RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11570513 \ AR VERZ 25-20
Beschikking van 14 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. I.A.M.W. Janssen,
tegen
de Staat der Nederlanden meer in het bijzonder de Belastingdienst,
te Groningen,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. G.B. Honders.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- producties aan de zijde van [verzoeker]
- de mondelinge behandeling van 15 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1960, is sinds 1 september 1980 in dienst bij werkgever. Hij is werkzaam bij de afdeling Midden- en Kleinbedrijf (MKB) in de functie van heffingsambtenaar. Het laatstelijk verdiende loon bedroeg € 6.110,94 bruto per maand exclusief vakantiegeld en IKB. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Rijk van toepassing.
[verzoeker] dient in zijn functie als heffingsambtenaar belastingaangiftes op juistheid te controleren bij de afdeling MKB.
Vanaf 2017 is tussen de belastingdienst afdeling Particulieren/de fiscus en de partner van [verzoeker] , mevrouw [partner] (hierna: [partner] ), een geschil ontstaan naar aanleiding van de afhandeling van een aangifte van haar inkomstenbelasting. Dit had te maken met de omstandigheid dat [verzoeker] een fout had ontdekt in het online aangifte softwaresysteem. De fout hield in dat dat belastingplichtigen niet op een correcte manier aangifte konden doen van de afkoop van een Brits pensioen. Daardoor kregen die belastingplichtigen, waaronder de partner van [verzoeker] , een te hoge aanslag.
[verzoeker] en [partner] hebben hiervoor een procedure moeten starten jegens de fiscus. [verzoeker] heeft aan zijn toenmalige leidinggevende dit privéconflict met de fiscus mondeling medegedeeld.
Bij e-mail van 14 juli 2020 heeft [verzoeker] aan zijn toenmalige teamleider, mevrouw [teamleider 1] , medegedeeld dat de inspecteur van de fiscus in zijn verweerschrift heeft geschreven dat zijn partner willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte zou worden gecorrigeerd en dat daarmee ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij belastingrente in rekening zou worden gebracht.
In deze e-mail van [verzoeker] aan [teamleider 1] staat het volgende geschreven:
“Voordat jij mijn teamleider heb ik [teamleider 2] mijn voormalig teamleider hierover ingelicht. De behandeling van de afgelopen jaren heeft geleid tot diverse door mijn echtgenote ingediende klachten. Daarnaast heeft mijn echtgenote inmiddels beroep aangetekend tegen de uitspraken welke zijn gedaan op de door mijn echtgenote ingediende bezwaren. In zijn beide verweerschriften stelt de inspecteur nu voor het eerst dat mijn echtgenote "willens en wetens de aanmerkelijke kans hoeft aanvaard dat de aangifte zou worden gecorrigeerd en daarmee ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij belastingrente in rekening zou worden gebracht". Dat is naar mijn mening nogal een zware beschuldiging en een volstrekt onjuiste weergave van de feiten en omstandigheden.
Ik heb de aangiften, de bezwaarschriften en de beroepschriften namens mijn echtgenote opgesteld waarbij ik volledig te goeder trouw en met maximale transparantie heb gehandeld. Het geschil met de Belastingdienst is veroorzaakt door een fout in de software van de aangifteprogrammatuur en de manier waarop de waarop de Belastingdienst hier tot op heden mee omgegaan is. Aangezien mijn echtgenote en ik de kwalificatie "willens en wetens" in dit geval volstrekt ongepast vinden zullen we dit in onze reactie op het verweerschrift van de inspecteur laten weten. Daarnaast heeft mijn echtgenote laten weten opnieuw een klacht in te dienen bij de Belastingdienst tegen de betreffende inspecteur die in zijn verweerschrift dit standpunt heeft ingenomen.
Ik vond het nodig om je dit te laten weten om ook naar jou toe transparant te zijn. Uiteraard ben ik bereid om een en ander mondeling toe te lichten indien daar van jouw kant behoefte aan is.”
In het personeelsgesprek op 8 december 2020 van [verzoeker] is het geschil met de fiscus aan de orde geweest. In het verslag is geschreven: “ (ktr: [verzoeker] ) is een vaste kracht binnen het vpb team. Hij is secuur en presteert naar verwachting. De privé kwestie weet hij goed te onderscheiden van zijn werk maar zorgt bij [verzoeker] wel voor frustratie en onmacht. Toch complimenten hoe hij het volhoudt.”
Op 8 november 2021 heeft [verzoeker] het preventief spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. In de rapportage van dit gesprek wordt aangegeven dat de belastbaarheid van [verzoeker] behoorlijk onder druk staat wat te maken heeft met processen die rond de belastingdienst als overheidsinstantie spelen en dat het werk momenteel nog vol te houden is maar het wel een wankel evenwicht betreft.
[verzoeker] is op 29 november 2021 wegens ziekte uitgevallen.
[verzoeker] heeft op 13 januari 2022 de bedrijfsarts bezocht. In de rapportage van de bedrijfsarts wordt aangegeven dat er sprake is van een medische en een werkgerelateerde oorzaak en dat het niet bekend is wanneer hij zijn werkzaamheden weer kan hervatten. Verder staat geschreven dat de belastbaarheid van [verzoeker] onder druk staat wat te maken heeft met zaken en processen die rond de belastingdienst als overheidsinstelling gaande zijn.
