RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
Zaak/rolnummer: 11787928 EL EXPL 25-11
Vonnis van de kantonrechter van 14 juli 2026
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) incident,
hierna [eiser] te noemen,
gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam ,
tegen
de besloten vennootschap
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
eisende partij in het (voorwaardelijk) incident,
hierna Dexia te noemen,
gemachtigde USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie en eis in het incident;
de conclusie van repliek, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en antwoord in het incident;
de conclusie van dupliek, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlating producties in conventie.
Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.
2. De feiten
Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.
[eiser] heeft op 23 februari 2000 een effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (genaamd: Profit Effect), onder contractnummer [nummer], met een leasesom van
€ 49.113,50 en een looptijd van 120 maanden (verder te noemen: de overeenkomst).
De overeenkomst is tussentijds geëindigd en daarbij is een restschuld ontstaan van € 3.085,92. Deze restschuld heeft [eiser] betaald. Dexia heeft in 2012 twee/derde gedeelte, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eiser] uitgekeerd. Daarnaast heeft Dexia in 2024 een bedrag van € 10.230,13 aan [eiser] uitbetaald, in de opgave van Dexia vermeld als ‘onverplichte uitbetaling’.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
Bij brief van 13 maart 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Dexia geschreven dat [eiser] zich beroept op de nietigheid van de hiervoor genoemde effectenleaseovereenkomst en dat deze overeenkomst voor zover nodig wordt vernietigd c.q. ontbonden op grond van (onder meer) een onrechtmatige daad. Voorts wordt Dexia in de brief verzocht - en voor zover nodig gesommeerd - om binnen twee weken alle betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen.
De gemachtigde van [eiser] heeft Dexia hierna bij brief van 12 december 2024 gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Aan deze sommatie is niet voldaan.
3. De vordering in conventie
[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser], op de in de dagvaarding genoemde gronden;
II. voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het
onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;
III. Dexia zal veroordelen om de schade die [eiser] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van Dexia te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen, al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomst, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
IV. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
V. Dexia zal veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Dexia voert verweer.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De vordering in reconventie
Dexia vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In voorwaardelijk incident:
I. [eiser] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van de schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn;
In reconventie:
II. voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is;
III. [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
[eiser] voert verweer.
5. Het geschil in conventie en de beoordeling daarvan
Schending zorgplicht
[eiser] verwijt Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dexia heeft dat als zodanig niet weersproken, maar beroept zich op eigen schuld. Zoals hieronder zal blijken, slaagt het beroep van Dexia op eigen schuld niet. Dit betekent dat vast staat dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser] verwijt Dexia voorts dat zij haar informatieverplichting heeft geschonden. Gelet op het feit dat de schending van de bijzondere zorgplicht door Dexia al vast staat, zal de kantonrechter dit verwijt onbesproken laten.
Schending artikel 41 NR 1999
[eiser] voert, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Basic Investments, terwijl het Basic Investments als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eiser] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit betwist.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Basic Investments mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Basic Investments over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Basic Investments is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Basic Investments waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Basic Investments haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Basic Investments niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser] is voor het eerst in contact gekomen met Basic Investments nadat hij ongevraagd door Basic Investments telefonisch is benaderd. De medewerker van Basic Investments heeft voorgesteld om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van Basic Investments. [eiser] heeft hiermee ingestemd. Vervolgens is de adviseur bij [eiser] thuis geweest. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Basic Investments, de heer [adviseur] (hierna: de adviseur), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser]. Zo heeft [eiser] met de adviseur gesproken over de verkoop van de oude woning, het spaargeld, de hypothecaire lening en de gezinssituatie van [eiser]. [eiser] had naar aanleiding van de verkoop van zijn oude woning een bedrag aan overwaarde overgehouden en dit bedrag stond op zijn spaarrekening. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om zijn huidige woning te verbouwen en zijn hypotheek versneld af te lossen. De adviseur heeft aangegeven dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur heeft [eiser] geadviseerd om een Profit Effect-product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 16.176,11. De adviseur heeft geadviseerd een vooruitbetaling van de eerste drie jaar te doen vanwege een korting die [eiser] dan zou krijgen. De vooruitbetaling kon [eiser] voldoen door een deel van zijn spaargeld, afkomstig uit de verkoop van zijn oude woning, aan te wenden en met het overige deel kon [eiser] zijn huidige woning verbouwen, aldus de adviseur. Volgens de adviseur zou [eiser] met het Profit Effect-product een aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] zijn hypotheek versneld zou kunnen aflossen. De adviseur heeft benadrukt dat het zou gaan om aandelenfondsen van gerenommeerde Nederlandse bedrijven en dat er daarom geen risico aan het Profit Effect-product verbonden zat. Hij heeft zijn verhaal ondersteund aan de hand van een rekenvoorbeeld.
