekeningen zijn gemaakt door de griffier,
- de spreekaantekeningen van de VvE,
- de pleitnota van [gedaagde] .
Tenslotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De VvE is een vereniging van eigenaren van het appartementencomplex
[naam] in Hoogeveen. Bij akte van 29 december 1976 is de VvE opgericht en is het pand gesplitst in 164 appartementen. Daarbij is het modelreglement van splitsing van eigendom uit 1973 (hierna: modelreglement 1973) van toepassing verklaard, met in de splitsingsakte opgenomen wijzigingen en aanvullingen. De splitsingsakte is op 29 januari 1979 gewijzigd.
Het appartementencomplex (een ‘serviceflat’) omvat 124 woningen en 40 garages. Alleen de eigenaren van de woningen hebben stemrecht in de ledenvergadering.
[gedaagde] is eigenaar van drie woningen. Deze worden door hem verhuurd.
De VvE onderzoekt al een aantal jaren of het mogelijk is om het gebouw, dat energielabel E heeft, te verduurzamen. Zij wordt daarbij geadviseerd door Next Duurzaam B.V. (hierna: Next Duurzaam ). De leden hebben in 2022 gestemd voor het treffen van energiebesparende maatregelen en om daarvoor € 2.500.000 te lenen via het Nationaal Warmtefonds (hierna: het NWF). [gedaagde] heeft de kantonrechter destijds gevraagd om die besluiten te vernietigen. Dat verzoek is bij beschikking van 13 juni 2023 afgewezen. Omdat het aanbod van het NWF door het instellen van die procedure was vervallen, zijn de verduurzamingsplannen waartoe was besloten, niet meer uitgevoerd.
De VvE heeft Next Duurzaam gevraagd om een nieuw verduurzamingsplan op te stellen. Dit plan is op 23 maart 2026 in een bijzondere ledenvergadering (hierna: BALV) aan de leden voorgelegd. De leden hebben voor de vergadering een agenda met stukken ontvangen. In de uitnodiging staat dat het doel van de vergadering is te besluiten over isolerende maatregelen en het aangaan van een VvE Energiebespaarlening bij het NWF.
Op de agenda is vermeld dat de volgende besluiten in stemming zullen worden gebracht.
A. Het toepassen en (laten) uitvoeren van de volgende energiebesparende maatregelen:
1. Vervangen ruiten
2 Isoleren spouwmuur
3 Vervangen voordeuren
4. Isoleren borstwering
5. Isoleren dak
6. Aanbrengen zonnepanelen t.b.v. algemene ruimten
6. Vloer isoleren
Het aannemen van de projectbegroting voor de energiebesparende maatregelen, als toegelicht in bijlage 1;
Het aangaan van de VvE Energiebespaarlening door de VvE voor een bedrag van € 1.999.829, met een looptijd van 240 maanden tegen 3,63% rente;
Het aannemen van de gewijzigde begroting en de gewijzigde VvE-bijdrage, als toegelicht in bijlage II;
Het aannemen van het gewijzigde (D)MJOP (Meerjarenonderhoudsplan), als toegelicht in bijlage III, met als belangrijkste wijziging het vervangen van de dakbedekking.
Next Duurzaam heeft de voorgestelde werkzaamheden tijdens de BALV toegelicht. Zij is daarbij ook ingegaan op de daarvoor af te sluiten lening bij het NWF en het gevolg voor de maandelijkse ledenbijdrage. [gedaagde] was bij die vergadering aanwezig en heeft hierover verder geen vragen gesteld.
In de BALV zijn 112 geldige stemmen uitgebracht. Meer dan 90% van de leden heeft voor zich voor de genoemde besluiten uitgesproken. [gedaagde] heeft tegen alle besluiten gestemd.
[gedaagde] heeft daarna bij de kantonrechter een verzoekschrift ex artikel 5:130 BW ingediend en gevraagd om de door de BALV genomen besluiten nietig te verklaren en/of te vernietigen en om deze te schorsen totdat onherroepelijk op zijn verzoek is beslist.