Op 20 januari 2022 hebben [verzoeker] en [partner] een reactie gekregen van de Ombudsman naar aanleiding van een door hen ingediende klacht inhoudende dat de belastingdienst niet op een passende manier heeft gereageerd op zijn klachten over de fout in de aangiftesoftware voor de inkomstenbelasting. De Ombudsman heeft de klacht van [verzoeker] wat betreft de bejegening en de klachtenbehandeling van de belastingdienst gegrond geacht. De Ombudsman heeft aangegeven dat het de verantwoordelijkheid is van de belastingdienst om de verstoorde relatie tussen de belastingdienst en [verzoeker] te herstellen.
Op 22 februari 2022 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat een medische interventie heeft plaatsgevonden maar dat nog niet valt te zeggen of de behandeling resultaat heeft gehad en dat er tevens nog een arbeidsgerelateerd probleem speelt welk nog niet is opgelost.
Onder het re-integratie-advies staat dat [verzoeker] verzuimt vanwege een medische en een werkgerelateerde oorzaak, dat sprake is van fysieke en mentale beperkingen en dat het nog niet bekend is wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten.
Op 19 april 2022 heeft de bedrijfsarts in zijn rapportage aangegeven dat [verzoeker] nog geen start kan maken met re-integratie en dat sprake is van een langslepend arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseert de huidige impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten.
Op 14 juli 2022 heeft de arbo-verpleegkundige in een rapportage geschreven dat er arbeidsmogelijkheden zijn maar vanwege de situatie de bal bij de belastingdienst ligt. Geadviseerd wordt om de huidige impasse te trachten te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten.
Op 3 oktober 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de regiodirecteur belastingdienst MKB [plaats] en [plaats] , mevrouw [regiodirecteur MKB] , de teamleider mw. [teamleider 3] en [verzoeker] vergezeld van zijn gemachtigde en zijn partner. Het onderwerp van gesprek was het privégeschil dat [verzoeker] heeft met de fiscus. Daarnaast heeft [verzoeker] gevraagd om de loonkorting van 30% na één jaar ziekte niet toe te passen omdat naar zijn mening sprake is van een arbeidsgerelateerd probleem en heeft hij aangegeven dat hij de relatie met de fiscus wil herstellen.
In de brief van 2 december 2022 van de gemachtigde van [verzoeker] is aan de werkgever verzocht om 100% loondoorbetaling van het salaris vanaf het tweede ziektejaar omdat [verzoeker] van mening is dat sprake is van een beroepsziekte ex paragraaf 8.7 van de CAO.
Bij e-mail van 5 januari 2023 heeft de werkgever aan [verzoeker] aangegeven dat zij aan de bedrijfsarts de vraag heeft voorgelegd of sprake is van een beroepsziekte bij [verzoeker] .
In december 2022 heeft de bedrijfsarts een belastbaarheidsonderzoek aangevraagd bij een extern deskundige WPEX. WPEX heeft op 31 januari 2023 een onderzoeksrapportage opgemaakt.
In februari 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [verzoeker] en [partner] in het gelijk gesteld in het geschil met de fiscus.
Bij de rapportage van 10 mei 2023 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat geen sprake is van een beroepsziekte. Hij heeft inzake de belastbaarheid van [verzoeker] verwezen naar het belastbaarheidsonderzoek van WPEX van 31 januari 2023.
Bij de rapportage van 17 mei 2023 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat na grondige bestudering en in overleg met de medical board en met inachtneming van de door Nederlands Centrum van Beroepsziekten gehanteerde criteria (het zogenaamde 6 stappenplan) hij tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een beroepsziekte.
Op 22 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [regiodirecteur MKB] en [verzoeker] waarbij tevens de directeur belastingdienst Particulieren, mevrouw [directeur] aanwezig was. Het gesprek was bedoeld om afspraken te maken in het kader van het oplossen van de fiscale privézaken en ook in te gaan op de rol van de werkgever. Besproken is dat er zo snel mogelijk mediation met de fiscus zal worden ingezet. De mediation met de fiscus is in juli 2023 opgestart.
In de brief van 30 mei 2023 is door de waarnemend plaatsvervangend Directeur Generaal van werkgever, besloten dat gezien de uitzonderlijke situatie coulancehalve 100% salaris door zal worden betaald in het tweede ziekte jaar.
De bedrijfsarts heeft bij zijn rapportage van 9 augustus 2023 geconcludeerd dat sprake is van een beroepsziekte onder intrekking van zijn eerdere conclusies van 10 en 17 mei 2023. In die rapportage is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) Ons gesprek van 17 juli in aanwezigheid van betrokkene, zijn juridische adviseurs en hoofd Medical Board van onze arbodienst heeft geleid tot andere inzichten en bijstelling van de beoordeling ten aanzien van ziekte in hoofdzaak veroorzaakt door werk. Dit is aanleiding geweest om de eerdere uitspraak te herzien (waarbij opnieuw het 6 stappen plan van het NCVB doorlopen is) en de conclusie getrokken dat er daadwerkelijk sprake is van een beroepsziekte.
(…) Mede bepalend hierin is dat medewerker aan geeft dat hij zijn werk (controleren van aangiften op juistheid) en de werkomstandigheden waaronder dit moest gebeuren, doelend op alle beschuldigingen welke alle zijn benoemd, niet meer geloofwaardig kon uitvoeren en dat hij psychisch overbelast is van 6 jaren lang martelgang en dientengevolge momenteel niet kan re-integreren. Bovendien heeft betrokkene aandacht gevraagd voor het feit dat de onderzoeker over onvoldoende informatie beschikt om het antwoord op de vraag of sprake is van een beroepsziekte te beantwoorden. Zo is bijvoorbeeld de vip behandeling in het onderzoek niet ter sprake gekomen Daarbij wil ik u volgende conclusie van de onderzoeker van Wpex rapport niet onthouden: ‘Alles overziend blijkt sprake van een 62 jarige man, die overbelast is geraakt door een combinatie van factoren, waarbij een jarenlang voortslepende zaak tegen de eigen werkgever de belangrijkste is. Onderzochte is verwikkeld geraakt in een proces waarin verschillende klachten aan het adres van de Belastingdienst en de wijze hoe deze afgehandeld en hoe hij zelf bejegend werd gevoelens van wanhoop en onmacht hebben aangewakkerd’
Bij brief van 2 november 2023 heeft werkgever aan [verzoeker] bericht dat zij een aanvullend onderzoek wil laten doen door een onafhankelijke derde of sprake is van een psychische beroepsziekte. [verzoeker] heeft dit onderzoek geweigerd.
Bij e-mail van 11 december 2023 heeft werkgever aangegeven dat het salaris van [verzoeker] voor 70% zal worden doorbetaald en niet meer voor 100%.
Bij e-mail van 22 december 2023 is namens [verzoeker] aanspraak gemaakt op 100% loondoorbetaling omdat er door de bedrijfsarts is vastgesteld dat er sprake is van een beroepsziekte.
Bij besluit van 20 november 2023 heeft het UWV met ingang van 27 november 2023 aan [verzoeker] een WIA-uitkering toegekend. [verzoeker] heeft bij het UWV bezwaar gemaakt tegen deze beslissing omdat hij het niet eens was met het oordeel van het UWV dat werkgever aan de re-integratieverplichtingen heeft voldaan.
In het besluit van 22 mei 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat werkgever onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratieverplichtingen maar dat dit niet leidt tot het opleggen van een loonsanctie omdat er geen re-integratiekansen zijn gemist aangezien [verzoeker] tijdens zijn arbeidsongeschiktheid geen of sterke wisselende belastbaarheid heeft gehad. [verzoeker] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De bestuursrechter heeft bij tussenuitspraak van 14 maart 2025 beslist dat werkgever te kort is geschoten in zijn re-integratieverplichtingen met als gevolg dat [verzoeker] mogelijke re-integratie kansen heeft gemist.
Werkgever heeft een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en op 2 september 2024 is de vergunning verleend. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] bij brief van 18 september 2024 opgezegd door werkgever tegen 1 januari 2025. Aan [verzoeker] is een transitievergoeding betaald ter hoogte van € 94.000,00.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter:
I. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
II. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 2.140,38 bruto ter zake van achterstallige betaling van de opgebouwde, maar niet opgenomen wettelijke verlofuren over 2021;
III. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 25.000,00 netto ter zake van immateriële schadevergoeding ex artikel 6:106, lid onder b BW;
IV. werkgever te veroordelen tot naleving van hoofdstuk 8 paragraaf 2 van de CAO Rijk in die zin dat werkgever aan [verzoeker] zijn volledige maandinkomen dient te betalen over de periode 27-11-2023 tot 01-01-2025 met aftrek van de reeds betaalde bedragen;
V. werkgever te veroordelen tot naleving van hoofdstuk 8 paragraaf 2 van de CAO Rijk in die zin dat werkgever aan [verzoeker] de aanvullende uitkering dient te betalen vanaf 01-01-2025 tot aan de dag dat [verzoeker] niet meer aan de voorwaarden uit de cao voldoet en maximaal tot [verzoeker] de AOW gerechtigde-leeftijd heeft bereikt;
VI. werkgever te veroordelen tot rehabilitatie van [verzoeker] op de wijze als genoemd in punt 65 van het verzoekschrift op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat werkgever na betekening van de in deze te wijzen beschikking in gebreke blijft hieraan te voldoen;
VII. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de onder II, IV en V genoemde vordering;
VIII. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 2.045,00 (excl. BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten;
IX. werkgever te veroordelen tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie betreffende de toegewezen bruto-vorderingen, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of gedeelte van een dag dat werkgever na betekening van de in deze te wijzen beschikking in gebreke blijft hieraan te voldoen;
X. werkgever te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
XI. werkgever te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.
4. De beoordeling
Bij de beoordeling van het tussen partijen gerezen geschil stelt de kantonrechter voorop dat werkgever de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] met toestemming van het UWV rechtsgeldig heeft opgezegd op de grond zoals vermeld artikel 7:699 lid 3 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) (te weten: langdurige arbeidsongeschiktheid) met ingang van 1 januari 2025.
Wet bescherming Klokkenluiders
[verzoeker] stelt dat hij moet worden aangemerkt als klokkenluider. Werkgever betwist dit gemotiveerd.
Om als klokkenluider in de zin van de Wet Bescherming Klokkenluiders (Wbk) te kunnen worden aangemerkt dient sprake te zijn van een melding van een misstand in de zin van die wet. Artikel 1 van de Wbk definieert het begrip melder als: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten een vermoeden van een misstand meldt of openbaar maakt.