De adviseur heeft [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft de adviseur er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser] op deze risico’s was gewezen, had hij de Profit Effect-overeenkomst nooit afgesloten.
[eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en hij heeft daarom volledig vertrouwd op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en een Profit Effect-product van Bank Labouchere afgesloten met een vooruitbetaling van
NLG 16.176, 11. De aanvraag voor het Profit Effect-product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen de overeenkomst in het geding gebracht. Op deze overeenkomst staat Basic Investments vermeld als adviseur. Ook heeft [eiser] het aanvraagformulier overgelegd en hierop staat [adviseur] van Basic Investments vermeld als adviseur. Verder heeft [eiser] een uittreksel van Basic Investments uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd en gewezen op de bedrijfsomschrijving van Basic Investments die luidt: “Bemiddeling bij het inzetten van vertegenwoordigers bij derden, tevens het adviseren en aanbrengen van particulieren bij commissionairs en banken”. Daaruit volgt, aldus [eiser], dat advisering tot de vaste praktijk van Basic Investments behoorde.
Aanhoudingsverzoek
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde hij in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat, dan wel hoorde dat te weten. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten en kunnen maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Dergelijke informatie ligt ook in haar domein. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Basic Investments beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select of NBG Finance hebben geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
Onrechtmatige daad
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.
Schade
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat Dexia de door [eiser] gevorderde schade, bestaande uit de inleg in de overeenkomst en het restant van de restschuld, volledig dient te vergoeden. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia). Verder kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden toewijsbaar is.
Verrekening voordelen
Volgens Dexia dient bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening te worden gehouden met de voordelen die [eiser] heeft genoten. Onder verwijzing naar het financieel overzicht (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) stelt Dexia dat [eiser], naast een bedrag van
€ 4.380,94 aan ontvangen dividend, een bedrag van € 2.194,69 aan fiscaal voordeel heeft genoten. Ook heeft Dexia al een bedrag van € 2.541,57 aan [eiser] betaald bij de beëindiging van de overeenkomst. Daarnaast heeft Dexia een onverplichte uitbetaling gedaan van € 10.230,13.
Partijen zijn het erover eens dat daadwerkelijk genoten voordeel op de door [eiser] geleden schade in mindering mag worden gebracht. Over het fiscaal voordeel en ontvangen dividend bestaat geen verschil van mening. Daarnaast is niet in geschil dat Dexia in 2012 een vergoeding van € 2,541,57 aan [eiser] heeft betaald. Volgens [eiser] bestaat laatstgenoemd bedrag uit twee componenten, te weten twee derde deel van de restschuld van € 3.085,92 en een bedrag aan wettelijke rente. Het resterende bedrag aan restschuld dat Dexia nog dient te vergoeden is volgens [eiser] de oorspronkelijke restschuld ad € 3.085,92 verminderd met € 2.057,28 = € 1.028,64. Laatstgenoemd bedrag dient volgens [eiser] te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de restschuld is betaald. Dexia heeft hier niets tegenin gebracht en de kantonrechter is daarom met [eiser] van oordeel dat Dexia nog een derde deel van de restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [eiser] tot aan de voldoening van het resterende een derde deel van de restschuld door Dexia, dient te voldoen. De omstandigheid dat in eerdere uitspraken twee derde deel van de restschuld vermeerderd met de wettelijke rente daarover in mindering is gebracht op de schade, maakt het voorgaande niet anders. Deze wijze van verrekening was op dat moment nog een punt van discussie tussen partijen.
Op grond van het vorenstaande heeft [eiser] zijn schade als volgt berekend:
- betaalde inleg € 18.668,40
- betaalde restschuld € 3.085,92 +
totaal betaald € 21.754,32
vergoeding 2/3e RS € 2.057,28
ontvangen dividend € 4.380,94
fiscaal voordeel € 2.194,69 -
totale schade [eiser] € 13.121,41
Dexia heeft verder aangevoerd dat het bedrag van € 10.230,13 dat zij op 20 november 2024 aan [eiser] als ‘onverplichte betaling’ heeft uitgekeerd, voor € 4.981,57 uit rente bestaat zodat € 5.248,57 in mindering strekt op de schade van [eiser]. Volgens Dexia is zij daarom slechts gehouden tot betaling van een bedrag van € 7.872,84. [eiser] heeft niet betwist dat hij € 10.230,13 heeft ontvangen. Wel betwist [eiser] dat dit bedrag voor € 4.981,57 uit rente bestaat. Volgens [eiser] kan hij de onverplichte uitbetaling daarom niet meenemen in zijn schadeberekening exclusief wettelijke rente, zoals hiervoor weergegeven. [eiser] stelt dat de onverplichte uitbetaling in mindering dient te worden gebracht op het schadebedrag inclusief wettelijke rente.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals [eiser] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van de € 10.230,13 niet toegelicht. Weliswaar staat in het financieel overzicht bij de conclusie van antwoord in de kolom ‘onverplichte betaling’ een bedrag van € 4.981,57 aan rente, maar dat is gelet op de betwisting van [eiser] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [eiser] juist is.
In de door [eiser] als productie F overgelegde brief waarin Dexia de betaling van uitbetaling aankondigt, staat:
“Belangrijk: deze betaling is onverplicht en wordt gedaan zonder erkenning van schuld. Het betreft een vooruitbetaling op een mogelijke vergoeding die u wellicht in rechte kunt krijgen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Mocht achteraf in rechte blijken dat de vooruitbetaling te laag is, dan zal Dexia de betaling aanvullen met hetgeen waartoe zij dan door een rechter veroordeeld wordt. Mocht achteraf blijken dat de vooruitbetaling te hoog en ten onrechte is gedaan, dan behoudt Dexia zich het recht voor de betaling geheel of gedeeltelijk van u terug te vorderen.”
Hieruit leidt de kantonrechter af dat het bedrag van € 10.230,13 in het algemeen als een voorschot is betaald. De kantonrechter is daarom met [eiser] van oordeel dat een schadevergoeding van € 13.121,41 toewijsbaar is. . De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en Hoge Raad 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164). Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia in 2024 betaalde bedrag van € 10.230,13.
Buitengerechtelijke kosten
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
Proceskosten
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 1.015,00 (2,5 punten × € 406,00)
Totaal € 1.891,47.
De meegevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar.
6. Incidentele vordering van Dexia
Dexia heeft een voorwaardelijke incidentele vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eiser] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eiser] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van een intakeformulier dat [eiser] voor zijn gemachtigde heeft ingevuld en bij gebreke daarvan tot het verstrekken van andere relevante schriftelijke documenten, telefoonnotities en/of gespreksverslagen die zien op de intake van [eiser] door Leaseproces.
[eiser] voert verweer.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eiser] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident.
Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 217,00 voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 217,00).
7. De beoordeling in reconventie
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eiser]. Dit deel van de vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 506,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 253,00).
8. De beslissing
De kantonrechter
In het incident van Dexia
verklaart Dexia niet-ontvankelijk;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op
€ 217,00;
in conventie
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld; (zowel) vanwege schending van artikel 41 NR 1999 (als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht));
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;
veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eiser] geleden schade van € 13.121,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en verminderd met € 10.230,13, een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.27, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 1.891,47 en in de nakosten, begroot op € 100,00 te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van algehele voldoening. De nakosten worden vermeerderd met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 8.5 en 8.6.;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst de vordering af;
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 506,00;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en op 14 juli 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
46592