RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
Green Create Wijster B.V., uit Amsterdam, eiseres
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5094
(gemachtigde: ing. J.A.L. van Engelen),
en
(gemachtigde: H. Leijten).
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die aan eiseres is opgelegd. Die last gaat over naleving van voorschrift 1.8.7 van de omgevingsvergunning die op 11 oktober 2018 aan eiseres is verleend. Eiseres is het niet eens met die last. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last in redelijkheid aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft eiseres in het besluit van 10 juni 2024 gelast om de overtreding van voorschrift 1.8.7 van de omgevingsvergunning van 11 oktober 2018 per direct te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden, bij gebreke waarvan eiseres een dwangsom van € 1.000,- per overtreding verbeurt met een maximum van € 5.000,-.
3. Het college heeft in het bestreden besluit op bezwaar van 12 november 2024 het besluit van 10 juni 2024 ingetrokken en aan eiseres een gewijzigde last opgelegd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geopend op 13 februari 2026. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres is zonder voorafgaande kennisgeving niet ter zitting vertegenwoordigd.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen om zich alsnog op een zitting te laten vertegenwoordigen.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend. Het college heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, H. Marks als plantmanager van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Welke feiten en omstandigheden zijn van belang voor deze zaak?
4. Op 11 oktober 2018 heeft het college aan de rechtsvoorganger van eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen, oprichten, veranderen en in werking hebben van een mestvergistingsinstallatie nabij [locatie] (het perceel). Op enig moment heeft eiseres de exploitatie van die installatie overgenomen.
5. In de uitspraak van 30 juni 2020 heeft deze rechtbank de omgevingsvergunning van 11 oktober 2018 voor wat betreft voorschrift 1.8.7 vernietigd, dat voorschrift gewijzigd vastgesteld en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat vernietigde onderdeel van de omgevingsvergunning. De rechtbank heeft bepaald dat “Voorschrift 1.8.7 luidt: Diffuus vrijkomende geur bij de bedrijfsgebouwen, -terreinen en installaties moeten tot een minimum beperkt worden.”
6. Op 18 september 2023 heeft zich een calamiteit op het perceel voorgedaan, namelijk lekkage van digestaat.
7. In de periode van 18 september 2023 tot en met 22 september 2023 hebben toezichthouders van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe controles op het perceel uitgevoerd. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport.
8. Op 22 april 2024 heeft het college aan eiseres het voornemen uitgebracht om haar een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van voorschrift 1.8.7 van de omgevingsvergunning. Eiseres heeft hierover haar zienswijze gegeven.
9. Op 10 juni 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
10. Op 10 oktober 2024 heeft de Commissie rechtsbescherming van de provincie Drenthe het college geadviseerd om de last onder dwangsom over voorschrift 1.8.7. te herroepen en een nieuw besluit te nemen waarbij concrete en duidelijke herstelmaatregelen worden geformuleerd.
10. In het bestreden besluit heeft het college het commissieadvies overgenomen, de last onder dwangsom die ziet op voorschrift 1.8.7. gewijzigd en aan eiseres een nieuwe last opgelegd.
Is het handhavingsbesluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
12. Eiseres betoogt dat het college niet heeft voldaan aan de onderzoeksplicht die volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiseres heeft het college geen zorgvuldige vaststelling gedaan van mogelijke overtreding van voorschrift 1.8.7. uit de omgevingsvergunning. Een enkele visuele constatering van een openstaande deur acht eiseres onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een diffuse geuremissie. Het college heeft in dit geval nagelaten om objectieve meetmethoden toe te passen, zoals geurmetingen en een rookproef, aldus eiseres.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Voorafgaand aan het bestreden besluit is eiseres diverse malen aangesproken op geuremissies. In de stukken bij de omgevingsvergunningaanvraag staat het uitgangspunt dat sprake zal zijn van diffuse geuremissies. In de praktijk is geconstateerd dat er sprake is van geuremissie. Eiseres stelt ten onrechte dat diffuse geuremissie met een rookproef of een geuranalyse zou moeten worden aangetoond, aldus het college.
13. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het college heeft voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de vraag of in dit geval voorschrift 1.8.7. is overtreden. Aan de omgevingsvergunning ligt een geuronderzoek ten grondslag van Noorman van 4 december 2017. De rechtbank heeft dat geuronderzoek betrokken bij de wijziging van voorschrift 1.8.7. in de uitspraak van 30 juni 2020. In dat geuronderzoek is onder meer vastgesteld dat een deel van de totale geur afkomstig uit de invoerruimte van pluimveemest via diffuse emissie vrijkomt via deuropeningen van dat bedrijfsgebouw. Gelet op die vaststelling lag het in de rede dat het college visuele inspecties nabij de bedrijfsgebouwen van eiseres uitvoerde om te controleren of het voorschrift was overtreden. Daar komt bij dat uit de controlebevindingen volgt dat toezichthouders tijdens de controles zelf geuronderzoek hebben gedaan, ook naar mogelijke geur afkomstig van buurbedrijven. De stelling van eiseres dat een rookproef en/of geurmetingen noodzakelijk waren, doet geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van de toegepaste onderzoekmethoden. Is er in dit geval sprake van een overtreding?
13. Eiseres betoogt dat voorschrift 1.8.7. correct is nageleefd. Er is geen sprake van een overtreding. Het voorschrift biedt haar bedrijf de ruimte om zelf de meest effectieve maatregelen te treffen om aan de norm te voldoen. Volgens eiseres dateert een deel van de controlebevindingen uit de periode kort na het ongewone voorval in september 2023. Er was toen geen sprake van een situatie die gelijkstond aan de reguliere bedrijfsvoering. Eiseres meent dat bij de beoordeling van de naleving van het voorschrift ook betrokken moet worden dat het tijdelijk openen van een deur onderdeel kan zijn van maatregelen om een veilige en gezonde werkomgeving te waarborgen voor haar werknemers. Daar komt bij dat in dit geval sprake is van onderdruk binnen de bedrijfsgebouwen. Hierdoor wordt diffuse geurverspreiding naar buiten geminimaliseerd, ook wanneer deuren tijdelijk geopend zijn. Volgens eiseres heeft het college niet, althans onvoldoende, aangetoond dat er sprake is van diffuse geurverspreiding als gevolg van een openstaande deur. Daarnaast is haar bedrijf één van de drie bedrijven in de buurt is met geuremissies. Niet zeker is dat de geconstateerde geuremissie van haar bedrijf afkomstig is, aldus eiseres. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst eiseres naar het rapport van Tritium Advies B.V. van 24 juni 2025.
Het college stelt zich op het standpunt dat uit de controlebevindingen voldoende blijkt dat het voorschrift is overtreden. In september 2023 is meerdere dagen achter elkaar geconstateerd dat deuren openstonden. Niet bij alle deuren werden werkzaamheden uitgevoerd die in relatie stonden tot het ongewoon voorval op 18 september 2023. Bij een deel van de controles was de plantmanager van eiseres aanwezig. Volgens het college is in de buurt van de buitendeur van het bedrijfsgebouw van eiseres vastgesteld dat sprake was van geuremissie. Tijdens de hoorzitting is namens eiseres aangegeven dat het zelden voor de veiligheid noodzakelijk is dat de deuren open blijven staan. Daarnaast zijn ook in 2024 en 2025 constateringen door toezichthouders gedaan. Alle waarnemingen door de toezichthouders hebben minutenlang geduurd. Voor vijf constateringen in 2025 zijn dwangsommen verbeurd en inmiddels door eiseres betaald, aldus het college.
15. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval voorschrift 1.8.7. is overtreden. Uit het controlerapport volgt dat eiseres op 20 september 2023 door toezichthouders is gewezen op het goed gesloten houden van deuren en dat handhavend optreden tot de mogelijkheden behoort. Op 21 en 22 september 2023 is geconstateerd dat vaste stoffen met half open deuren werden gelost. Op 22 september 2023 is geconstateerd dat er een onmiskenbare geur te ruiken was, afkomstig uit een niet geheel gesloten deur. Die dag hebben de toezichthouders ook onderzocht of geur afkomstig was van een buurbedrijf. Geconstateerd is dat geur zowel van het bedrijf van eiseres als van het buurbedrijf afkomstig was. Vervolgens is op 7 mei 2024 geconstateerd dat een vrachtwagen aan het laden/lossen was zonder dat de overheaddeur gesloten was. Op beeldmateriaal is te zien dat er stof uit de vrachtwagen en de geopende overheaddeur naar de buitenlucht wordt uitgestoten. De stelling van eiseres over onderdruk in de bedrijfsgebouwen doet geen afbreuk aan deze constateringen. Gelet op de constateringen in september 2023 en mei 2024 heeft het college terecht geconcludeerd dat in dit geval diffuus vrijkomende geur bij de bedrijfsgebouwen, -terreinen en installaties niet tot een minimum is beperkt. Het college was daarom in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. De stelling van eiseres over de noodzaak van openstaande deuren voor een goede werkomgeving voor haar werknemers leidt niet tot een ander oordeel. Die gestelde noodzaak is niet met concrete en objectieve gegevens onderbouwd.Is de last onder dwangsom in strijd met het evenredigheidsbeginsel opgelegd?
15. Eiseres betoogt dat de last niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. De last is gebaseerd op momentopnames waarbij een deur geopend was. Volgens eiseres geeft de last geen ruimte voor alternatieve maatregelen die een gelijkwaardig of zelfs beter effect kunnen hebben op het minimaliseren van diffuse geurverspreiding. Het college had moeten motiveren waarom wordt afgeweken van minder belastende maatregelen en waarom het hanteren van onderdruk niet als een adequaat alternatief wordt beschouwd. Daarnaast acht eiseres het niet uitvoerbaar dat uitsluitend vervoermiddelen mogen worden toegelaten die inpandig kunnen lossen. Dit vereist aanpassingen in de logistieke keten en een overgangsperiode. De last houdt hiermee onvoldoende rekening en voldoet daardoor niet aan de vereisten van proportionaliteit en uitvoerbaarheid, aldus eiseres.
Het college stelt zich op het standpunt dat het zoveel mogelijk gesloten houden van deuren een weinig belastende maatregel is. Eiseres in eerste instantie meermaals aangesproken op mogelijke overtredingen. Pas in juni 2024 is de last opgelegd. Het college weet dat de bedrijfshallen op onderdruk staan. In de praktijk is echter gebleken dat er desondanks toch geur vrijkomt. Het college acht het een eenvoudig te beëindigen overtreding, die feitelijk zonder kosten ongedaan kan worden gemaakt. Er is daarom een niet al te hoge dwangsom aan de last gekoppeld. Volgens het college heeft er wel degelijk een belangenafweging plaatsgevonden. De vergunningvoorschriften zijn opgesteld om overlast bij omwonenden te voorkomen. Het belang van omwonenden om gevrijwaard te blijven van geuroverlast weegt zwaarder dan het financiële belang van eiseres om de bedrijfsvoering voort te zetten in strijd met de vergunningvoorschriften, aldus het college.
17. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Vaststaat dat Noorman in 2017 heeft gewezen op diffuse geuremissies door openstaande deuren. Die mogelijke emissies en geurbronnen waren daarmee bij eiseres bekend. Ook staat vast dat eiseres voorafgaand aan het besluit van 10 juni 2024 meerdere keren door toezichthouders is gewezen op (de bron van) de geuremissies en de mogelijkheden die eiseres heeft om die emissies zoveel mogelijk te beperken. Na die waarschuwingen zijn desondanks meerdere diffuse geuremissies bij het bedrijf van eiseres vastgesteld. Dit terwijl er al sprake was van onderdruk in haar bedrijfsgebouwen. Anders dan eiseres stelt, biedt de last haar voldoende ruimte om aan het voorschrift en daarmee aan de last te voldoen. Het college heeft rekening gehouden met de omstandigheden van eiseres door de last in het bestreden besluit te wijzigen en nog meer toe te spitsen op de bedrijfssituatie van eiseres. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij door deze handhavingsprocedure nog alerter is op diffuus vrijkomende geur en dat zij haar werknemers daar aanvullend over heeft geïnstrueerd. Ter zitting is namens eiseres toegelicht dat de verlaadhal inmiddels groter is gemaakt, waardoor voertuigen zoveel mogelijk binnen kunnen worden gelost. Gelet op die feiten en omstandigheden volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat de last in het bestreden besluit niet proportioneel en/of niet uitvoerbaar zou zijn. Het college heeft in dit geval het algemeen belang bij handhaving zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van eiseres bij het ongewijzigd voorzetten van de bedrijfsactiviteiten. De gevolgen van die afweging zijn niet onevenredig.Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.