De kantonrechter stelt vast dat, gelijk [verzoeker] in zijn pleitnota en ter zitting heeft gesteld, een fout in de software ontdekken nog geen misstand is. Hij stelt echter dat hij er tijdens zijn werkzaamheden achter kwam dat de fiscus op de hoogte was van deze fout en daarmee niets deed. Werkgever betwist dit. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat het om een fout in software ging die al lang bekend was en waarmee niets werd gedaan. [verzoeker] stelt enkel dat dit in een overleg aan de orde is geweest, zonder concreet aan te geven wanneer en met wie dat overleg heeft plaatsgevonden en wat daarbij over deze fout in de software is besproken. Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker] niet als klokkenluider dient te worden aangemerkt.
Billijke vergoeding
[verzoeker] verzoekt allereerst om toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van € 100.000,00 bruto omdat naar zijn mening de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hij beroept zich op artikel 7:682 lid 1 aanhef onder c BW. Werkgever betwist dit.
Op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef onder c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:699 lid 3 onder b BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever slechts sprake zal zijn in uitzonderlijke gevallen waarin het evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werkgever als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Bijvoorbeeld als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd of als een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.
Geen integriteitsonderzoek naar aanleiding van geschil met fiscus over privékwestie 4.8. [verzoeker] is van mening dat werkgever onder meer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende actie te ondernemen nadat hij in juli 2020 aan zijn teamleider had medegedeeld dat hij in een procedure tegen de fiscus over een privékwestie door de fiscus in het verweerschrift ervan werd beschuldigd dat hij “willens en wetens” een onjuiste aangifte had gedaan. [verzoeker] is van mening dat deze melding van hem voor werkgever reden had moeten zijn om een integriteitsonderzoek op te starten naar hem, gezien het van toepassing zijnde Protocol Integriteitsonderzoek Belastingdienst en het Personeelsreglement Financiën. [verzoeker] werd namelijk in het verweerschrift door de inspecteur beschuldigd van een strafbaar feit op grond van artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Een integriteitsonderzoek had duidelijkheid kunnen scheppen terwijl deze beschuldiging nu jarenlang, tot de uitspraak van het gerechtshof in februari 2023, als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd heeft gehangen. Door deze beschuldiging werd het voor hem onmogelijk om zijn werk op een geloofwaardige manier uit te voeren omdat zijn werk bestaat uit het controleren van aangiftes, en kwam hij in een spagaat terecht. Hierdoor heeft [verzoeker] ziek moeten melden.
Werkgever betwist ter zake ernstig verwijtbaar te hebben gehandeld. Werkgever voert daarbij aan dat er een strikte scheiding bestaat tussen de belastingdienst als werkgever en de belastingdienst als fiscus. In artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ligt de grondslag voor de strikte scheiding van de fiscus en de belastingdienst. In lid 1 is de fiscale geheimhoudingsplicht opgenomen, kort gezegd inhoudende dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Belastingwet over de persoon van een ander blijkt, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de Belastingwet. Op grond van lid 3 kunnen fiscale gegevens alleen na een ontheffing van de geheimhoudingsplicht terecht komen bij de belastingdienst als werkgever. Ontheffing vindt alleen plaats als er een vermoeden is van een ernstige integriteitschending van een medewerker. In dat geval kan de inspecteur van de fiscus een verzoek doen tot ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht. Alleen als de hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken de inspecteur fiscus een ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht verleent, komt de fiscale informatie bij de werkgever. Andersom bestaat voor de werkgever niet de mogelijkheid om de fiscus om inzage te vragen in fiscale zaken van medewerkers van de belastingdienst. Nu de inspecteur van de fiscus geen melding heeft gemaakt aan werkgever dat er sprake was van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending van [verzoeker] en geen ontheffing van de geheimhoudingsplicht heeft gevraagd, betekent dit naar mening van werkgever dat er bij de inspecteur geen vermoeden is geweest van een integriteitsschending door [verzoeker] . Werkgever heeft om die reden ook nimmer getwijfeld aan de integriteit van [verzoeker] en heeft hem dit ook meerdere malen medegedeeld, aldus werkgever.
De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] aldus dat hij zich niet gesteund heeft gevoeld door werkgever toen hij in juli 2020 door de fiscus beticht werd van het willens en wetens onjuiste aangifte doen, en dat werkgever meer had moeten doen om deze beschuldiging uit de wereld te helpen. Dit had naar zijn mening moeten worden gedaan door een integriteitsonderzoek te laten doen naar hem. De kantonrechter stelt vast dat de inspecteur van de fiscus geen melding heeft gedaan aan werkgever dat er sprake was van een vermoeden van een ernstige integriteitsschending door [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat nu deze melding niet is gedaan door de inspecteur, werkgever ervan uit mocht gaan dat de inspecteur, ondanks het bestaande privéconflict tussen de fiscus en (de partner van) [verzoeker] , geen vermoeden had van een ernstige integriteitsschending door [verzoeker] . Nu ook niet gesteld is dat werkgever zelf twijfelde aan de integriteit van [verzoeker] , was er naar het oordeel van de kantonrechter in die periode geen aanleiding voor werkgever om actie te ondernemen door naar de inspecteur van fiscus te gaan om te vragen of hij een verzoek tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht zou willen doen en een integriteitsonderzoek wilde starten. Door op dat moment geen onderzoek te doen naar de integriteit van [verzoeker] heeft werkgever naar het oordeel van de kantonrechter in dit kader dan ook niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verzoeker] . Uit het verslag van het personeelsgesprek van 8 december 2020 aan [verzoeker] blijkt ook dat werkgever aan hem heeft laten weten dat zij niet twijfelt aan zijn integriteit. Hierin staat immers dat [verzoeker] de privékwestie goed weet te onderscheiden van zijn werk en wordt hij gecomplimenteerd hoe hij het volhoudt.
Re-integratieverplichtingen
Vervolgens is [verzoeker] op 29 november 2021 ziek geworden. Volgens [verzoeker] heeft werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld door haar re-integratie-verplichtingen ernstig te veronachtzamen waardoor het herstel van [verzoeker] ernstig is belemmerd. Hij stelt dat werkgever onvoldoende heeft gedaan om te komen tot een oplossing van het aanwezige arbeidsconflict. Zo heeft werkgever de adviezen van de bedrijfsarts om arbeidsrechtelijke mediation te starten niet opgevolgd. Ook het UWV en de rechtbank hebben geoordeeld dat werkgever tekort is geschoten in de re-integratieverplichtingen. Dit heeft er naar de mening van [verzoeker] uiteindelijk toe geleid dat werkgever de arbeidsovereenkomst heeft kunnen opzeggen. Werkgever heeft de gemaakte verwijten gemotiveerd betwist. De kantonrechter oordeelt als volgt.
De kantonrechter stelt hierbij voorop dat de omstandigheid dat het UWV de re-integratie inspanningen onvoldoende heeft beoordeeld, nog niet betekent dat werkgever op ernstig verwijtbare wijze zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Het UWV toetst immers of werkgever ‘zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht’ terwijl voor het toewijzen van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel c BW sprake dient te zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’ aan de zijde van werkgever. De lat hiervoor ligt dus hoger.
De kantonrechter stelt vast dat de bedrijfsarts op 19 april 2022 in zijn rapportage heeft aangegeven dat [verzoeker] nog geen start kan maken met re-integratie en dat sprake is van een langslepend arbeidsconflict. De bedrijfsarts schrijft dat de situatie niet tot een oplossing lijkt te komen ondanks dat de betrokken instantie uitspraken heeft gedaan over te ondernemen acties vanuit de belastingdienst. De bedrijfsarts adviseert de huidige impasse te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. Op 14 juli 2022 heeft de arbo-verpleegkundige vervolgens in de rapportage geschreven dat het [verzoeker] erg frustreert dat vanuit de belastingdienst nog geen actie is ondernomen. Er zijn arbeidsmogelijkheden maar vanwege de situatie ligt de bal bij de belastingdienst. Geadviseerd wordt wederom om de huidige impasse te trachten te doorbreken door onder andere geadviseerde acties in te zetten. Hoewel naar het oordeel van de kantonrechter uit het dossier niet is af te leiden op welke concrete acties (en van wie, de belastingdienst als werkgever of de belastingdienst als fiscus) hier door de bedrijfsarts en arbo-verpleegkundige wordt gedoeld, lag het op dat moment naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval wel op de weg van werkgever om contact op te nemen met [verzoeker] en met hem in gesprek te gaan hierover. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] pas op 3 oktober 2022 met de directeur belastingdienst MKB, mevrouw [regiodirecteur MKB] , een gesprek heeft gehad over het conflict dat hij heeft met de fiscus. In het door werkgever overgelegde gespreksverslag hiervan, waarvan de inhoud niet is betwist door [verzoeker] , staat dat [verzoeker] het conflict met de fiscus wil oplossen en dat hij van mening is dat alle zaken eerst moeten zijn opgelost eer hij de stap naar het werk kan maken. [regiodirecteur MKB] heeft na dit gesprek contact opgenomen met de directeur belastingdienst Particulieren, mevrouw. [directeur] , met het verzoek om de zaak van [verzoeker] op te pakken en mediation in te zetten in het kader van het fiscale geschil. Op 22 mei 2023 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen [regiodirecteur MKB] en [verzoeker] waarbij [directeur] ook aanwezig was. Vast staat dat hierna mediation heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de fiscus. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het werkgever niet worden verweten dat op dat moment nog geen arbeidsrechtelijke mediation is ingezet, nu [verzoeker] meerdere keren heeft aangegeven dat eerst het conflict met de fiscus opgelost diende te worden en ook de bedrijfsarts schrijft dat de belastbaarheid van [verzoeker] onder druk staat wat te maken heeft met zaken en processen die rondom de belastingdienst als overheidsinstelling gaande zijn. De kantonrechter leest in de adviezen van de bedrijfsarts ook niet dat er (direct) arbeidsrechtelijke mediation moet worden ingesteld. De kantonrechter kan [verzoeker] wel volgen in zijn stelling dat werkgever eerder actie had kunnen ondernemen om met hem in gesprek te gaan over zijn conflict met de fiscus en (daarna) met de afdeling Particulieren contact op te nemen, toen begin 2022 duidelijk werd dat zijn belastbaarheid onder druk stond door het conflict met de fiscus. Dat werkgever niet voortvarender te werk is gegaan en pas op 3 oktober 2022 een gesprek heeft ingepland met [regiodirecteur MKB] en [verzoeker] om dit conflict bespreekbaar te maken en om vervolgens contact op te nemen met de directie Particulieren om het fiscale geschil op te lossen, is haar als werkgever te verwijten. Dit alleen is echter niet zodanig, dat gesproken kan worden van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat werkgever bewust het contact met [verzoeker] eerst heeft afgehouden om zijn re-integratie te belemmeren en andere omstandigheden, dan hiervoor al besproken, die maken dat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van werkgever zijn ook niet gesteld of gebleken. Onvoldoende is dan ook komen vast te staan dat werkgever de re-integratie verplichtingen zo ernstig heeft veronachtzaamd, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van werkgever.
