ECLI:NL:RBNNE:2026:364

ECLI:NL:RBNNE:2026:364

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer LEE 23/3521 en LEE 23/4639
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

IB/PVV box 3-heffing 2020 en 2021. Eiser stelt dat er geen wettelijke grondslag of geen terugwerkende kracht geldt voor de heffing over zijn box 3. De rechtbank volgt hem niet in deze stelling en is verder van oordeel dat eiser niet aan zijn bewijslast, dat zijn werkelijk genoten rendement lager is dan het forfaitair rendement zoals vastgesteld op de verminderingsbeschikking, heeft voldaan. Eiser neemt bij het invullen van de formulieren OWR 2020 en 2021 voor beide jaren het onjuiste standpunt in dat er geen rekening dient te worden gehouden met het ongerealiseerde rendement. Ook is de rechtbank van oordeel dat het fiscaal partnerschap niet in strijd is met internationale verdragen of Europees recht.

Uitspraak

[eiser] , uit Noordscheschut, eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren /kantoor Arnhem, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de minister van Justitie en Veiligheid (de minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juli 2023 en 5 september 2023.

Zaaknummer 23/3521 (belastingjaar 2020)

De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.673 en een grondslag sparen en beleggen van € 1.573.630. Het aandeel grondslag sparen en beleggen dat aan eiser is toegekend is

€ 1.573.630.

De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gedeeltelijk toegewezen. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.673 en een grondslag sparen en beleggen van € 1.394.179. Het aandeel grondslag sparen en beleggen dat aan eiser is toegekend is € 1.161.588.

Zaaknummer 23/4639 (belastingjaar 2021)

De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 183.118 en een grondslag sparen en beleggen van € 2.254.421. Het aandeel grondslag sparen en beleggen dat aan eiser is toegekend is € 1.832.457.

De inspecteur heeft het bezwaar van eiser afgewezen. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

Alle zaaknummers

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [medewerker Belastingdienst] .

In samenspraak met partijen heeft de rechtbank besloten om het onderzoek ter zitting te schorsen in de zaken LEE 23/4639 en LEE 23/3521. Eiser heeft hierbij de gelegenheid gekregen om aanvullende stukken aan te leveren. Eiser heeft aanvullende stukken aangeleverd op 19 september 2025. De inspecteur heeft op 6 oktober 2025 gereageerd op de aanvullende stukken.

De rechtbank heeft op 10 oktober 2025 het onderzoek, met toestemming van beide partijen, zonder nadere zitting gesloten.

Feiten

Alle zaaknummers

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is samenwonend met [partner] (de partner). Gedurende het gehele jaar staan eiser en zijn partner op hetzelfde woonadres ingeschreven in de basisregistratie personen. Voor de betreffende belastingjaren zijn eiser en zijn partner als fiscaal partners aangemerkt. Ook voor het belastingjaar 2019 zijn eiser en zijn partner aangemerkt als fiscaal partner.

Zaaknummer 23/3521 (belastingjaar 2020)

Eiser heeft op 30 maart 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 op papier ingediend. In deze aangifte heeft eiser onder meer een aandeel grondslag sparen en beleggen van € 1.161.588 opgegeven.

De inspecteur heeft aan eiser op 9 december 2022 conform de ingediende aangifte een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een aandeel grondslag sparen en beleggen van

€ 1.573.630. Het forfaitair rendement bedraagt van 1,580 % en het voordeel uit sparen en beleggen € 24.863.

Bij brief van 13 december 2022 (ontvangen door de inspecteur op 15 december 2022) heeft eiser bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag. De inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2023 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar met inachtneming van het kerstarrest gegrond verklaard. Uit de door de inspecteur opgestelde verminderingsaanslag IB/PVV 2020 blijkt een aandeel grondslag sparen en beleggen van € 1.161.588. En het forfaitair rendement bedraagt 1,130% en het voordeel uit sparen en beleggen is berekend op € 13.125.

Op 19 september 2025 heeft de rechtbank van eiser een onderbouwing van zijn werkelijk rendement ontvangen door middel van een ingevuld formulier ‘Opgaaf werkelijk rendement 2020’ (formulier OWR 2020). Eiser heeft in dit formulier een totaal gezamenlijk werkelijk rendement over 2020 van € 14.873 opgegeven.

Zaaknummer 23/4639 (belastingjaar 2021)

Eiser heeft op 4 april 2022 zijn aangifte IB/PVV 2021 ingediend. In deze aangifte heeft eiser onder meer een aandeel grondslag sparen en beleggen van € 1.832.457 opgegeven.

De inspecteur heeft aan eiser conform de ingediende aangifte een aanslag

IB/PVV 2021 opgelegd naar een aandeel grondslag sparen en beleggen van € 1.832.457. Het forfaitair rendement bedraagt van 2,780 % en het voordeel uit sparen en beleggen € 50.942.

Bij brief van 11 mei 2023 (ontvangen door de inspecteur op 12 mei 2023) heeft eiser bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag. De inspecteur heeft op 5 september 2023 het bezwaar van eiser afgewezen. De aanslag IB/PVV 2021 en het voordeel uit sparen en beleggen is daarbij in stand gelaten.

In de beroepsfase heeft de inspecteur een verminderingsaanslag IB/PVV 2021 opgelegd, omdat bij het vaststellen van de aanslag ten onrechte slechts éénmaal het heffingvrij vermogen is meegenomen. De verminderingsaanslag is opgelegd naar een aandeel grondslag sparen en beleggen van € 1.782.457. Het gezamenlijk forfaitair rendement van eiser en zijn partner bedraagt € 59.892.

Op 19 september 2025 heeft de rechtbank van eiser een onderbouwing van zijn werkelijk rendement ontvangen door middel van een ingevuld formulier ‘Opgaaf werkelijk rendement 2021’ (formulier OWR 2021). Eiser heeft in dit formulier een totaal gezamenlijk werkelijk rendement over 2021 van € 36.285 opgegeven.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 op juiste gronden en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil hoe er rechtsherstel op grond van het van het zogenoemde kerstarrest van de Hoge Raad uit december 2021 moet worden verleend. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het fiscaal partnerschap bij eiser in strijd is met artikel 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het EVRM. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank is van oordeel dat er voor beide jaren sprake is van een wettelijke grondslag om het box 3 inkomen te belasten. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2021 heeft de inspecteur deze tot een te hoog bedrag vastgesteld omdat er ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingvrije vermogen van de partner. De in de beroepsfase vastgestelde verminderingsbeschikking is wel tot een juist bedrag vastgesteld. Dit levert voor eiser voor dit jaar een gegrond beroep op. De rechtbank is verder van oordeel dat het fiscaal partnerschap voor beide jaren niet in strijd is met artikel 1 EP van het EVRM of artikel 8 of 14 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog vastgesteld?

5. Primair stelt eiser voor beide jaren dat er geen wettelijke grondslag voor de heffing van box 3 bestaat. Eiser heeft na het lezen van het kerstarrest de overtuiging dat heel artikel 5.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) buiten beschouwing moet worden gelaten. Het werkelijk rendement dat volgt uit het kerstarrest is volgens hem slechts een toetsingsgrootheid en kan om die reden geen wettelijke grondslag voor de heffing in box 3 vormen. Daarnaast kan volgens eiser het voordeel uit sparen en beleggen ook niet worden vastgesteld op basis van de Wet rechtsherstel box 3, omdat er geen sprake kan zijn van terugwerkende kracht van die wet. Subsidiair meent eiser dat bij het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van het werkelijk rendement er geen rekening moet worden gehouden met ongerealiseerde vermogenswinsten. Eiser heeft in het formulier OWR 2020 en het formulier OWR 2021 (zie 2.4 en 2.9) een bedrag aan grondslag van respectievelijk € 36.285 en € 14.873 opgegeven.

6. De inspecteur stelt dat bij het vaststellen van de grondslag sparen en beleggen voor het jaar 2021 ten onrechte éénmaal het heffingvrije vermogen is meegenomen. De rendementsgrondslag dient € 1.782.457 te zijn, zoals is vastgesteld in de verminderingsbeschikking van 26 maart 2024 met een gezamenlijk forfaitair rendement van € 59.892. De inspecteur is daarbij van mening dat eiser, met zijn opgaaf OWR 2021, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk genoten rendement, rekening houdend met het kerstarrest en de uitspraken van de Hoge Raad van 6 en 14 juni 2024, lager is dan het forfaitair rendement, zoals vastgesteld in de verminderingsbeschikking. Volgens de inspecteur heeft eiser ten onrechte geen rekening gehouden met vermogenswinsten op de effectendepots en met het gerealiseerde en ongerealiseerde rendement van de overdracht van een zakelijke effectendepot naar privé. Dit geldt eveneens voor het jaar 2020.

Juridisch kader

7. Artikel 5.1 van de Wet IB 2001 bepaalt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen het voordeel uit sparen en beleggen is, verminderd met de persoonsgebonden aftrek. Artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001 bepaalde tot 2017 vervolgens dat het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen.

8. De Hoge Raad heeft met het kerstarrest voor de jaren 2017 en 2018 geoordeeld dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM in combinatie met artikel 14 van het EVRM, indien een belastingplichtige door het box 3-stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Daarbij is geoordeeld dat een adequate rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad heeft aanleiding gezien de belanghebbende in die procedure rechtsherstel te bieden door te bepalen dat alleen het werkelijk behaalde rendement in de heffing wordt betrokken.

9. In het kerstarrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot het forfaitair rendement – voor zover hier van belang – onder andere het volgende overwogen:

“3.5 Het voorgaande overziend oordeelt de Hoge Raad dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan.

(…)

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. Voor degene die, zoals belanghebbende in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.”

10. De wetgever heeft de wijze waarop rekening wordt gehouden met het kerstarrest in de vorm van verminderingen van aanslagen neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3. Deze wet is met ingang van 28 december 2022 in werking getreden en werkt terug tot

1 januari 2017. Over de terugwerkende kracht uit artikel 7 van de

Wet rechtsherstel box 3 is in de parlementaire behandeling het volgende opgenomen:

Er is voor gekozen aan deze wet terugwerkende kracht te verlenen, omdat met ingang van 1 juli 2022 door de Belastingdienst uitvoering wordt gegeven aan het rechtsherstel. Dit is gedaan om de uiterste wettelijke datum van 4 augustus 2022 voor rechtsherstel voor de belastingplichtige van wie het bezwaar is aangewezen als massaal bezwaar over de jaren 2017 tot en met 2020 te behalen. Hierbij is in overweging genomen dat deze wet alleen begunstigend (onderstreping rechtbank) kan uitwerken voor belastingplichtigen.”

11. De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 (de arresten van 6 juni 2024) geoordeeld dat ook de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 tot een schending van door artikel 1 EP bij het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM gewaarborgde rechten leidt indien en voor zover de belastingplichtige daardoor wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Volgens de Hoge Raad is het daarbij niet van belang hoe groot het verschil is tussen het forfaitair bepaalde rendement en het werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft in de arresten van

6 juni 2024 regels geformuleerd met betrekking tot de vaststelling van het werkelijke rendement:

Het begrip werkelijk rendement

Met het oog op de op dit terrein wenselijke rechtseenheid en rechtszekerheid, ziet de Hoge Raad aanleiding om regels te formuleren met betrekking tot de vaststelling van het hiervoor in 5.3.7 bedoelde werkelijke rendement. Daarbij is het uitgangspunt dat bij de afbakening van dit begrip zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. 5.4.2 Bij de hiervoor in 5.3.7 bedoelde vergelijking tussen het werkelijke en het forfaitair bepaalde rendement, dient het rendement op het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 in de beschouwingen te worden betrokken (dus met inbegrip van de banktegoeden) en niet alleen het rendement op bepaalde vermogensbestanddelen of categorieën vermogensbestanddelen.

(…)

Het werkelijke rendement omvat niet alleen de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3 , zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Dit vloeit voort uit het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Daartoe behoort namelijk mede het rendement dat kan worden behaald door waardevermeerdering van bezittingen (beleggingsobjecten), ook indien dat voordeel pas later wordt gerealiseerd door verkoop van de desbetreffende bezitting (beleggingsobject). Dit blijkt ook uit het feit dat het percentage van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 is gebaseerd op marktgegevens over ontwikkelingen in de waarde van dergelijke bezittingen. Bij zulke marktgegevens speelt geen rol of een individuele belegger die waardeveranderingen ook heeft gerealiseerd. Opmerking verdient dat de Hoge Raad, door in het arrest van 24 december 2021 ook te spreken van het werkelijk “behaalde” rendement, in dit opzicht geen beperking heeft beoogd.

12. Bij de vaststelling van het werkelijke rendement dient het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. In de arresten van 6 juni 2024 omschrijft de Hoge Raad het gehele vermogen als volgt:

Aangezien het voordeel uit sparen en beleggen op grond van artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001 in beide stelsels – forfaitair – wordt berekend op basis van het gehele vermogen in box 3,

(Vgl. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, rechtsoverweging 2.5.2, en HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2517, rechtsoverweging 3.6.2.) zal het daarmee te vergelijken werkelijke rendement ook betrekking moeten hebben op het gehele vermogen in box 3.”

13. Uit de overweging van de Hoge Raad volgt dat het gehele vermogen in box 3 wordt berekend naar analogie van het bepaalde in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001. In het tweede lid van artikel 5.2 van de Wet IB 2001 wordt omschreven dat indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.

14. De Hoge Raad heeft in de arresten van 6 juni 2024 ook regels geformuleerd met betrekking tot de verdeling van de bewijslast:

De belastingplichtige die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, dient feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt wat de omvang is van dat werkelijke rendement, waarbij het gelet op rechtsoverweging 5.4.2 gaat om het werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3.

Beoordeling

15. Op grond van de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad dient de belasting over het werkelijke rendement te worden geheven als dat lager is dan het forfaitair rendement, waarbij moet worden uitgegaan van de gehele vermogenspositie van eiser en zijn fiscale partner (zie 13. en 14.). De bewijslast hiervoor ligt bij eiser.

16. Uit de onder 8. genoemde rechtspraak volgt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de jaren 2017 en 2018 de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP bij het EVRM in combinatie met artikel 14 van het EVRM, indien een belastingplichtige door het box 3-stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement (zie 7., 8. en 9.) Daarmee is niet – zoals eiser lijkt te stellen – de gehele box 3-heffing van

artikel 5.1 van de Wet IB 2001 buiten toepassing verklaard. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn primaire stelling dat de gehele box 3-heffing op grond van deze rechtspraak voor de jaren 2020 en 2021 achterwege dient te blijven.

17. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat er geen wettelijke grondslag of geen terugwerkende kracht geldt voor de heffing over zijn box 3. Zoals uiteengezet in de rechtsoverwegingen hiervoor heeft de Hoge Raad in zijn arresten niet geoordeeld dat de

artikelen 5.1 en artikel 5.2 van de Wet IB 2001 geheel buiten toepassing moeten worden verklaard. Zij heeft enkel geoordeeld dat sprake kan zijn van een schending en dat als sprake is van een schending de rechter daarin rechtsbescherming moet bieden. Vervolgens heeft de Hoge Raad in het kerstarrest overwogen dat het aan de wetgever is om daartoe een geschikte rechtsregel te formuleren. De wetgever heeft in navolging hiervan een reparatiewet ingevoerd, namelijk de Wet rechtsherstel box 3. Deze wet is met ingang van 28 december 2022 (de dag na publicatie in het Staatsblad) in werking getreden en werkt terug tot 1 januari 2017 (zie 10.). De stelling van eiser dat aan (fiscale) wetgeving geen terugwerkende kracht kan toekomen omdat dit in strijd is met artikel 104 van de Grondwet volgt de rechtbank niet. Dat wetten moeten zijn bekendgemaakt, voordat zij in werking kunnen treden, houdt geen verbod van terugwerkende kracht in. De grondwet verbiedt alleen het toekennen van terugwerkende kracht voor strafbepalingen. Daar is in dit geval geen sprake van. De wetgever kan dus aan zijn fiscale voorschriften terugwerkende kracht geven.

18. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aan zijn bewijslast, dat zijn werkelijk genoten rendement lager is dan het forfaitair rendement zoals vastgesteld op de verminderingsbeschikking, heeft voldaan. Bij het invullen van de formulieren OWR 2020 en 2021 neemt eiser voor beide jaren het standpunt in dat er geen rekening dient te worden gehouden met het ongerealiseerde rendement. Dit is een onjuiste opvatting (zie 11.). Eiser heeft met de formulieren OWR 2020 en 2021 niet aannemelijk gemaakt dat het gezamenlijk forfaitair werkelijke rendement lager is dan die op de aanslag (2020) of verminderingsbeschikking (2021) is vastgesteld. Ook heeft eiser geen ander bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat zijn werkelijk rendement voor beide jaren lager is.

19. Omdat voor het jaar 2021 tijdens de beroepsfase de aanslag is verlaagd (zie 2.8), is het beroep voor dit jaar gegrond. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitair rendement heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op de verminderingsaanslag niet te hoog vastgesteld.

Rechtsgelijkheid

20. Op de zitting heeft eiser een beroep gedaan op een uitspraak waarbij op grond van het kerstarrest de box 3-heffing van die belastingplichtige naar nihil werd teruggebracht, hij ook recht heeft op diezelfde behandeling. Eiser kon desgevraagd het ECLI-nummer of andere gegevens van deze uitspraak niet aanleveren. Hij had in de trein op weg naar de rechtbank de betreffende uitspraak gelezen.

21. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank leest in dit verzoek van eiser een beroep op rechtsgelijkheid. Het is voor de rechtbank onduidelijk gebleven op welke rechtspraak eiser heeft willen wijzen. Het is de rechtbank bekend dat in bepaalde situaties het inkomen uit sparen en beleggen naar nihil wordt gebracht, omdat is gebleken dat het werkelijk rendement ook daadwerkelijk nihil bedroeg. Voor zover eiser aan de hand van deze uitspraken een gelijke behandeling wenst, wijst de rechtbank dat af. Uit de opgaven OWR 2020 en 2021 is gebleken dat het werkelijk rendement voor eiser hoger ligt dat het forfaitair berekende rendement. Daarmee is de situatie van eiser een andere dan de situaties waarnaar eiser lijkt te verwijzen.

Is het fiscaal partnerschap in strijd met het EVRM?

22. Eiser is verder van mening dat hij nadeel ondervindt in zijn box 3-heffing door het verplicht stellen van het fiscaal partnerschap. Eiser stelt dat hierom het fiscaal partnerschap als stelsel strijdig is met artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht), artikel 8 van het EVRM (recht op bescherming van het privéleven, het familie- en gezinsleven) en artikel 14 van het EVRM (gelijkheidsbeginsel). Eiser is van mening dat zijn inkomen uit box 3 dusdanig verlaagd dient te worden, zodat hij geen nadeel meer ondervindt.

23. De inspecteur voert aan dat eiser geen nadeel ondervindt van de box 3-heffing door het fiscaal partnerschap, omdat eiser in zijn aangifte de vermogensbestanddelen op eigen gekozen wijze kan toerekenen aan zichzelf en zijn partner. Er is volgens de inspecteur dan ook geen sprake van strijdigheid met artikel 8 van het EVRM of artikel 1 EP bij het EVRM.

24. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 5a Algemene Wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 1.2 eerste lid, onderdeel f van de Wet IB 2001 eiser en zijn partner terecht verplicht als elkaars fiscaal partner zijn aangemerkt.

25. Op 29 januari 2026 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan in een andere zaak van eiser over het belastingjaar 2018. Eiser heeft in die zaak onder andere dezelfde grief – over het in strijd zijn van het fiscaal partnerschap met internationale verdragen of Europees recht– aangevoerd. De rechtbank komt in haar eerdere uitspraak tot het oordeel dat het fiscaal partnerschap niet in strijd is met internationale verdragen of Europees recht en heeft – onder andere – het volgende overwogen:

14. Met voornoemde parlementaire behandelingen (zie 10. en 11.) laat de wetgever

verder zien dat gekozen is voor individualisering van de inkomstenbelasting, waarmee is

beoogd de emancipatie en de economische zelfstandigheid van burgers te bevorderen. Voor

zover eiser met zijn stelling betoogt dat hem de vrijheid moet worden gelaten om hun

(gezins)leven naar eigen inzicht in te richten, zonder te worden geconfronteerd met aan hun

keuzes verbonden fiscale gevolgen, miskent eiser dat de rechter niet kan treden in een

beoordeling van de uitgangspunten die de wetgever binnen een dergelijk maatschappelijk

en/of politiek debat kiest. De innerlijke waarde van de wet staat de rechter immers niet ter

beoordeling.

15. Verder is er geen sprake van strijd met internationale verdragen of Europees recht.

De rechtbank oordeelt dat de rechter, gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever

op fiscaal gebied toekomt, niet kan treden in de door de wetgever gebezigde gronden bij de

door hem gemaakte keuzes. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bewust niet over

is gegaan tot individualisering van alle inkomensbestanddelen bij fiscaal partnerschap.

Volledige individualisering zou volgens de wetgever kunnen leiden tot complexe

toerekeningsproblemen bij partners. Voor de nog niet (volledig) geïndividualiseerde

inkomensbestanddelen, de gemeenschappelijk inkomensbestanddelen, heeft de wetgever aan

belastingplichtigen de keuze gelaten bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en

aftrekposten voor welk deel worden aangegeven. Aangezien dit uitgangspunt niet van

redelijke grond ontbloot is, dient het door de rechter te worden gerespecteerd.

26. De rechtbank komt in deze beroepen tot een gelijk oordeel. Voor het volledige juridische kader en de uitgebreide overwegingen verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 29 januari 2026.

Immateriële schadevergoeding

27. Eiser heeft op 30 oktober 2024 verzocht om immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn hiervoor begint op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op de dag van de uitspraak van het beroep. De ISV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding.

28. De rechtbank is van oordeel dat voor de berekening van de ISV er samenhang bestaat tussen de zaken, omdat er sprake is gelijke rechtsvragen. Bij het bepalen van de mate van overschrijding van de redelijke termijn moet daarom worden gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een rechtsmiddel is aangewend door eiser. Het eerste bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 15 december 2022 en de rechtbank heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift zijn dus drie jaar en afgerond twee maanden verstreken. Dit betekent dat de termijn van twee jaar is overschreden met 14 maanden bij het doen van deze uitspraak. In de bezwaarfase is de redelijke termijn met afgerond 1 maand overschreden. De resterende 13 maanden termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de rechtbank. Uit praktische overwegingen rekent de rechtbank de totale overschrijding toe aan de beroepsfase.

29. De rechtbank overweegt verder als volgt. Het verzoek van eiser valt onder de werking van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024. Hierdoor geldt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van ISV als het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. De redelijke termijn is overschreden met 14 maanden en het financiële belang is groter dan € 1.000. Eiser heeft daarmee recht op een ISV van € 1.500. De rechtbank zal per zaak de helft van de som van genoemde ISV (€ 750 per zaak) toekennen.

30. Omdat de toekenning van de ISV minder dan € 5.000 beloopt, hoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld om hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Conclusie en gevolgen

31. Het beroep met zaaknummer LEE 23/3521 is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Eiser krijgt wel een ISV van € 750 toegekend.

32. Het beroep met zaaknummer LEE 23/4639 is gegrond. Omdat de inspecteur inmiddels een verminderingsaanslag heeft opgelegd blijft deze in stand. Eiser krijgt het griffierecht terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die aanmerking komen voor vergoeding. Ook krijgt eiser een ISV van € 750.

Beslissing

Zaaknummer LEE 23/3521

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 750;

Zaaknummer 23/4639

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag;- bepaalt dat verminderingsaanslag in stand blijft; - veroordeelt de minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 750;- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Schultinga, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.M. Praamstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021110
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?