RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-311736-25
Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-265380-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 25 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Klunder, advocaat te Heerenveen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
In de zaak met parketnummer 18-311736-25 is aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, (na die [slachtoffer 1] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in (de richting van) de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (na die [slachtoffer 1] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in (de richting van) de borstkas, althans het
(boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
anderen (daardoor) heeft belet in te grijpen, en/of
- ( ( na afloop) samen met die [medeverdachte 1] de plaats delict te verlaten en/of (aldus) de vlucht mogelijk te maken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond en/of klaplong en/of bloeding van de borstkas en/of zenuwbeschadiging(en) en/of (een) ontsierend(e) litteken(s), heeft toegebracht, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (na die [slachtoffer 1] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen naar en/of in (de richting van) de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] gemaakt;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond en/of klaplong en/of bloeding van de borstkas en/of zenuwbeschadiging(en) en/of (een) ontsierend(e) litteken(s), heeft toegebracht, immers heeft hij (na die [slachtoffer 1] met de auto te hebben achtervolgd en/of klemgereden) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken, althans (van dichtbij) zwaaiende en/of stekende bewegingen naar en/of in (de richting van) de borstkas, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] gemaakt, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
anderen (daardoor) heeft belet in te grijpen, en/of
- ( ( na afloop) samen met die [medeverdachte 1] de plaats delict te verlaten en/of (aldus) de vlucht mogelijk te maken;
2.
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op korte afstand en/of in de buurt van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te zwaaien;
3.
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volkswagen Scirocco, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4.
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee (uitklapbare) zakmessen en/of een machete, zijnde voorwerpen waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder deze werden aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze bestemd waren om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
In de zaak met parketnummer 18-265380-25 is aan verdachte ten laste gelegd:
hij op of omstreeks 13 juni 2024 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 3]
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-311736-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van de verklaring van verdachte, de beelden die getuige [slachtoffer 2] heeft gemaakt en verschillende getuigenverklaringen bewezen kan worden dat verdachte de auto van aangever heeft vernield. Verdachte heeft meerdere keren met een machete op de auto van aangever geslagen. Hierdoor zijn de voorruit en de motorkap beschadigd. Op het moment dat verdachte met de machete op de auto sloeg, stonden aangever en getuige [slachtoffer 2] , die bij aangever in de auto zat, vlakbij de auto. Door, nadat er eerder sprake is geweest van een ruzie en een achtervolging, een machete te pakken en daarmee in de richting van aangever en [slachtoffer 2] te lopen en ermee te zwaaien, heeft verdachte bij hen de vrees opgewerkt dat hij hen fysiek te lijf zou gaan met de machete. Ook de bedreiging kan daarom worden bewezen. De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat in de auto van verdachte twee messen en een machete zijn gevonden. Bewezen kan worden dat verdachte deze messen en de machete heeft gedragen, nu de wapens in zijn auto lagen. Daarnaast heeft verdachte de auto van aangever met de machete beschadigd en heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] aangever met één van de messen gestoken.
De officier van justitie heeft verder gevorderd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd. Niet bewezen kan worden dat verdachte aangever met een mes heeft gestoken. Ook kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte zodat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger.
Daarnaast blijkt ook niet, aldus de officier van justitie, dat sprake is van dubbel opzet dat nodig is voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het steken zodat verdachte daarvan ook moet worden vrijgesproken.
Parketnummer 18-265380-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de verklaringen van aangever volgt dat verdachte hem met een kettingslot tegen het
hoofd en het lichaam heeft geslagen. Verder heeft aangever verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem op zijn neus heeft geslagen en met een mes in zijn bovenlichaam, vlak boven zijn borst, heeft gestoken. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen. De politie heeft fotos gemaakt van dit letsel en er is een letselverklaring opgesteld. De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat hij samen met de medeverdachte bij aangever is langsgegaan en dat zij, samen met aangever, in de auto zijn weggegaan. Gelet op het voorgaande kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-311736-25
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 aan hem ten laste is gelegd. Verdachte wist niet dat de medeverdachte een mes bij zich had. Verdachte heeft ook niet gezien dat de medeverdachte aangever heeft gestoken. Daarnaast is er geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte zodat niet gesproken kan worden van medeplegen. Verdachte heeft ook geen intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het feit, omdat zijn opzet slechts gericht was op de vernieling van de auto van aangever en niet op het doden van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Ook kan niet bewezen worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling, omdat er geen sprake is van dubbel opzet en het opzet van verdachte onvoldoende verband houdt met het gronddelict.