De conclusie is dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, geen afdoende onderbouwing opleveren voor de stelling dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke verlofuren
Voorts maakt [verzoeker] aanspraak op uitbetaling van 49 wettelijke verlofuren over 2021 ter hoogte van € 2.140,38 bruto. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] ten tijde van zijn ziekmelding op 29 november 2021 over het jaar 2021 nog 49 wettelijke verlofuren had. Werkgever stelt zich op het standpunt dat deze uren zijn vervallen, omdat [verzoeker] in het jaar 2021 voldoende gelegenheid heeft gehad om deze wettelijke verlofuren op te nemen.
Ingevolge paragraaf 4.1 van de cao Rijk 2021 kunnen de wettelijke verlofuren worden opgenomen in het jaar waarin het recht is ontstaan en in het daaropvolgende jaar. In de Uitleg bij deze cao staat over het vervallen van de vakantie-uren:
“Vakantie uren die u niet heeft opgenomen, vervallen een jaar na het kalenderjaar waarin u ze heeft opgebouwd. Dit betekent bijvoorbeeld dat u de vakantie-uren die u in 2021 heeft opgebouwd, uiterlijk op 31 december 2022 kunt opnemen. Uw niet opgenomen vakantie-uren vervallen pas 5 jaar na het kalenderjaar waarin u ze heeft opgebouwd als u niet in staat was uw vakantie-uren op tijd op te nemen. Bijvoorbeeld omdat u daarvoor te ziek was.”
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] de resterende in 2021 opgebouwde wettelijke verlofuren vanaf 29 november 2021 én in 2022 niet meer heeft kunnen opnemen, omdat hij ziek was en geen re-integratie verplichtingen had. Dat [verzoeker] in 2021, voordat hij ziek werd, de gelegenheid had om deze uren op te nemen, maakt dat niet anders. [verzoeker] kon immers niet voorzien dat hij ziek zou worden en zijn ziekte maakte het onmogelijk de verlofuren tijdig op te nemen. De resterende verlofuren van 2021 zijn naar het oordeel van de kantonrechter dus niet vervallen en werknemer dient deze nog uit te betalen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat van verval van verlofuren alleen sprake kan zijn, indien de werkgever de werknemer ‘op precieze wijze’ en tijdig heeft geïnformeerd over zijn vakantierechten en de werknemer heeft gewaarschuwd voor het moment waarop de werknemer deze rechten verliest. Gelet op het Max Planck arrest is dit niet zomaar toegestaan. Dit is in deze zaak ook niet gebeurd, althans daarvan is niet gebleken.
Nu de hoogte van het ter zake verzochte bedrag van € 2.140,38 bruto niet is betwist, zal dit bedrag worden toegewezen.
Immateriële schade
[verzoeker] verzoekt verder om toekenning van een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade. Hij onderbouwt dit verzoek door te stellen dat hij als persoon diep geraakt is door twee omstandigheden: de omstandigheid dat werkgever aan zijn collega’s geen opheldering over de reden van zijn absentie heeft gegeven, waardoor er speculatie en achterklap is ontstaan op de werkvloer en de omstandigheid dat er vanuit werkgever nooit een positieve reactie richting hem is gekomen, terwijl hij na het ontdekken van de fout in de software door een hel is gegaan en als gevolg daarvan ziek is geworden. Gezien de aard, duur en intensiteit van de pijn die hij hierdoor heeft geleden, vordert [verzoeker] ter compensatie van het verdriet en gederfde levensvreugde met betrekking tot de eerste omstandigheid een bedrag van € 7.000,00 en met betrekking tot de tweede omstandigheid een bedrag van € 18.000,00. Werkgever heeft dit verzoek gemotiveerd betwist.
Ingevolge artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW heeft een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien deze in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De partij die zich op aantasting van de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen worden vastgesteld.
Het had op de weg gelegen van [verzoeker] om concrete gegevens aan te voeren waaruit zou blijken dat hij door het handelen van werkgever geestelijke letsel of psychische schade heeft opgelopen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] , in het licht van de betwisting van werkgever, dat onvoldoende gedaan. De verklaring die [verzoeker] heeft overgelegd van zijn verpleegkundig specialist van de organisatie Psyq is te algemeen om als concrete onderbouwing daarvan te gebruiken. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade zal daarom worden afgewezen.
Aanvulling op grond van de cao/beroepsziekte
Voorts maakt [verzoeker] aanspraak op nakoming van artikel 8.2 en 8.3 van de cao Rijk, in die zin dat hij stelt dat hij recht heeft op doorbetaling van het volledige maandinkomen over de periode van 27 november 2023 tot 1 januari 2025 en recht heeft op een aanvullende uitkering vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag dat [verzoeker] zijn AOW ontvangt.
