RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.134583.26
vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen parketnummers 18.102291.23 en 18.309739.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 8 mei 2026, te Groningen, in of uit of bij een winkel, gevestigd aan of bij [adres] , (onder meer) vier verpakkingen/pakken (kogel)biefstuk, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 26 maart 2026, te Groningen, in of uit of bij een winkel, gevestigd aan of bij [adres] , (onder meer) drie pakken snelfilterkoffie en/of koffiebonen (merk Douwe Egberts), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het winkelbedrijf Kruidvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op of omstreeks 31 maart 2026, te Groningen, in of uit of bij een winkel, gevestigd aan of bij [adres] , (onder meer) acht verzorgingsproducten (merk Nivea, Zwitsal, Axe), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het winkelbedrijf Kruidvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op of omstreeks 26 maart 2026, te Groningen, in of uit of bij een winkel, gevestigd aan of bij [adres] , (onder meer) drie bussen/potten sportvoeding (merk Optimum Nutrition), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het winkelbedrijf Kruidvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 8 mei 2026 te Groningen, bij een winkel gevestigd aan [adres] , vier verpakkingen kogelbiefstuk die aan het winkelbedrijf Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 26 maart 2026 te Groningen, bij een winkel gevestigd aan [adres] , drie pakken snelfilterkoffie en/of koffiebonen (merk Douwe Egberts) die aan het winkelbedrijf Kruidvat toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op 31 maart 2026 te Groningen, bij een winkel gevestigd aan [adres] , acht verzorgingsproducten (merken Nivea, Zwitsal, Axe) die aan het winkelbedrijf Kruidvat toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij 26 maart 2026 te Groningen, bij een winkel gevestigd aan [adres] , drie bussen sportvoeding (merk Optimum Nutrition) die aan het winkelbedrijf Kruidvat toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering van de (ISD-)maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren op te leggen, zonder aftrek van de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren kan worden toegewezen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal diefstallen. In een relatief kort tijdsbestek, van anderhalf maand, heeft hij meerdere voedings- en verzorgingsproducten bij twee verschillende winkelbedrijven buitgemaakt. Bij een winkelier is in drie gevallen financiële schade veroorzaakt, doordat de spullen telkens niet aan deze rechthebbende zijn teruggegeven.
Door zijn handelen heeft verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijke gewin; de schadelijke gevolgen voor de ondernemers waren voor hem van ondergeschikt belang. Daarnaast is in algemene zin sprake geweest van hinderlijk en overlastgevend gedrag.
De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren (en daarvoor) herhaaldelijk ter zake van met name vermogensdelicten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 1 juli 2026.
Daaruit volgt dat verdachte sinds 1 oktober 2012 op de veelplegerlijst staat en hij een justitieel verleden met voornamelijk vermogensdelicten kent, gepleegd om in zijn drugsgebruik te voorzien.
Verdachte verkeert in een zeer kwetsbare situatie waarin geen beschermende factoren aanwezig zijn; hij heeft geen huisvesting of inkomen, kampt met ernstige verslavingsproblematiek en heeft een jarenlange ambivalente houding jegens hulpverlening. Het langdurige gebruik van cocaïne, heroïne en methadon maakt dat verdachte steeds weer terugvalt in hetzelfde patroon. Verdachte leidt een zelfdestructief leven, is onmachtig om zijn leven anders in te richten en ook met alle aangeboden mogelijkheden en ondersteuning lukt het hem niet om enige vorm van stabiliteit te behouden.
Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat, gezien de verslavingsproblematiek en de veelvuldige justitiecontacten in de laatste paar jaren. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. De afgelopen twee jaren is door de reclassering meerdere malen getracht om verdachte de juiste hulp en ondersteuning, in de vorm van behandeling dan wel verblijf in een beschermende woonvorm, te bieden. Echter zijn deze trajecten in een vroegtijdig stadium mislukt vanwege zijn grensoverschrijdende gedrag en het zich niet houden aan de huisregels, zijn zelfbepalende houding en/of terugval in middelengebruik.
De reclassering is niet in staat invloed uit te oefenen op het recidiverisico binnen een voorwaardelijk kader; alle mogelijke interventies zijn uitgeput en verdachte is onmachtig om van koers te wijzigen. Geadviseerd wordt de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.
Ter terechtzitting heeft de deskundige namens de reclassering dit advies bevestigd en op zitting heeft verdachte hierin berust.
Motivering oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel als bedoeld in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Allereerst heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vier misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast volgt uit de justitiële documentatie van verdachte dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane strafbare feiten ten minste driemaal wegens misdrijven telkens
onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. In dat kader zijn de onderhavige feiten begaan na de (volledige) tenuitvoerlegging van de van de eerder opgelegde straffen. Voorts moet er, gelet op de inhoud van het hierboven opgenomen reclasseringsrapport, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gezien het daaruit volgende hoge recidiverisico eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel.
Bij het opleggen van de ISD-maatregel dient enerzijds te worden afgewogen het belang van de maatschappij om beveiligd te worden tegen de aantasting van de veiligheid van personen of goederen door misdrijven als deze en anderzijds het recht op persoonlijke vrijheid. De eerder aan verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte geen strafbare feiten meer pleegt. De inhoud van de vorenbedoelde reclasseringsrapportage brengt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel thans noodzakelijk is teneinde het herhalingsgevaar in te perken en een bijdrage te leveren aan de oplossing van de daarmee samenhangende verslavingsproblematiek.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren. De rechtbank is van oordeel dat dat nodig is om de kans op recidive te beperken en de kans op gedragsbeïnvloeding te vergroten. De rechtbank ziet, gelet op de te verwachten periode die benodigd zal zijn om een plan van aanpak op te stellen en de behandeling van de verslavingsproblematiek vorm te geven, geen aanleiding om de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen.
Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen
Bij onherroepelijk vonnis van 26 april 2023 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen parketnummer 18.102291.23 is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van zes weken waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij is -onder andere-als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is ingegaan op 10 mei 2023 en de proeftijd is op 24 mei 2023 met één jaar verlengd.
Daarnaast is bij onherroepelijk vonnis van 10 maart 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen parketnummer 18.309739.23 verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is -onder andere- als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is ingegaan op 24 maart 2025.
De officier van justitie heeft bij vorderingen van 9 juli 2026 de tenuitvoerleggingen gevorderd van de voormelde voorwaardelijke straffen.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vorenbedoelde vorderingen af te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd voormelde vorderingen af te wijzen, waarbij zij er op wijst dat op de justitiële documentatie ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.102291.23 is vermeld dat de voorwaardelijke straf reeds volledig is tenuitvoergelegd.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van beide proeftijden, kunnen de voornoemde vorderingen in beginsel worden toegewezen. Aangezien aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd, acht de rechtbank toewijzingen van de vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen echter niet opportuun. Derhalve wijst de rechtbank de vorderingen met parketnummers 18.102291.23 en 18.309739.23 af.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.102291.23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 26 april 2023.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.309739.23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 maart 2025.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.