RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/18/259298 KG ZA 26/359
Vonnis van 20 augustus 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiser] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [adres]
eisende partij,
hierna te noemen [eiser] ,
advocaat: mr. O.G. Tacoma,
tegen
1. [verweerder] ,
wonende te [adres] ,
2. de besloten vennootschap [bewindvoeringsbedrijf] B.V., in diens hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen van [bewindvoerder], wonende te [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder] en [bewindvoerder] en gezamenlijk [verweerders] ,
advocaat: mr. J.F. Hoff.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de door partijen overgelegde stukken,
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De familie [familiebedrijf] omvat een melkveehouderij en een zelfstandige zorginstelling de V.O.F. [eiser] . De [familiebedrijf] is eigenaar van alle registergoederen.
Op 17 maart 2025 heeft de gemeente Westerveld de minderjarige [naam] , geboren op [geboortedatum] 2025, samen met haar moeder, [verweerder] , bij [eiser] geplaatst. Er is sprake van noodopvang en zorg. Op 8 april 2025 is er door de gemeente met [eiser] een overeenkomst ten behoeve van [naam] gesloten omvattende ‘Wonen met begeleiding’ voor de duur van drie maanden, ingaande 17 maart 2025. De overeenkomst is door de gemeente twee keer verlengd.
[eiser] heeft bij aanvang van de opvang in maart 2025 met [verweerder] een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres] . Partijen zijn daarin overeengekomen dat de huurprijs € 900,- per maand bedraagt en dient te worden voldaan aan [eiser] op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft.
Gedurende de looptijd van de zorgovereenkomst heeft de gemeente de huursom voor de woning aan [eiser] voldaan.
[verweerders] hebben op 30 juli 2026 een bedrag van in totaal € 2.250,- aan [eiser] betaald, zijnde de huursom over de periode van 18 mei 20226 tot 1 augustus 2026.
In februari 2026 heeft [bewindvoerder] zich bij de Gemeente ingeschreven op het adres [adres] .
Kort na deze inschrijving heeft de gemeente aan [eiser] gemeld dat huisvesting niet langer onderdeel uitmaakt van het door de gemeente gecontracteerde pakket zorg en wonen.
Op 14 mei 2026 heeft [eiser] een brief gestuurd aan [verweerder] en [bewindvoerder] . Daarin is uiteengezet dat de grondslag voor het verblijf in de bedrijfswoning aan [adres] vervalt op 17 mei 2026 en dat de woning uiterlijk op die datum ontruimd, leeg en schoon aan [eiser] moet worden opgeleverd.
[verweerder] en [bewindvoerder] hebben bij [eiser] aangegeven dat sprake is van een huurovereenkomst en dat zij niet instemmen met een beëindiging daarvan.
3. De vordering
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verweerders] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de bedrijfswoning staande en gelegen te [adres] , met alle aanwezige personen en goederen voor zover deze niet het eigendom van [eiser] zijn te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en schoon en zonder schade en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen;
II. [bewindvoerder] te veroordelen om uiterlijk binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 100,- per werkdag of deel daarvan althans op straffe van een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen dwangsom per dag, ervoor zorg te dragen dat hij bij de gemeente wordt uitgeschreven op dat adres en schriftelijk bewijs daarvan te overleggen aan [eiser] ;
III. [verweerders] , des de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, en voor het geval betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt aan haar vorderingen - kort gezegd - ten grondslag dat [verweerders] zonder recht of titel in de woning verblijven. De zorgovereenkomst met [verweerder] is beëindigd en daarmee is haar recht om in de woning te verblijven komen te vervallen. De zorg gold als overheersend element en het wonen was daaraan ondergeschikt. Nu er geen sprake meer is van een zorgrelatie met [verweerders] , wordt de woning in strijd met de vigerende bestemming gebruikt.