De raadsvrouw heeft zich ook op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onder feit 2 ten laste gelegde. Verdachte wilde de auto van aangever vernielen met de machete. Zijn opzet was niet gericht op het aanjagen van vrees bij aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het onder feit 4 ten laste gelegde. Verdachte wist niet dat de twee (uitklapbare) zakmessen in de auto aanwezig waren. Verdachte was in de veronderstelling dat er enkel een machete in de auto lag.
Parketnummer 18-265380-25
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De verklaring van aangever wordt onvoldoende ondersteund door de overige stukken uit het dossier. Op basis van het dossier kan dan ook niet worden vastgesteld dat het letsel van aangever door verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] is toegebracht.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-311736-25
Vrijspraak van feiten 1 en 2
De rechtbank acht geen van de varianten van feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte van het ten laste gelegde geweld tegen aangever zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is gebleken dat verdachte op enig moment het opzet had op geweld tegen het lichaam van aangever. Daar komt bij dat niet is gebleken dat verdachte wist of kon weten dat medeverdachte een mes bij zich had en daarmee wilde steken. Het voor medeplegen dan wel medeplichtigheid vereiste opzet op geweld tegen het lichaam van aangever acht de rechtbank daarmee niet bewezen, zodat verdachte integraal van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzet had op het aanjagen van vrees bij aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 2). Geen van aangevers heeft daarover iets gesteld en duidelijk is dat verdachte de opzet had de auto van [slachtoffer 1] te vernielen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de bedreigingen.
Feiten 3 en 4
De rechtbank acht de feiten 3 en 4 (beschadiging van een auto en het dragen van een machete) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Niet is gebleken dat verdachte de andere twee aangetroffen messen heeft gedragen en/of dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverachte ten aanzien van het dragen van de wapens, zodat verdachte van deze onderdelen zal worden vrijgesproken.
Nu verdachte de feiten 3 en 4 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Parketnummer 18-265380-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De vraag is of de aangifte en de aanvullende (belastende) verklaringen van aangever steun vinden in andere bewijsmiddelen. Weliswaar bevat het procesdossier fotos van aangever met letsel en een forensisch geneeskundig letselverslag, maar wat ontbreekt is bewijs ter ondersteuning van de beschuldigingen jegens verdachte en de medeverdachte, bijvoorbeeld in de vorm van een getuigenverklaring, sporen die verdachte en/of de medeverdachte aanwijzen als dader of bewijs leveren voor hun aanwezigheid op 13 juni 2024 op de vermeende plaats delict. De rechtbank kan het bewijs van het daderschap van verdachte niet uitsluitend aannemen op aangevers verklaringen. Bij gebrek aan wettig bewijs zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummer 18-311736-25 onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volkswagen Scirocco, kenteken [kenteken] ) die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft beschadigd;
hij op 17 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder dit werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dit bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en te dreigen, heeft gedragen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-311736-25
3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
4. handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op drie jaren wordt gesteld en dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte worden opgelegd. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf kan worden opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast kan een geheel voorwaardelijke taakstraf worden opgelegd met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 27 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van de auto van het slachtoffer en het dragen van een machete. Na een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer, heeft verdachte het slachtoffer in zijn auto op gevaarlijke wijze achtervolgd door het centrum van Leeuwarden. Verdachte heeft onder andere op de rijbaan en de stoep van het tegenovergestelde verkeer gereden. Uiteindelijk heeft verdachte de auto waarin het slachtoffer reed spookrijdend ingehaald, afgesneden en tot stilstand gedwongen. Verdachte is hierop uitgestapt en heeft uit de kofferbak een machete gepakt. Het slachtoffer heeft geprobeerd achteruit te rijden en toen dit niet lukte is hij uitgestapt. Vervolgens heeft verdachte de auto van het slachtoffer zwaar beschadigd door met een machete meermalen op de vooruit en de motorkap te slaan. Deze geweldsexplosie moet grote indruk hebben gemaakt op het slachtoffer en de overige aanwezigen.
Justitiële documentatie
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte voorafgaand aan het feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Wel is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 juli 2026. Het gebruiken van geweld lijkt genormaliseerd te zijn binnen het sociale netwerk van verdachte. De reclassering acht het positief dat verdachte voornemens is afstand te nemen van dit sociale netwerk. Tot op heden hebben zich ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis, geen nieuwe problemen voorgedaan met zijn
(oude) sociale netwerk.
Bij een veroordeling kan volgens de reclassering gesproken worden van ontoereikende coping vaardigheden ten aanzien van de agressiebeheersing. In een situatie van spanning kan dit in verhoogde mate leiden tot oplopende agitatie, impulsiviteit en agressief gedrag. Hoewel het gevoel van respectvol behandeld willen worden hierin een rol lijkt te spelen, blijft het vooralsnog onduidelijk wat er daadwerkelijk ten grondslag ligt aan het agressieve gedrag van verdachte. Om hier zicht op te krijgen is het inzetten van diagnostiek en hieruit voortvloeiend ambulante behandeling geïndiceerd.