Het renteaanbod van het NWF voor de lening geldt tot 21 juni 2026. Het NWF heeft de VvE meegedeeld dat zij geen lening verstrekt als er een procedure loopt tegen de genomen besluiten en dat wanneer de lening nu niet doorgaat, er niet weer een traject zal worden gestart omdat de kans aanwezig is dat [gedaagde] bij een volgend besluit opnieuw gaat procederen.
Na overleg heeft het NWF zich bereid verklaard om haar aanbod gestand te doen, mits de kantonrechter uiterlijk 21 juni 2026 in het voordeel van de VvE op het verzoek van [gedaagde] heeft beslist of in kort geding een vervangende machtiging heeft uitgesproken.
De verzoeken van [gedaagde] om de op 23 maart 2026 genomen besluiten nietig te verklaren, te schorsen en/of te vernietigen, zijn bij beschikking van heden door de kantonrechter afgewezen.
3. Het geschil
De VvE vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i) de door [gedaagde] gevraagde schorsing zal afwijzen, althans zal verklaren dat aan de besluiten gevolg mag worden gegeven en [gedaagde] geen baat en belang heeft bij de schorsing, althans dat het belang van de VvE zal dienen te prevaleren;
ii) vervangende machtiging zal uitspreken tot medewerking aan de genomen besluiten
en zo nodig, [gedaagde] zal bevelen eventueel toegang te verlenen aan derden voor uit te voeren werkzaamheden;
iii) [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van dit kort geding.
De VvE stelt, onder verwijzing naar haar verweer in de verzoekschriftprocedure, dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De VvE voert aan dat de akte voor het verkrijgen van de NWF-lening uiterlijk vrijdagmiddag 19 juni 2026 moet worden gepasseerd maar dat het NWF alleen bereid is om haar aanbod gestand te doen als er dan minimaal een vervangene machtiging is uitgesproken. Daarnaast heeft het NWF kenbaar gemaakt dat wanneer de lening nu niet doorgaat, zij niet voor de derde keer een financieringstraject met de VvE zal starten, omdat zij vreest dat [gedaagde] na een nieuw besluit weer zal gaan procederen. Verder geldt dat de VvE de mogelijkheid heeft om van de gemeente Hoogeveen subsidie te krijgen ter ondersteuning van de verduurzamings-plannen. Die subsidie kent echter een plafond en wordt verstrekt op volgorde van binnenkomst.
De VvE bestrijdt dat de genomen besluiten nietig of vernietigbaar zijn. Zij voert aan dat het overgrote deel van de bewoners belang heeft bij verduurzaming van de woning en is aangewezen op de lening van het NWF om dat te realiseren. De VvE stelt dat de bewoners, dus ook [gedaagde] , voldoende zijn voorgelicht en van informatie zijn voorzien over de voorgenomen plannen. Daarnaast zijn er steeds mogelijkheden geweest tot het stellen van vragen, maar [gedaagde] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De VvE verwacht dat [gedaagde] geen medewerking aan voorgestelde besluiten zal verlenen, terwijl daarvoor geen redelijke grond bestaat. Gelet op een en ander wordt verzocht om de door [gedaagde] gevraagde schorsing van af te wijzen en de VvE vervangende machtiging te verlenen.
[gedaagde] stelt voorop dat de civiele voorzieningenrechter absoluut onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Inhoudelijk voert [gedaagde] aan dat de vordering van de VvE om de schorsing die hij in de verzoekschriftprocedure heeft gevraagd af te wijzen, niet toewijsbaar is, omdat alleen de rechter bij wie het verzoek ex artikel 5:130 BW aanhangig is, bevoegd is om dat te doen. [gedaagde] voert verder aan dat een verklaring voor recht zoals door de VvE wordt gevorderd, niet toewijsbaar is in kort geding. Dit geldt aldus [gedaagde] ook voor de gevorderde vervangende machtiging ex artikel 5:121 BW, omdat deze geen voorlopige maatregel inhoudt. Het is [gedaagde] ook niet duidelijk welke medewerking de VvE van hem nodig heeft; de werkzaamheden zijn nog niet gepland en omdat zijn woningen zijn verhuurd, heeft de VvE niet zijn medewerking maar die van de huurders nodig.