[bewindvoerder] heeft zich zonder medeweten van [eiser] ingeschreven op het adres. Van een rechtsgeldige huurovereenkomst is geen sprake, aangezien er door [verweerders] nooit huur is betaald.
[verweerders] voeren verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen. [verweerders] hebben – samengevat – het volgende aangevoerd. Volgens [verweerder] woont zij op basis van een door haar met [eiser] gesloten huurovereenkomst in de woning en heeft [bewindvoerder] toestemming van [eiser] gekregen om zich op het adres in te schrijven. [verweerders] komt daarom een beroep op de wettelijke huurbescherming toe. Daarnaast ontbreekt volgens [verweerders] het spoedeisend belang van [eiser] bij haar vorderingen en leent de zaak zich niet voor kort geding gelet op het constitutieve karakter.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang en daarnaast of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang ontbreekt
[eiser] heeft ter zake het spoedeisend belang het volgende aangevoerd. [eiser] stelt dat een rechtsvordering die gebaseerd is op het zonder recht of titel verblijven in een bedrijfswoning reeds naar zijn aard spoedeisend is. Verder stelt [eiser] dat zij de bedrijfswoning weer ter vrije beschikking van de [familiebedrijf] moet stellen en dat die de bedrijfswoning dringend nodig heeft om een medewerker te huisvesten. Daarnaast houden Van der Werf c.s. volgens [eiser] bewust het risico in stand dat de gemeente handhavend jegens [eiser] zal optreden, omdat de bedrijfswoning niet langer als bedrijfswoning maar als reguliere woning in gebruik is en moet aan die onrechtmatige situatie zo snel mogelijk een einde worden gemaakt.
De rechtbank overweegt dat [verweerder] en [eiser] een huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de woning. Kort daarna heeft de gemeente Westerveld ten behoeve van het minderjarige kind van [verweerder] een zorg/woonovereenkomst met [eiser] gesloten. Die overeenkomst is kort geleden geëindigd. [verweerders] verblijven tot op heden in de woning en hebben over de laatste drie maanden de overeengekomen huursom voldaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van dusdanige omstandigheden dat [eiser] een beslissing met betrekking tot de huurovereenkomst in een bodemprocedure niet kan afwachten.
[eiser] heeft niet onderbouwd dat de woning ter beschikking van de [familiebedrijf] moet komen, omdat zij daar een werknemer willen huisvesten. Daarnaast is het niet aannemelijk dat de gemeente op korte termijn de publiekrechtelijk bestemming van de woning zal gaan handhaven, aangezien [verweerder] en haar kind op verzoek van de gemeente in de woning verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank is er op dit moment dan ook geen sprake van een zodanig spoedeisend belang tot het treffen van de voorlopige voorzieningen dat een eventuele bodemprocedure, ook met betrekking tot [bewindvoerder] , niet kan worden afgewacht.
Naar het zich laat aanzien is sprake van een huuroverkomst. Er is een door beide partijen ondertekende versie overgelegd, er is sprake van feitelijk gebruik van de woning en volgens het contract is de huurder een tegenprestatie verplicht. Dit kort geding leent zich er niet voor om te bezien of de huurovereenkomst ontbonden moet worden of niet, met eventueel alle gevolgen vandien waaronder die van een éénjarige. Er kan niet zonder meer vanuit gegaan worden dat er geen huurbescherming zou zijn en of er al dan niet voldoende grond voor ontbinding is. Niet staande gehouden kan dus worden dat Van der Werf c.s. zonder recht en titel in de woning verblijven. Een en ander zal in een bodemprocedure nader beoordeeld moeten worden. Dit kort geding leent zich niet voor beantwoording van deze vragen en zoals reeds overwogen valt niet in te zien waarom dit niet zou kunnen worden afgewacht.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [verweerders] begroot op:
- € 93,- aan griffierechten
- € 760,- aan salaris advocaat
€ 853,- Totaal
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerders] begroot op € 853,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op
20 augustus 2026.
508/md