RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-265378-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-304052-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 25 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2024 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aangever heeft verklaard dat hij door verdachte op zijn neus is geslagen en met een mes in zijn bovenlichaam, vlak boven zijn borst, is gestoken. Aangever heeft verder verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] hem met een kettingslot tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen. De politie heeft fotos gemaakt van dit letsel en er is een letselverklaring opgesteld. De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte bij aangever is langsgegaan en dat zij, samen met aangever, in de auto zijn weggegaan. Gelet op het voorgaande kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Verdachte en medeverdachte ontkennen stellig geweld te hebben gebruikt tegen aangever. Hoewel aangever heeft verklaard dat dit wel het geval is geweest, vindt zijn verklaring onvoldoende steun in de overige stukken die zich in het dossier bevinden. Bovendien heeft aangever wisselende verklaringen afgelegd tegenover de politie ten aanzien van de handelingen die verdachte zou hebben verricht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De vraag is of de aangifte en de aanvullende (belastende) verklaringen van aangever steun vinden in andere bewijsmiddelen. Weliswaar bevat het procesdossier fotos van aangever met letsel en een forensisch geneeskundig letselverslag, maar wat ontbreekt is bewijs ter ondersteuning van de beschuldigingen jegens verdachte en de medeverdachte, bijvoorbeeld in de vorm van een getuigenverklaring, sporen die verdachte en/of de medeverdachte aanwijzen als dader of bewijs leveren voor hun aanwezigheid op 13 juni 2024 op de vermeende plaats delict. Nog los van de door de verdediging opgeworpen vraag over de betrouwbaarheid van aangevers verklaringen, kan de rechtbank het bewijs van het daderschap van verdachte niet uitsluitend aannemen op aangevers verklaringen. Bij gebrek aan wettig bewijs zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.003,47 ter vergoeding van materiële schade en 4.025,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk geworden vonnis van 9 maart 2023 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft, bij vordering van 10 juli 2026, gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd.
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] zijn eigen proceskosten draagt.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18-304052-22
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 maart 2023.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.
Mr. A. van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.