Art. 8.2 van die cao luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
“§ 8.2 Maandinkomen bij langdurige ziekte tijdens dienstverband
Vanaf de eerste dag dat u arbeidsongeschikt bent, betaalt uw werkgever uw maandinkomen gedurende 52 weken volledig door. Daarna betaalt uw werkgever 70% van uw maandinkomen.
(…)
Beroepsincident, dienstongeval en beroepsziekte
Als u arbeidsongeschikt bent geraakt door een beroepsincident, dienstongeval of beroepsziekte, dan heeft u 104 weken recht op doorbetaling van uw volledige maandinkomen vanaf de eerste dag dat u arbeidsongeschikt bent.
Art. 8.3 van die cao luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
§ 8.3 Maandinkomen bij arbeidsongeschiktheid na afloop dienstverband
(…) Als u tijdens uw dienstverband arbeidsongeschikt bent geworden door een beroepsincident, dienstongeval of beroepsziekte en daardoor na het einde van uw dienstverband een WIA-uitkering ontvangt, heeft u tot u uw AOW-leeftijd bereikt recht op een aanvullende uitkering.
In bijlage 1 onder Definities van de cao Rijk wordt onder beroepsziekte verstaan:
Een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.
Dit begrip is voor psychische beroepsziekten verder uitgewerkt door de Centrale Raad van Beroep (de CRvB). Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat waar de ziekte van psychische aard is, als eis geldt dat de werkzaamheden van de betrokken ambtenaar of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht - objectief beschouwd - een buitensporig karakter hadden (het buitensporigheidsvereiste).
Zoals de CRvB herhaaldelijk heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van
1 juli 2014, ECLI:NL:CRvB:2014:2270) ligt in het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering besloten dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden. Niet iedere werknemer reageert immers op dezelfde wijze op bepaalde werkomstandigheden. Voor zover de werkomstandigheden van een betrokkene hem of haar juist vanwege de subjectieve omstandigheid van zijn of haar verhoogde kwetsbaarheid te veel zijn geworden, is niet voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde van naar objectieve maatstaven gemeten buitensporigheid.
De beoordeling of voldaan is aan voornoemd buitensporigheidsvereiste vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de werknemer om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is (ECLI:NL:CRvB:2015:1665). Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of er tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is. Alleen beantwoording van die laatste vraag is primair gelegen op het terrein van de medicus.
Vanaf 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking getreden. [verzoeker] is dan werknemer in de zin van het Burgerlijk Wetboek en de cao Rijk is op hem van toepassing geworden. Vooropgesteld zij dat met de inwerkingtreding van de Wnra geen wijziging heeft plaatsgevonden in de voorwaarden waaronder een (thans) werknemer aanspraak heeft op een loondoorbetaling van 100% gedurende het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid en dat de uitleg van het begrip beroepsziekte in dit kader per die datum evenmin is gewijzigd. De vaste jurisprudentie hierover, zoals die voorheen door de bestuursrechter is ontwikkeld, is dus nog steeds leidend. De kantonrechter ziet geen reden om van een andere beoordelingsmaatstaf uit te gaan. Dat in de cao de uitleg van het begrip beroepsziekte onder paragraaf 8.7 staat met als titel ‘Vergoeding schade en zorgkosten” maakt, anders dan [verzoeker] stelt, niet dat het al dan niet aanwezig zijn van buitensporige werkomstandigheden niet relevant is voor de vraag of sprake is van een beroepsziekte en/of dat de jurisprudentie van de CRvB niet van toepassing is.
[verzoeker] stelt dat in zijn situatie sprake is van een beroepsziekte. Ter onderbouwing daarvan verwijst [verzoeker] naar de rapportage van de bedrijfsarts van 9 augustus 2023 waarin door de bedrijfsarts is onderbouwd dat sprake is van een beroepsziekte (zie r.o. 2.23). Ook verwijst hij naar een brief van het ABP van 16 februari 2024 waarin staat vermeld dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is door een beroepsziekte en dat dit onderzocht is door een verzekeringsarts. Werkgever heeft bovendien in de brief van 30 mei 2023 onderkend dat [verzoeker] in een spagaat terecht is gekomen. Daarmee wordt de buitensporigheid door werkgever onderkend, aldus [verzoeker] .
Werkgever betwist dat sprake is van een beroepsziekte. Werkgever wijst erop [verzoeker] niet heeft meegewerkt aan het aanvullend onderzoek zodat niet kan worden vastgesteld of overeenkomstig het cao Rijk in juridische zin sprake is van een psychische beroepsziekte. De door [verzoeker] in het verzoekschrift aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van een psychische beroepsziekte. Voorts voert zij aan dat het Wepex rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarin is bepaald dat de overbelasting niet het gevolg is van het werk of werkomstandigheden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat [verzoeker] op een gegeven moment niet meer in staat was om aangiftes op juistheid te controleren terwijl hij zelf beschuldigd werd van willens en wetens onjuist aangifte doen en dat hij hierdoor psychisch overbelast is geraakt. De kantonrechter neemt het zonder meer voor waar aan dat [verzoeker] door de privékwestie met de fiscus, die zich vele jaren heeft voortgesleept, spanningen heeft ervaren die in zijn geval er zelfs toe hebben geleid dat hij overbelast is geraakt, maar dat levert naar het oordeel van de kantonrechter nog geen reden op om de werkomstandigheden als objectief buitensporig aan te merken. [verzoeker] heeft na de door hem als beschuldiging opgevatte stelling in het verweerschrift van de fiscus dat hij willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan, het idee dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken niet meer kunnen loslaten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] dit zich meer aangetrokken dan van een gemiddelde werknemer van werknemer mag worden verwacht. Werkgever had, zoals hiervoor in ander verband al overwogen, weliswaar eerder actie kunnen nemen door met [verzoeker] in gesprek te gaan over de privékwestie met de fiscus en daarna, toen duidelijk werd dat hij onder druk stond door het conflict met de fiscus, met de afdeling Particulieren contact op te nemen om een oplossing van de privékwestie (te proberen) te bespoedigen, maar aanknopingspunten voor de conclusie dat de houding en bejegening van werkgever tegenover [verzoeker] zodanig waren dat de werkomstandigheden als buitensporig moeten worden aangemerkt, zijn er niet.
Dat de bedrijfsarts en een verzekeringsarts van het ABP wel ervan zijn uitgegaan dat sprake is van een beroepsziekte, maakt een en ander niet anders. Zoals hiervoor overwogen, is de juridische kwalificatie van de zich voorgedane feiten, die nodig is voor de beoordeling of voldaan is aan voornoemd buitensporigheidsvereiste, niet aan deze medici. Daarbij overweegt de kantonrechter nog dat uit de door de bedrijfsarts gegeven onderbouwing van de door hem getrokken conclusie naar voren komt dat hij geen onderscheid maakt tussen de belastingdienst als fiscus en de belastingdienst als werkgever. De kantonrechter begrijpt dat het in verband met oplopende spanningen bij [verzoeker] voor hem op enig moment ook lastig was dat onderscheid te maken, maar het gaat niet aan om eventuele steken die de belastingdienst als fiscus heeft laten vallen bij de afhandeling van de privékwestie en de bejegening van [verzoeker] daarbij, aan de belastingdienst als werkgever aan te rekenen, laat staan om het handelen van de belastingdienst als fiscus aan te merken als een omstandigheid die heeft bijgedragen aan werkomstandigheden van een buitensporig karakter. Verder leest de kantonrechter in de brief van 30 mei 2023 van werkgever dat er begrip wordt getoond voor de situatie waarin [verzoeker] is komen te verkeren, maar anders dan [verzoeker] kan dit niet worden opgevat als een onderkenning van de buitensporigheid van de werksituatie.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] de door hem gestelde buitensporige werkomstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een beroepsziekte. Dit betekent dat werkgever terecht de korting van 30% op het salaris heeft toegepast en dat er geen grond is voor het betalen van een aanvullende uitkering. De verzoeken tot betaling van het volledige maandinkomen tot 1 januari 2025 met aftrek van het reeds betaalde en tot betaling van een aanvullende uitkering vanaf 1 januari 2025 zullen daarom worden afgewezen.
Rehabilitatie
[verzoeker] verzoekt rehabilitatie in de vorm van een bericht op het landelijke intranet. Hij stelt dat dit verplicht is op grond van de integriteitsprotocollen en dat er tevens op de belastingdienst een morele verplichting rust, nu [verzoeker] in het gelijk is gesteld door het gerechtshof voor wat betreft het willens en weten onjuist aangifte doen. Bovendien is hij bij het inleveren van zijn eigendommen niet in de gelegenheid gesteld om persoonlijk afscheid te nemen van zijn collega’s. Werkgever betwist deze vordering, waarbij zij aanvoert dat rehabilitatie niet aan de orde is omdat geen sprake is geweest van een vermoeden van een integriteitsschending.
De kantonrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is voor rehabilitatie door werkgever zoals door [verzoeker] verzocht. Niet gebleken is dat de belastingdienst als werkgever [verzoeker] onterecht heeft beschuldigd. Verder is niet betwist dat [verzoeker] op kosten van werkgever een afscheidsreceptie heeft gehad op 14 maart 2025 om afscheid te kunnen nemen van zijn collega’s. Het verzoek hiertoe wordt dan ook afgewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
Het verzoek tot betaling van de wettelijke rente en wettelijke verhoging wordt slechts toegewezen over het bedrag van de resterende in 2021 opgebouwde wettelijke verlofuren, nu alleen dit verzoek zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de verzochte wettelijke verhoging te beperken tot 25%.
Loonspecificatie
Het verzoek onder IX. tot overlegging van een bruto/netto specificatie waarin de betreffende toegewezen bedragen zijn verwerkt, wordt eveneens toegewezen, nu werkgever daarin de resterende in 2021 opgebouwde wettelijke verlofuren nog moet verwerken. Bij gebreke van een verzochte termijn waarbinnen de specificatie moet zijn verstrekt, acht de kantonrechter het redelijk hiervoor een termijn van zeven dagen na betekening te geven. Verder zal de verzochte dwangsom worden gemaximeerd.
Buitengerechtelijke kosten
De kantonrechter zal de verzochte buitengerechtelijke incassokosten afwijzen nu niet is gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen.
Proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak en de uitkomst daarvan daartoe aanleiding geeft.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt werkgever tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 2.140,38 bruto ter zake van achterstallige betaling van de opgebouwde, maar niet opgenomen wettelijke verlofuren over 2021 vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt werkgever tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder 5.1. genoemde bedrag, met een maximum van 25%;
veroordeelt werkgever om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [verzoeker] af te geven betreffende het toegewezen brutobedrag, op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat werkgever in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 2.000,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
322