[gedaagde] voert verder aan dat zonder de benodigde informatie c.q. stukken niet zonder meer kan worden aangenomen dat in redelijkheid tot de besluitvorming van de ALV kon worden gekomen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Bevoegdheid
De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat de civiele voorzieningenrechter, niet zijnde de kantonrechter, niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Zij stelt vast dat de griffie dit kort geding als kantonzaak heeft geregistreerd. Overigens is de voorzieningenrechter van de rechtbank mede bevoegd om van spoedeisende zaken kennis te nemen.
Spoedeisendheid
De kantonrechter is van oordeel dat de VvE genoegzaam heeft onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
Gevorderde voorzieningen
De schorsing en de verklaring voor recht
De vordering van de VvE om de door [gedaagde] gevraagde schorsing van de op 23 maart 2026 genomen besluiten te weigeren althans te verklaren dat de VvE aan die besluiten gevolg mag geven, wordt afgewezen. Een kort geding leent zich niet voor verklaringen voor recht en [gedaagde] heeft in deze procedure geen vordering tot schorsing ingediend waarop moet worden beslist. De beslissing over het verzoek van [gedaagde] om de besluiten van 23 maart 2026 te schorsen, moet in de verzoekschriftprocedure ex artikel 5:130 BW worden genomen. De kantonrechter heeft dat in haar beschikking van heden gedaan en het schorsingsverzoek van [gedaagde] daarin afgewezen. De VvE heeft gelet hierop ook geen belang meer bij toewijzing van deze vordering in kort geding.
De vervangende machtiging
De kantonrechter zal de door de VvE gevorderde vervangende machtiging tot medewerking aan de genomen besluiten, die anders dan [gedaagde] bepleit ook als voorlopige voorziening kan worden uitgesproken, wel geven. Zij neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde] niet te kennen heeft gegeven dat hij die medewerking zal verlenen en eventuele werkzaamheden in zijn woningen zal toestaan. Nu in de verzoekschriftprocedure is geoordeeld dat de door [gedaagde] aangevochten besluiten niet nietig of vernietigbaar zijn en niet worden geschorst, bestaat er voor [gedaagde] geen redelijke grond als bedoeld in artikel 5:121 BW om zijn medewerking aan de genomen besluiten te weigeren. De vervangende machtiging impliceert geen procesverbod.
Ten aanzien van het bevel aan [gedaagde] , om derden zo nodig toegang te verlenen tot zijn woningen, overweegt de kantonrechter volledigheidshalve nog het volgende. [gedaagde] is gehouden om eventuele werkzaamheden in zijn woning toe te (laten) staan. Gelet op het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden, kan er, ingeval zijn huurders daaraan niet meewerken, echter alleen toegang tot de woningen worden verkregen als zij door de kantonrechter zijn veroordeeld tot tijdelijke en gedeeltelijke ontruiming als bedoeld in artikel 558 Rv. Daarvoor zal dan nog vonnis moeten worden gehaald.
Proceskostenveroordeling
[gedaagde] wordt aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
0,00
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.148,00
5. De beslissing
De kantonrechter, recht doende als voorzieningenrechter:
verleent de VvE vervangende machtiging voor de medewerking van [gedaagde] aan de besluiten die op 23 maart 2026 door de bijzondere ledenvergadering zijn genomen en beveelt [gedaagde] om eventueel toegang tot zijn woningen te (laten) verlenen aan derden voor uit te voeren werkzaamheden;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als dit vonnis wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
608/kw