De dagbesteding en financiën ziet de reclassering als beschermende factoren. Verdachte heeft drie goedlopende, eigen ondernemingen waaruit hij een legaal inkomen genereert. Daarnaast heeft de voorlopige hechtenis een afschrikkend effect gehad op verdachte en stelt hij te allen tijde te willen voorkomen dat hij opnieuw gedetineerd raakt. Deze motivatie wordt gezien als positief. Het advies is om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal gelet op dit advies het volwassenenstrafrecht toepassen.
Op te leggen straf
Gelet op de heftigheid van het handelen van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere straf worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Gelet op de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, ziet de rechtbank geen ruimte meer om ook nog een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan geëist door de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.
Benadeelde partijen
Parketnummer 18-311736-25
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.431,42 ter vergoeding van materiële schade. Dit bedrag bestaat uit een aantal posten, te weten: schade aan de auto, expertisekosten, wegsleepkosten, kleding, een daggeldvergoeding en zorgkosten ten aanzien van het eigen risico. Daarnaast werd aanvankelijk een bedrag van 65.000,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Ter zitting is de vordering ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met 8.000,- aangezien er PTSS bij de benadeelde partij is vastgesteld. De gevorderde bedragen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden. Ter terechtzitting heeft mr. Aytemur de vordering, namens de benadeelde partij, toegelicht.
Daarnaast heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het stafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 600,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting is de vordering, namens de benadeelde partij, toegelicht door een gemachtigde van Slachtofferhulp Nederland.
Parketnummer 18-265380-25
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.003,47 ter vergoeding van materiële schade en 4.025,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-311736-25
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de materiële schade gedeeltelijk toegewezen kan worden. Het gaat dan om de posten schade aan de auto ( 5.739,93), expertisekosten ( 121,-) en de wegsleepkosten ( 85,-). Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aansluiting moet worden gezocht bij hoofdstuk 4 categorie C van de Rotterdamse Schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van 21.000,- tot 37.000,-. Daarnaast kan het gevorderde bedrag van 8.000,- worden toegewezen. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient opgelegd te worden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] kan worden toegewezen. De vordering is goed onderbouwd en de gevorderde schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.
Parketnummer 18-265380-25
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 3] ten aanzien van het verlies van verdienvermogen gedeeltelijk kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de geleden schade te schatten op een bedrag van 4.000,-. De vordering dient ten aanzien van deze schadepost voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gevorderde kosten ten aanzien van het eigen risico kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag enigszins gematigd dient te worden tot een bedrag van 3.000,-. De vordering dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient opgelegd te worden. Daarnaast is verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de door de benadeelde partij geleden schade.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-311736-25
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 1] gevorderde kosten voor het herstel van de auto gematigd dienen te worden nu de schade aan het dak en de rechterportier niet door toedoen van verdachte is ontstaan. Ten aanzien van de expertisekosten en de wegsleepkosten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor de kleding, de zorgkosten voor het eigen risico, de daggeldvergoeding en de immateriële schade dient
niet-ontvankelijk te worden verklaard gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw ten aanzien van de immateriële schade om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er sprake is van medeschuld aan de kant van de benadeelde partij. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de vordering op dit punt te matigen aangezien niet vaststaat dat er sprake is van blijvend letsel.
De raadsvrouw verzoekt primair de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt zij de vordering af te wijzen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
Parketnummer 18-265380-25
De raadsvrouw verzoekt primair de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt zij de vordering
niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering, zowel ten aanzien van het immateriële deel als het materiële deel, onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-311736-25
Vordering [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat de kosten ten aanzien van de schade aan de auto, de expertisekosten en de wegsleepkosten toegewezen kunnen worden, nu voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft deze schadeposten voldoende onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde daggeldvergoeding, de kosten ten aanzien van het eigen risico en de kleding niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade die door het bewezen verklaarde zijn ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade nu de rechtbank het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering [slachtoffer 2]
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen wordt geacht. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Parketnummer 18-265380-25
Vordering [slachtoffer 3]
De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-311736-25 onder feit 1 en 2 en onder parketnummer 18-265380-25 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18-311736-25 onder feit 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 18-311736-25, feit 3)
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt de veroordeelde om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan de veroordeelde de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.945,93 (zegge: vijfduizend negenhonderdvijfenveertig euro en drieënnegentig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 54 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als de veroordeelde voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 18-311736-25, feit 2)
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde [slachtoffer 2] zijn eigen proceskosten draagt.
Benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 18-265380-25)
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] zijn eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.
Mr. A. van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.