ECLI:NL:RBNNE:2026:3617

ECLI:NL:RBNNE:2026:3617

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 18.187583.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag (45 en 287 Sr) door meermalen met een mes in de zij en hand van het slachtoffer te steken. Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Opgelegde bijzondere voorwaarden en toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.187583.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 25 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Kolham binnen de gemeente Midden-Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,

-met zijn hand (uit zijn broekzak of broeksband) een mes heeft gepakt en/of

-achter die [slachtoffer] is aangelopen en/of

-daarbij (meerdere malen) (met kracht) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt met het mes in zijn hand in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

-die [slachtoffer] (meerdere malen) met dat mes heeft gestoken en/of

-die [slachtoffer] in de linkerzij en/of hand met dat mes heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Kolham binnen de gemeente Midden-Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

-met zijn hand (uit zijn broekzak en/of broeksband) een mes heeft gepakt en/of

-achter die [slachtoffer] is aangelopen en/of

-daarbij (meerdere malen) (met kracht) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt met het mes in zijn hand in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

-die [slachtoffer] (meerdere malen) met dat mes heeft gestoken en/of

-die [slachtoffer] in de linkerzij en/of hand met dat mes heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever. Verdachte had de bedoeling om in het been van aangever te steken. Bovendien was de kans dat aangever door de opgelopen verwondingen zou overlijden klein, ook omdat onduidelijkheid bestaat over het mes waarmee verdachte heeft gestoken en met welke kracht er is gestoken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Op 17 juni 2025 ben ik met [verdachte] (de rechtbank leest: [verdachte] ) naar de McDonalds in [plaats] gegaan. Ik gaf [verdachte] een bekertje water. Daarna stak hij mij meerdere malen. Hij rende weg met een mes in zijn handen. Ik zag allemaal bloed aan mijn rechterhand. Tevens ben ik twee keer in mijn linkerzij gestoken.

3. Een geneeskundige verklaring, op 17 juli 2025 opgemaakt en ondertekend door

[arts] , forensisch arts, voor zover inhoudend:

Onderwerp: medische informatie betreffende [slachtoffer] .

Er zijn volgens de ontvangen medische informatie een tweetal onderhuidse steekverwondingen links in de flank en een tweetal steekverwondingen rechts op de hand geconstateerd. Aan de rechterhand is er een slagaderlijke bloeding aan de handpalmzijde gehecht. In de overdracht van de ambulancezorg naar het behandelteam zou er een bloedverlies zijn geweest van ca. 1 liter.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Door mij werden de camerabeelden van de McDonalds te [plaats] bekeken. De desbetreffende camera is gericht op de het buitenterras. Ik zag onderaan het beeld het volgende staan: 2025-06-17 23.00 02 Overzicht Buiten Terrein 2.

Om 23.04.17 uur is te zien dat de verdachte in zijn linkerhand een voorwerp vast heeft dat licht weerkaatst. Gelet op de vorm en de weerkaatsing van het licht is dit voorwerp mogelijk een mes. Hierna is te zien dat het slachtoffer achteruit stapt en dat hij de beker aan de verdachte heeft gegeven.

Om 23.04.23 uur is te zien dat de verdachte met zijn linkerarm een zwaaiende/stekende

beweging maakt in de richting van de linkerzijkant van het slachtoffer. Hierna is te zien dat de verdachte nogmaals een zwaaiende/stekende beweging maakt met zijn linkerarm in de richting van de linkerzijde van het slachtoffer. Om 23.04.25 uur is te zien dat de verdachte voor de derde maal een zwaaiende/stekende beweging maakt in de richting van het slachtoffer. De verdachte zwaait zijn linkerarm naar achteren en maakt nogmaals een zwaaiende/stekende beweging in de richting van het slachtoffer.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, in die zin dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Naar het oordeel van de rechtbank kan het steken met een mes van dichtbij, mede gelet op het type mes waarvan zich een foto1 in het dossier bevindt, ernstig letsel teweegbrengen. Aangever heeft als gevolg van zijn verwondingen ongeveer een liter bloed verloren. Hij is in zijn hand geraakt, waarbij een slagaderlijke bloeding is ontstaan. Daarnaast is hij meermalen gestoken in zijn linkerzij, waarbij vitale organen geraakt hadden kunnen worden met de dood als gevolg. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte herhaaldelijk van dichtbij heeft uitgehaald naar aangever. Deze handelingen van verdachte geven naar het oordeel van de rechtbank blijk van een bewuste, doelgerichte actie. Hieruit leidt de rechtbank dan ook af dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen, heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 juni 2025 te Kolham binnen de gemeente Midden-Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief elektronische monitoring.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, als de rechtbank het meerderjarigenstrafrecht toepast. De raadsvrouw heeft gesteld dat de psycholoog in het rapport van 2 oktober 2025 duidelijk heeft aangegeven dat verdachte gebaat is bij het minderjarigenstrafrecht. De raadsvrouw heeft aangegeven het belang van een klinisch traject in te zien, maar dat plaatsing in een penitentiaire inrichting voor volwassenen schadelijk is voor verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het Pro Justitiarapport van 2 oktober 2025, opgemaakt door drs. L. Aa (GZ-psycholoog) en het reclasseringsrapport van 7 augustus 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meermalen met een mes in de zij en hand van het slachtoffer te steken, waarbij het slachtoffer ernstig bloedverlies heeft geleden. Het slachtoffer wilde verdachte, die behoorlijk onder invloed was van alcohol, helpen door hem een beker water aan te bieden en werd vervolgens door verdachte aangevallen met een mes. Verdachte heeft daarbij een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer ondervindt nog steeds hinder van het letsel aan zijn hand. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk en acht in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat verdachte in 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.

In strafmatigende zin weegt ook het volgende mee.

In het Pro Justitiarapport komt de gedragsdeskundige tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (gecombineerd beeld), een autismespectrumstoornis (licht), een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol (licht). Deze stoornissen waren ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit ook aanwezig. De gedragsdeskundige heeft de rechtbank geadviseerd om verdachte het feit in verminderde mate toe te rekenen, gezien het gedeeltelijk verminderde vermogen tot zelfregulatie en gedragsmatige sturing als gevolg van de genoemde stoornissen en psychosociale invloeden.

Op basis van dit rapport komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van meerdere persoonlijkheidsstoornissen. Voor de rechtbank is ook duidelijk dat deze stoornissen zodanig hebben doorgewerkt in het gedrag van verdachte dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Door de gedragsdeskundige wordt het gevaar voor herhaling ingeschat als hoog tot matig. De reclassering komt in het rapport van 7 augustus 2026 tot de conclusie dat het risico op recidive hoog is en dat een intensief justitieel kader nodig is om het risico op herhaling te beperken dan wel te voorkomen. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die aan een eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis waren verbonden. Hoewel er nog steeds argumenten zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen, zoals ook de gedragsdeskundige heeft geadviseerd, is de reclassering van oordeel dat toepassing van het volwassenenstrafrecht meer mogelijkheden biedt om de noodzakelijke interventies en behandeling vorm te geven. In het bijzonder biedt dit meer ruimte voor een klinisch diagnostiek- en behandeltraject, hetgeen geïndiceerd wordt geacht en binnen het jeugdstrafrecht moeilijker realiseerbaar lijkt.

Gelet op het advies van de reclassering en de toelichting daarop ter terechtzitting, zal de rechtbank geen gebruik maken van de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Duidelijk is geworden dat verdachte meer zorg en behandeling nodig heeft dan binnen een ambulant kader kan worden geboden. Het volwassenenstrafrecht biedt daartoe meer mogelijkheden.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank legt daarom aan verdachte op een gevangenisstraf van

12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Dit betekent dat verdachte nog enige tijd vast moet blijven zitten. Verdachte verblijft op dit moment in de [instelling] . De rechtbank vindt dit, ondanks dat zij ervoor kiest verdachte te berechten volgens het volwassenenstrafrecht, passend bij de persoonlijkheid van verdachte en adviseert de straf dan ook ten uitvoer te leggen in deze JJI en verdachte niet over te plaatsen naar een gevangenis voor volwassenen.

Aan het voorwaardelijke deel zal een proeftijd van 3 jaar worden verbonden, alsmede de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zich aan deze voorwaarden zal houden. Omdat nog geen zorginstelling bekend is waar verdachte klinisch kan worden behandeld, zal de rechtbank tevens de voorwaarde opleggen dat -ter overbrugging van de periode tot plaatsing in een zorginstelling- verdachte zich onder elektronisch toezicht zal laten stellen, zoals ter terechtzitting is geadviseerd door de reclassering.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op de inhoud van bovenvermelde rapportages is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te

stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.118,66 ter vergoeding van materiële schade en 6.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ter terechtzitting van

11 augustus 2026 is namens de benadeelde partij verzocht het deel dat ziet op de eigen risico niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de benadeelde partij nog twijfelt over het al dan niet ondergaan van een operatie aan zijn hand.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is, met uitzondering van het bedrag dat ziet op de eigen risico 2026 dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde schade aan de kleding gesteld dat deze schade in het geheel niet is onderbouwd. De raadsvrouw heeft verzocht om maximaal 200,- toe te wijzen. Het deel dat ziet op de eigen risico dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij toewijzing van de immateriële schade aan te sluiten bij de Rotterdamse schaal en maximaal 3.000,- toe te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Zoals is verzocht namens de benadeelde partij, zal de rechtbank het deel van de materiële schade dat ziet op de post eigen risico 2026 ( 352,-) niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij heeft aan kleding een totaalbedrag gevorderd van 1.686,40 (de posten bodywarmer Moncler, zomerjas Trapstar, T-shirt, Spijkerbroek Dsquared2 en schoenen Dior). Een groot deel betreft dure merkkleding, waarvan de waarde niet door de benadeelde is onderbouwd en waarvan is gesteld dat dit is gekocht van een derde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de totale hoogte van deze schade op 400,-. De rechtbank zal het overige deel van deze schade afwijzen. De posten ziekenhuisdaggeldvergoeding ad 35,- en reiskosten ad 45,26 zijn niet weersproken door de verdediging en toewijsbaar. Dit betekent dat aan materiële schade een totaalbedrag van 480,26 zal worden toegewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van 6.500,- aan immateriële schade gevorderd. Gelet op de ernst van het feit en het letsel dat de benadeelde partij hieraan heeft overgehouden, acht de rechtbank dit bedrag alleszins redelijk.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 6.980,26, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 juni 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Adviseert deze straf ten uitvoer te leggen in [instelling].

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Verklaart de vordering voor het deel van de materiële schadevergoeding dat ziet op het eigen risico 2026 ( 352,-) niet-ontvankelijk.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.980,26 (zegge: zesduizend negenhonderdtachtig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 480,26 aan materiële schade en 6.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 59 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. J.V. Nolta en

mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.

Mr. Nolta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Opgenomen op pagina 30 van het dossier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.B.W. Venema
  • mr. J.V. Nolta
  • mr. A.L.J.M.A. Janssens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand