ECLI:NL:RBNNE:2026:3642

ECLI:NL:RBNNE:2026:3642

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 18-311778-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor poging doodslag (art. 287 en 45 Sr) en dragen van een wapen (art. 27 WWM). Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet. Gevangenisstraf van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Schadevergoeding toegekend aan benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18-311778-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 25 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, (na die [slachtoffer] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in (de richting van) de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond en/of klaplong en/of bloeding van de borstkas en/of zenuwbeschadiging(en) en/of (een) ontsierend(e) litteken(s), heeft toegebracht, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (na die [slachtoffer] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen naar en/of in (de

richting van) de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] gemaakt; 2.

hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee (uitklapbare) zakmessen en/of een machete, zijnde voorwerpen waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder deze werden aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze bestemd waren om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de aangifte, de beschrijving van de beelden die door getuige [getuige 1] zijn gemaakt, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , het DNA-onderzoek en het letsel dat aangever heeft opgelopen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft daarbij doelgericht en vastberaden gehandeld, zodat geconcludeerd kan worden dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van medeplegen, nu niet bewezen kan

worden dat de medeverdachte opzet had op het steken.

De officier van justitie heeft tot slot naar voren gebracht dat in de auto van verdachten twee messen en een machete zijn gevonden. Bewezen kan worden dat verdachte één van de messen en de machete heeft gedragen, nu de wapens in de auto lagen, verdachte aangever met één van de messen heeft gestoken en de medeverdachte de auto van aangever met de machete heeft beschadigd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wist dat er nog een mes in de auto lag. Daarnaast kan ook niet bewezen worden dat er sprake is van medeplegen, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat hij een telefoon in zijn hand had toen hij op aangever af liep. Verdachte ontkent dat hij een mes in zijn hand had waarmee hij aangever zou hebben gestoken. Indien de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte degene is geweest die aangever heeft gestoken, dient verdachte vrijgesproken te worden van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag aangezien er geen aanmerkelijke kans bestond op de dood van aangever. Uit het dossier volgt dat de steekwond bij aangever is toegebracht met een klein mes dat niet groter kan zijn geweest dan 10 centimeter. Gebleken is dat er niet tussen of door de ribben is gestoken en gelet op de lengte van het mes kon ook niet verder worden gestoken dan de ribben. Daarnaast kan niet worden geconcludeerd dat in de buurt van het hart is gestoken of dat de long van aangever is geraakt. Uit de rapportage van het LOEF volgt dat de kans op overlijden nadat er scherprandig letsel is toegebracht 17 tot 19 procent bedraagt. Dit is geen aanmerkelijke kans. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat, indien de rechtbank bewezen acht dat verdachte aangever heeft gestoken, bewezen kan worden dat verdachte één mes heeft gedragen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 11 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 17 november 2025 was ik in Leeuwarden. Ik ben bij mijn broer (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) in de auto, een Volkswagen Passat, gestapt. [medeverdachte] had een conflict met iemand in een Volkswagen Scirocco. Wij zijn achter hen aangereden. Nadat onze auto voor hun auto stilstond, ben ik uitgestapt en naar de auto gerend.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025312755 d.d. 20 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Ik reed in mijn auto. [medeverdachte] kwam achter mij aanrijden. Toen hij voor mij reed zag ik dat hij zijn voertuig stil zette. Ik zag dat de bijrijder die naast [medeverdachte] zat uit de auto sprong en rennend naar mij toe kwam. Deze man die op mij af kwam rennen is volgens mij de broer van [medeverdachte] .

Toen hij vlak bij de auto was wilde ik ook snel uit mijn auto. Toen ik buiten mijn auto stond, stond de broer van [medeverdachte] voor mij. Ineens voelde ik een harde klap in mijn linker zij. Ik greep met mijn handen richting de plek in mijn zij. Ik voelde dat mijn handen nat werden. Ik zag aan mijn handen dat die helemaal rood van het bloed waren. Ik voelde ineens ook een intense pijn in mijn linkerzij.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 november 2025, opgenomen op pagina 111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik zag dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer] ) uit de Scirocco stapte. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) uit de Passat stapten. Ik zag dat [verdachte] met een mes op [slachtoffer] af kwam lopen. Ik zag dat [slachtoffer] in zijn zij werd gestoken.

4. Een Forensisch medische letselrapportage met benoeming opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier, op 13 februari 2026 opgemaakt en ondertekend door dr. [arts] , forensisch arts en longarts, voor zover inhoudend, als zijn/haar geneeskundige verklaring:

Betrokkene: [slachtoffer]

- Beschrijf de ernst van de verschillende letsels.

Het betreft een tenminste 6 cm grote scherprandige doorklieving van de huid, spierlagen en

bindweefselvlies (fascie) in de linkerflank op tepelhoogte. T.g.v. deze diepe doorklieving is een klaplong ontstaan en een bloeding van de borstkas (hemopneumothorax).

- Hoe gevaarlijk is/wat is de gevaarzetting van het letsel dat had kunnen optreden?

Het hart bevindt zich in de nabijheid van deze doorklieving. Penetrerend scherprandig letsel van het hart heeft een kans op overlijden van ongeveer 80%.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigen d.d. 24 december 2025, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op dinsdag 18 november 2025 rond 08:30 uur kreeg ik informatie omtrent een steekincident dat op 17 november 2025 in de avond had plaatsgevonden. Ik zag een witkleurige Volkswagen Passat. In de kofferbak van de auto zag ik drie goederen die mogelijk betrokkenheid hadden bij het steekincident. De volgende sporendrager werd in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld: SIN: AAFZ0575NL; Object: Steekwapen (Mes); Bijzonderheden: Klapmes.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek stukken van overtuiging

d.d. 18 november 2025, opgenomen op pagina 155 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op dinsdag 18 november 2025 om 16:40 uur werd door mij een forensisch onderzoek verricht aan onderstaande sporendrager: SIN AAFZ0575NL, Klapmes. Ik zag dat dit betrof: Survival zakmes met een uitklapbaar lemmet. Ingeklapt is het mes 11 centimeter.

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.12.09.058 (aanvraag 002) d.d. 3 februari 2026, opgemaakt door ing. J.H.C. Gits, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 161 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Forensische Opsporing Politie Eenheid Noord-Nederland heeft de onderzoeksvraag gesteld voor klapmes AAFZ0575NL. Op basis van de onderzoeksvraag is klapmes AAFZ0575NL onderzocht en bemonsterd. Twee sporen op de rechterzijde van het lemmet en één bloedspoor op de linkerzijde van het lemmet zijn bemonsterd. De bemonsteringen zijn als AAFZ0575NL#01 tot en met #03 veiliggesteld voor onderzoek.

Het heft van het mes is bemonsterd. De bemonstering is als AAFZ0575NL#04 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Bij het onderzoek betrokken personen: slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte]

Resultaten, interpretatie en conclusie Klapmes AAFZ0575NL

- AAFZ0575NL#3, een bloedspoor op de linkerzijde van het lemmet

Op basis van het testresultaat, de visuele kenmerken van het spoor en het resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering bloed bevat dat afkomstig kan zijn van slachtoffer [slachtoffer] . Bewijskracht: meer dan 1 miljard.

- AAFZ0575NL#4, het heft

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal vier personen:

Bewijsoverwegingen feit 1 primair Opzet op doodslag

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever heeft gestoken. De vraag die beantwoord dient te worden is of verdachte opzet had op de dood van aangever dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en of hij dat samen met iemand anders heeft gedaan (medeplegen).

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. De rechtbank dient daarom te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood, is sprake als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die de handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank betrekt in haar oordeel het volgende. Vaststaat dat verdachte heeft gestoken in de linkerkant van de borstkas van aangever, met als gevolg het in de bewijsmiddelen beschreven letsel. Het hart bevond zich in de nabijheid van de doorklieving. Indien het hart was geraakt, had dit zeer waarschijnlijk tot de dood van aangever geleid. De gedraging van verdachte kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, zodat er dus sprake is van voorwaardelijk opzet. De poging doodslag kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Van een nauwe en bewuste samenwerking is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met de medeverdachte (zijn broer) uit de auto is gestapt en naar (de auto van) aangever is gerend, maar kan niet vaststellen dat zijn broer wist of kon weten dat verdachte een mes bij zich had en ging steken. Verdachte zal dus worden vrijgesproken van het medeplegen.

Feit 2

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte een mes bij zich droeg en dat hij aangever daarmee heeft gestoken. Door het gebruik van het mes voldoet dat reeds aan de wettelijke categorie IV, onder 7, te weten de bestemming om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen. Van enige wetenschap met betrekking tot de andere aangetroffen wapens (een

mes en een machete) is de rechtbank niets gebleken en zij zal hem daarvan dan ook vrijspreken. Ook ten aanzien van dit feit is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking zodat verdachte ook zal worden vrijgesproken van het medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 17 november 2025 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, met een mes in de borstkas van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij op 17 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een uitklapbaar zakmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder dit werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dit bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op 3 jaren wordt gesteld en dat de door de jeugdreclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte worden opgelegd. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Verdachte woont nog thuis, hij heeft beperkte cognitieve vermogens en tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte het traject ITB Harde Kern gevolgd. Het is passend om een werkstraf, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten, in combinatie met een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, en de rapportages van de reclassering en de psycholoog, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het dragen van een mes. Na een ruzie tussen de broer van verdachte en het slachtoffer, heeft de broer van verdachte het slachtoffer in zijn auto op gevaarlijke wijze achtervolgd door het centrum van Leeuwarden. Verdachte was op dat moment de bijrijder. De broer van verdachte heeft de auto waarin het slachtoffer reed spookrijdend ingehaald, afgesneden en tot stilstand gedwongen. Verdachte is hierop direct uit de auto gesprongen met een mes in zijn hand en op de auto van het slachtoffer afgerend. Nadat achteruit rijden niet lukte, is ook het slachtoffer uitgestapt. Hierop heeft verdachte het slachtoffer eenmaal met een mes in zijn bovenlichaam gestoken. Het steken met het mes moet voor het slachtoffer een beangstigende ervaring zijn geweest.

Bovendien had het handelen van verdachte veel ernstigere gevolgen kunnen hebben. Dat het niet tot dodelijk letsel heeft geleid, is geenszins aan het handelen van verdachte te danken.

Dit is een zeer ernstig feit en door op deze wijze te handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. De grote gevolgen die het handelen van verdachte op het slachtoffer heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt onder andere uit de namens het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring ter zitting. Dergelijke feiten zorgen ook voor maatschappelijke onrust. De personen die op dat moment daar aanwezig waren zijn ongewild geconfronteerd met het gewelddadige handelen van verdachte. Ter zitting heeft verdachte er bovendien geen blijk van gegeven de ernst van zijn gedragingen in te zien.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte voorafgaand aan het feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Wel is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van

toepassing.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van zowel het psychologisch rapport van 26 februari 2026 als het reclasseringsrapport van 24 juli 2026. Uit het psychologisch rapport volgt dat verdachte ertoe neigt gebeurtenissen te bagatelliseren, eerdere betrokkenheid bij delictgedrag te ontkennen en oorzaken of verantwoordelijkheid buiten zichzelf te plaatsen. Deze externaliserende houding belemmert reflectie op het eigen aandeel en vermindert de leerbaarheid uit eerdere ervaringen. Zorgelijk is het relatief beperkte empathisch vermogen. Verdachte lijkt voornamelijk gericht op de gevolgen voor zichzelf, zoals detentie en financiële consequenties, en toont beperkt inlevingsvermogen in de impact van zijn handelen op anderen. Daarnaast lijkt hij gevoelig voor de uitstraling en status van oudere jongens, tegen wie hij in zekere mate opkijkt, hetgeen kan worden beschouwd als een potentiële valkuil in zijn sociaal functioneren. Verdachte ervaart steun vanuit zijn directe omgeving. Hij laat zien dat hij zich aan afspraken en voorwaarden kan houden. Hij heeft dagbesteding in de vorm van werk. Hij geeft aan zich, binnen een gedwongen kader, aan de gestelde voorwaarden te willen houden. Aandachtspunten zijn het langdurig volhouden van deze afspraken en het consequent nemen van verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag. Positief is dat verdachte een uitgesproken motivatie toont om arbeid te verrichten en toe te werken naar een meer zelfstandig bestaan. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Ook de reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Hoewel verdachte eerder was geschorst binnen het kader van het jeugdstrafrecht en verdachte ook baat had bij de intensieve begeleiding van de jeugdreclassering, lijkt verdachte inmiddels niet meer gebaat bij interventies vanuit het jeugdstrafrecht. Verdachte is meerderjarig en hoewel hij cognitief beneden gemiddeld functioneert, ziet de reclassering niet een tekort aan handelingsvaardigheden. Hij is goed in staat zijn leven vorm te geven op een maatschappelijk geaccepteerde manier. Hij bouwt aan een eigen toekomst, heeft werk, zelfs een eigen bedrijf en organiseert zijn leven op een geordende manier passend bij zijn leeftijd. Ter zitting heeft een medewerker van de reclassering dit advies bevestigd. De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, niet worden volstaan met een andere modaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank zal gelet op de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij reeds het traject ITB Harde Kern heeft doorlopen een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat de voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Verdachte heeft zich laten betrekken in een geweldsconflict door een familielid waardoor blijkens het psychologisch rapport het recidiverisico op geweld zorgelijk wordt geacht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.431,42 ter vergoeding van materiële schade. Dit bedrag bestaat uit een aantal posten, te weten: schade aan de auto, expertisekosten, wegsleepkosten, kleding, een daggeldvergoeding en zorgkosten ten aanzien van het eigen risico. Daarnaast werd aanvankelijk een bedrag van 65.000,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Ter zitting is de vordering ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met 8.000,- aangezien er een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de benadeelde partij is vastgesteld. De gevorderde bedragen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden.

Ter terechtzitting heeft mr. Aytemur de vordering, namens de benadeelde partij, toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade gedeeltelijk toegewezen kan worden. Het gaat dan om de posten daggeldvergoeding ( 646,-), het eigen risico ( 385,-) en de kosten voor de kleding. Ten aanzien van de kleding heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegheid en een bedrag van 200,- toe te wijzen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aansluiting moet worden gezocht bij hoofdstuk 4 categorie C van de Rotterdamse Schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van 21.000,-tot 37.000,-. Daarnaast kan het gevorderde bedrag van 8.000,- worden toegewezen. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient opgelegd te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten ten aanzien van de schade aan de auto niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu verdachte de auto van aangever niet heeft vernield. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde daggeldvergoeding en het eigen risico. Het gevorderde bedrag ten aanzien van de kleding dient gematigd te worden. Dat geldt ook voor de gevorderde immateriële schade. De raadsman verzoekt de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aansluiting te zoeken bij hoofdstuk 4 categorie B van de Rotterdamse Schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van 8.500,- tot 12.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de kosten ten aanzien van de schade aan de auto, de expertisekosten en de wegsleepkosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade die door het bewezen verklaarde zijn ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

De rechtbank zal de gevorderde daggeldvergoeding en de zorgkosten ten aanzien van het eigen risico toewijzen, nu de rechtbank van oordeel is dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

De verdachte heeft dit deel van de vordering, en de hoogte daarvan, ook niet betwist.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er schade is ontstaan aan de kleding van de benadeelde partij en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal voor het bepalen van de hoogte van de materiële schade aan de kleding gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid, nu onvoldoende is onderbouwd wat het precieze schadebedrag is. De rechtbank schat dit bedrag op 200,-. De rechtbank zal het overige deel van de vordering ten aanzien van de kleding afwijzen, omdat de rechtbank de hoogte van de geleden schade heeft geschat.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op basis van het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat de benadeelde partij een wond van ongeveer 6 tot 10 centimeter heeft opgelopen in de linkerzijkant van zijn borst. Deze verwonding heeft zowel de spieren als het spiervlies doorklieft. Daarnaast was er sprake van een klaplong en zat er bloed in de borstholte. Er zijn drains geplaatst om het bloed uit de borstkas af te voeren en de benadeelde partij heeft enkele dagen in het ziekenhuis gelegen. De benadeelde partij is later opnieuw opgenomen in het ziekenhuis en behandeld voor een ontstoken borstholte. Daarnaast blijkt ook uit de aanvullende stukken die door de raadsvrouw van de benadeelde partij zijn overgelegd, dat de benadeelde partij PTSS heeft opgelopen als gevolg van het steekincident.

De rechtbank heeft voor het bepalen van de hoogte van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van de benadeelde partij onder categorie 4.1 onder C, middelzwaar borstletsel, valt. Volgens de Rotterdamse Schaal kan bij deze categorie oplegging van een schadevergoeding tussen de 21.000,- tot 37.000,- billijk zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het billijk is om een bedrag van 32.000,- toe te wijzen. De rechtbank zal daarnaast het gevorderde bedrag van 8.000,- aan immateriële schade toewijzen nu dit deel van de vordering, en de hoogte daarvan, niet door verdachte is betwist en de vordering de rechtbank niet onredelijk voorkomt. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de bedragen die in de Rotterdamse Schaal zijn opgenomen onder categorie 14.2 onder C (PTSS, middelzwaar). De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Wettelijke rente en kosten

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen kleding terug te geven aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen kleding aan verdachte dient te worden teruggegeven, omdat het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 primair)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt de veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen:

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de materiële schadeposten schade auto, expertisekosten en wegsleepkosten niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van de materiële schadepost kleding voor het overige af.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 41.231,- (zegge: eenenveertigduizend tweehonderd eenendertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.231,- aan materiële schade en 40.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 195 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als de veroordeelde voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Gelast de teruggave aan de veroordeelde van de inbeslaggenomen:

- Joggingbroek, goednummer PL0100-2025312305-1887029;

- New Balance schoenen, goednummer PL0100-2025312305-1887036.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. M.M. Spooren en

mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.

Mr. A. van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. van den Oever
  • mr. M.M. Spooren
  • mr. H.C.L. Vreugdenhil

Griffier

  • mr. E.M. Boskma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand