RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-273665-24
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-273683-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.H. Van der Zwan, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 18-273665-24
hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , doordat hij, verdachte,
- naast die [slachtoffer 1] op het bed is gaan liggen en/of zitten en/of (vervolgens) het hoofd
van die [slachtoffer 1] naar zich toe heeft gedraaid en/of hij, verdachte, die [slachtoffer 1] heeft geprobeerd te zoenen, waarop die [slachtoffer 1] hem, verdachte, heeft weggeslagen, en daarbij de woorden “niet doen” heeft geuit,
- waarna verdachte voorbij is gegaan aan het verzet en/of de weerstand van die
[slachtoffer 1] door (vervolgens) zijn hand naar de vagina van die [slachtoffer 1] te bewegen, waarna die [slachtoffer 1] hem heeft weggeduwd,
- waarna verdachte wederom voorbij is gegaan aan de eerdere (non-verbale)
signalen van verzet door, toen die [slachtoffer 1] zich in een slapende, althans niet alerte, toestand bevond onverhoeds de string van die [slachtoffer 1] aan de kant te schuiven en/of (vervolgens) onverhoeds met zijn vinger(s) de vagina van die [slachtoffer 1] te betasten en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen,
gelegenheid heeft gehad/gekregen zich tegen die handelingen te verzetten en/of het dulden van die handelingen door die [slachtoffer 1] onvermijdbaar is geweest;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op/in of omstreeks 3 maart 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] -2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen
heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten heeft hij verdachte, met zijn vingers de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of zijn vinger(s) in de vagina van die
[slachtoffer 1] gebracht en/of (vervolgens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht/bewogen.
In de zaak met parketnummer 18-273683-24
hij in de periode van 1 juni tot en met 1 december 2023 te Groningen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van
het lichaam van die [slachtoffer 2] , doordat hij, verdachte,
- die [slachtoffer 2] onverhoeds het pashokje in heeft getrokken en/of haar
tegen de spiegel heeft geduwd, en/of haar (vervolgens) heeft gezoend en/of haar vagina heeft aangeraakt/betast,
[slachtoffer 2] , te weten de woorden “wat doe je” en “ik moet gaan” voorbij is gegaan,
- doordat hij, verdachte, (vervolgens) die [slachtoffer 2] (onverhoeds) met
beide handen op haar schouders op het bankje heeft geduwd en/of (vervolgens) zijn hand op haar achterhoofd heeft gelegd en/of (vervolgens) zijn penis in haar mond heeft gebracht en/of haar hoofd van voren naar achteren heeft bewogen,
- waardoor die [slachtoffer 2] werd overrompeld en/of overdonderd en/of
niet de gelegenheid heeft gehad/gekregen zich tegen die handelingen te verzetten en/of het dulden van die handelingen door die [slachtoffer 2] onvermijdbaar is geweest;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in de periode van 1 juni tot en met 1 december 2023 te Groningen, in
elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] -2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet van zestien jaren had
bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen
van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten
- heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 2] gezoend
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de zaak met parketnummer 18-273665-24 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18-273683-24 primair ten laste gelegde, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
In de zaak met parketnummer 18-273665-24
Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) volgt de betrouwbaarheid volgens de officier van justitie uit het feit dat haar verklaring consistent en gedetailleerd is, waardoor deze authentiek overkomt. Daarnaast zijn er meerdere bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunen, te weten de verklaring van getuige [getuige] , de verklaring van verdachte zelf en de resultaten van het forensisch onderzoek.
De voor verkrachting vereiste dwang volgt uit het feit dat verdachte onverhoeds en onverwachts heeft gehandeld, waardoor [slachtoffer 1] op die seksuele handeling niet bedacht was en ook niet hoefde te zijn.
In de zaak met parketnummer 18-273683-24
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) leidt de officier van justitie af uit het feit dat deze verklaring consistent en erg gedetailleerd is. Het steunbewijs bestaat in deze zaak allereerst uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] . Zij verklaart onder meer over het gedrag van [slachtoffer 2] na het incident, bevestigt de details die [slachtoffer 2] ook aan de politie heeft verteld en beschrijft de emoties van [slachtoffer 2] op het moment waarop zij een zogenoemde disclosure heeft gegeven. De verklaring van de beveiliger van de [bedrijf] biedt verder steun voor een belangrijk detail de spermavlekken in het t-shirt uit de verklaring van [slachtoffer 2] . Tot slot bevestigt verdachte zelf dat hij enige tijd met [slachtoffer 2] in de [bedrijf], waaronder in de paskamers om t-shirts te passen, is geweest.
De dwang bestaat er in deze zaak uit dat verdachte aangeefster onverhoeds en onverwacht een pashokje in heeft getrokken, waarna verdachte aan haar heeft gezeten, haar heeft ontkleed en haar hoofd naar zijn penis heeft gebracht. Hierdoor werd [slachtoffer 2] overrompeld, kon zij zich niet verzetten en dat kon ook niet van haar worden verlangd.
Voor het alternatieve scenario dat verdachte schetst bestaat geen ondersteuning vanuit het dossier en wordt volgens de officier van justitie ook anderszins niet (enigszins) aannemelijk gemaakt.
Standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 18-273665-24
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd, gelet op zijn ontkennende verklaring. Allereerst wordt de verklaring van [slachtoffer 1] door de verdediging als onbetrouwbaar aangemerkt. Samengevat leidt de verdediging dit af uit het gegeven dat verschillende betrokkenen twijfels hebben geuit over de verklaring
van [slachtoffer 1] en dat ter plaatse aanwezige getuigen hebben geweigerd een verklaring af te leggen. Ook inhoudelijk zijn er twijfels. Van het steunbewijs dat zich in het dossier bevindt, te weten het Y-chromosomaal DNAonderzoek, gaat volgens de verdediging onvoldoende bewijskracht uit om als (steun)bewijs te dienen voor de concrete ten laste gelegde seksuele handelingen. Aldus ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair wordt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet bewezenverklaard kan worden, nu bewijs voor de vereiste dwang ontbreekt.
In de zaak met parketnummer 18-273683-24
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18-273683-24, heeft de raadsvrouw van verdachte eveneens vrijspraak bepleit. Allereerst vanwege het ontbreken van wettig bewijs. De door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen zijn, gelet op onderlinge tegenstrijdigheidheden daarvan, onbetrouwbaar en daarmee niet bruikbaar voor het bewijs. De verdediging heeft in dit kader een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de moeder van verdachte gedaan, nu daarmee de verklaring van [slachtoffer 2] kan worden getoetst.
Daarnaast ontbreekt steunbewijs voor de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring. De verklaring die door de beveiliger van de [bedrijf] is afgelegd, wordt door de verdediging onvoldoende duidelijk en specifiek geacht om als steunbewijs te kunnen fungeren. Tot slot stelt de verdediging dat enig bewijs voor de vereiste dwang ontbreekt, waardoor geen sprake kan zijn van de primair ten laste gelegde verkrachting.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de (veronderstelde) seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader.
Betrouwbaarheid verklaringen
Enkel een betrouwbare verklaring kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Bij de beoordeling van een verklaring op betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en waargenomen emoties.
Bewijsminimum
In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat door de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit zou hebben begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van aangeefster. De verklaring van aangeefster ook als die betrouwbaar wordt geacht is dus onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De aangifte moet in elk geval worden ondersteund door tenminste één verklaring uit een andere bron. Het ondersteunend bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van het slachtoffer. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere bewijsmiddelen.
Steunbewijs
In het geval geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het steunbewijs onder meer ook bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van emotie(s) bij het (vermeende) slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Een dergelijke verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (disclosure-getuige) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is
behoedzaamheid op zijn plaats bij het gebruik de waarneming van emoties als steunbewijs. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven zal de rechtbank hierna de feiten beoordelen.
Vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-273683-24
De rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring authentiek overkomt, gedetailleerd is en op zichzelf consistent is. De rechtbank heeft aldus geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . Dat gegeven alleen is echter, zoals uit de hierboven weergegeven wettelijke bepaling blijkt, niet genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen; vereist is dat de verklaring in enige mate steun vindt in een ander bewijsmiddel.
Verdachte heeft de door [slachtoffer 2] benoemde en ten laste gelegde seksuele handelingen telkens ontkend. In het dossier bevindt zich een verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] , die verklaart over de door haar waargenomen emotie(s) bij [slachtoffer 2] na het ten laste gelegde feit. Als aangegeven is behoedzaamheid op zijn plaats en gezien de onduidelijkheid ten aanzien van het moment waarop de vermeende seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden, kan de rechtbank hieruit geen bevestiging van de verklaringen van [slachtoffer 2] afleiden. De verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] is inhoudelijk verder in zijn geheel gebaseerd op dat wat zij van [slachtoffer 2] heeft vernomen. De verklaring is daarmee onvoldoende redengevend om als steunbewijs te dienen voor de verklaring van [slachtoffer 2] .
De verklaring van de beveiliger van de [bedrijf], levert - hoewel stammend uit een andere bron dan [slachtoffer 2] - evenmin voldoende steunbewijs op. De beveiliger heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren wanneer het incident zich heeft voorgedaan, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen of het in de verklaring genoemde incident hetzelfde incident betreft dat hier ten laste is gelegd. De verklaring van de beveiliger geeft daarnaast geen informatie over de ten laste gelegde seksuele handelingen of ondersteuning voor de door [slachtoffer 2] geschetste gang van zaken. De verklaring geldt daarmee eveneens als onvoldoende redengevend om als direct ondersteunend bewijs te dienen voor de ten laste gelegde feiten.
Er ontbreekt, gezien het voorgaande, steunbewijs dat onafhankelijk is van de verklaring van [slachtoffer 2] . Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv. Dit betekent dat het wettig bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd ontbreekt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde feiten.
Bewezenverklaring ten aanzien van het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-273665-24
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024057087 (onderzoek KEULE) d.d. 22 juli 2024, inhoudende als verklaring van [getuige] , namens [slachtoffer 1] :
A: [verdachte] kwam op 3 maart rond 2024 04.00 uur bij [naam 1] thuis met haar. [naam 2] en [slachtoffer 1] en ik en [naam 3] waren opdat moment in huis. Ze hadden pizza besteld. Ik begreep later dat hij de avond ervoor ook in [slachtoffer 1] haar zij had geprikt en aandacht bij haar probeerde te zoeken. In de avond kreeg ik van [slachtoffer 1] te horen dat [verdachte] aan haar had gezeten. Dat hij geprobeerd had haar twee keer te zoenen. Dat ze dat had afgeslagen en was gaan slapen en dat daarna hij haar string aan de kant had gedaan, haar kusjes heeft gegeven en haar heeft gevingerd. Dat hij ook
verder in haar is geweest en dat [slachtoffer 1] niks kon, omdat ze verstijfd was.
A: [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 1] sliepen in één bed. [verdachte] zat op het voeteneind van hetzelfde bed. Ik zag dat hij daar ging zitten in de nacht en toen ik wakker werd, toen zag ik dat hij daar nog steeds zat. Voor zover ik weet heeft hij helemaal niet gelegen.
A: Iedereen bevond zich op dezelfde plek in het bed toen ik wakker werd in de nacht. Toen ik in de ochtend wakker werd was daar dus niets in veranderd. [naam 1] is met [naam 3] en haar moeder naar Almere gegaan in de ochtend. [naam 2] is blijven liggen. Toen het gebeurde lag [naam 2] nog in bed.
V: En wanneer is dat dan gebeurd?
A: Dat was zondagmiddag. [naam 1] en [naam 3] gingen met [naam 4] rond 12.00 uur weg. Ik zelf ging rond 10.45 uur weg. Daarna, dus na 12.00 zou [verdachte] haar verkracht hebben. [naam 1] dacht dat [verdachte] wel weg zou gaan, maar hij is dus gebleven.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 ,aart 2024, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
V: Je vertelde dat ze op het bed kwamen zitten, wie waren er toen allemaal op het bed?
A: ik en [naam 2] , alleen wij twee, en [verdachte] en [naam 1] kwamen erbij.
V: Je vertelde dat [verdachte] wat in jou zij zat te prikken op het bed. Wat bedoel je hier precies mee?
A: Gewoon met zijn vinger in mijn zij.
V: Op den duur ga je weer slapen. Hoe laat was dit? A: Rond 13:00 uur denk ik ongeveer.
V: Wat gebeurt er dan eerst?
A: Hij probeerde mij twee keer te zoenen
V: Hoe laat probeerde [verdachte] jou te zoenen? A: ik weet het niet precies, rond 13:00 uur half 2.
V: Lukte dat [verdachte] ook A: Nee
V: Hoe komt dat?
A: Omdat ik hem wegsloeg V: Zeg jij dan ook wat?
A: ik zei: "Niet doen".
V: Zegt [verdachte] dan ook wat?
A: Hij zei: "Hoezo?". Ik zeg: "Je bent ten eerste 20, de broer van mijn vriendin, ja dat kan gewoon niet" V: Je vertelde dat hij jou daarna probeerde te vingeren. Hoe lang was dit na het proberen te zoenen?
A: ik denk 3 minuten
V: Waar raakt [verdachte] jou precies aan?
A: Toen nergens want ik duwde hem van het bed. V: Hoe weet je dat hij je probeert te vingeren dan?
A: hij ging met zijn hand daar naartoe maar raakte mij net niet aan. In de richting van mijn kut.
V: Je vertelde dat je toen weer ging slapen. Wat is dan het eerste wat je je herinnert? A: Dat een vinger opeens in mijn kut zat
V: Hoe laat was dit?
A: Tussen 13:30 en 15:00 uur
V: Wat was jou reactie hierop dat je dat voelde? A: Verstijfd, ik wist niet wat ik moest doen
V: Wat doet hij met zijn vingers?
A: Gewoon hoe leg je dat uit, gewoon vingeren, hij gaat heen en weer en bleef er in met zijn vinger.
V: Je vertelde dat je na ongeveer 5 minuten voelde dat [verdachte] zijn lul in jouw kut stopte. Was dit direct na het vingeren of zat hier even tijd tussen?
A: Ik denk heel even tijd maar niet lang, zeker geen uur een paar minuten V: Wat voelde je precies toen hij zijn lui in jouw kut stopte?
A: Pijn in mijn kut V: Hoe was jij toen?
A: Verstijfd nog steeds
V: Hoe voelde jij je toen dit gebeurde?
A: Verstijfd ik weet niet wat ik moest doen
V: Wat je vertelde is gebeurd op zondag 3 maart. Hoe lang daarvoor had jij seks met iemand anders? A: 2 weken tot 3 weken daarvoor.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 17 juli 2024, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op maandag 4 maart vond het FMO plaats in het [ziekenhuis] . Tijdens dit onderzoek is door de Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) arts een lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Bij dit onderzoek zijn ook lichaamsbemonsteringen genomen bij [slachtoffer 1] . Deze bemonsteringen zijn allemaal verantwoord onder Spoor Identificatie Nummer (SIN) ZAAE4032NL. De bemonsteringen zijn genomen van:
Tijdens het FMO is er door de LOEF arts DNA afgenomen bij [slachtoffer 1] . Op 1 mei 2024 is DNA bij [verdachte] af genomen.
[slachtoffer 1] : WAAW5470NL [verdachte] : WAAW5935NL
4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.05.31.087 d.d. 16 juli 2024 opgemaakt door K. Steensma, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:
Autosomaal DNA-onderzoek
Onderstaand referentiemateriaal is onderworpen aan een autosomaal DNA-onderzoek.
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een autosomaal DNA-onderzoek.
Y-chromosomaal DNA-onderzoek
Naar aanleiding van het resultaat van het autosomale DNA-onderzoek van bemonsteringen ZAAE4032NL#02, #03 en #04, zijn deze bemonsteringen onderworpen aan een Ychromosomaal DNA-onderzoek om meer genetische informatie van de donor(en) van het mannelijke DNA in deze bemonsteringen te verkrijgen.
Ten behoeve van het vergelijkend Y-chromosomale DNA-onderzoek is het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] WAAWS935NL onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Bemonsteringen ZAAE4032NL#03 ( binnenste schaamlippen (nat) ) en #04 ( diep vaginaal )
Voor het vaststellen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte [verdachte] , en de Y-chromosomale DNA-profielen van bemonsteringen ZAAE4032NL#03 en #04 is het van belang om te weten hoe zeldzaam de overeenkomende Y-chromosomale DNA-profielen zijn. Hoe zeldzamer de overeenkomende Y-chromosomale DNA-profielen, hoe groter de bewijskracht. De
Y-chromosomale DNA-profielen van bemonsteringen ZAAE4032NL#03 en #04 zijn daarom op 12 en 16 juli 2024 vergeleken met de Y-chromosomale DNA-profielen in de YHRD (Y-Haplotype Reference Database). In deze databank bevinden zich Y-chromosomale DNA-profielen van mannen uit verschillende en over de gehele wereld verspreide bevolkingsgroepen. Bij de vergelijkingen is gebleken dat de Y-chromosomale DNA-profielen van bemonsteringen ZAAE4032NL#03 en #04 niet in deze databank voorkomen. Dit betekent dat dit Y-chromosomale DNA-profiel wereldwijd zeldzaam is, maar sluit niet uit dat het regionaal vaker voor kan komen. Om de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid, is het onderstaand hypothesepaar beschouwd.
Hypothese 1: Het mannelijke DNA in bemonsteringen ZAAE4032NL#03 en #04 is afkomstig van verdachte [verdachte] en/of van een in de mannelijke lijn aan verdachte [verdachte] verwante man.
Hypothese 2: Het mannelijke DNA in bemonsteringen ZAAE4032NL#03 en #04 is afkomstig van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte [verdachte] .
De Y-chromosomale DNA-profielen ZAAE4032NL#03 en #04 zijn elk zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 1]
heeft op verschillende momenten haar verhaal gedaan en heeft telkens consistent, duidelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt op wezenlijke punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] en het DNA-onderzoek. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte al in de nacht van 2 op 3 maart 2024 in haar zij zat te prikken en dat zij, verdachte en [naam 2] de volgende middag enkel nog met zijn drieën in de woning waren. Verdachte ging naast [slachtoffer 1] in bed liggen en probeerde haar tweemaal te zoenen. Vervolgens bewoog verdachte zijn hand richting haar kruis en begon haar te betasten. [slachtoffer 1] heeft verdachte toen te kennen gegeven daarvan niet gediend te zijn. Nadat [slachtoffer 1] weer ging slapen voelde zij ineens dat verdachte haar string aan de kant deed en met zijn vinger haar vagina inging. Zij verklaart hierover dat zij verstijfd was en nog half sliep. Kort daarna, duwde verdachte zijn penis in haar vagina. Ook toen verstijfde ze. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat het een beetje pijn deed en ze nadien een branderig gevoel had bij het plassen.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hoewel getuige [getuige] verklaart dat zij niet precies weet wat er s nachts heeft plaatsgevonden, benoemde zij wel dat verdachte s nachts op de rand van het bed zat en daar de volgende ochtend, toen zij naar haar werk ging, nog steeds zat. Dat onderschrijft de verklaring van [slachtoffer 1] en weerlegt de bewering van verdachte dat hij al vroeg in de ochtend weer was vertrokken.
Tot slot wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het NFI-rapport. Daaruit volgt dat het zeer veel waarschijnlijker (tienduizend tot 1 miljoen keer) is dat het op de binnenste schaamlippen en diep vaginaal aangetroffen mannelijke DNA afkomstig is van verdachte en/of een in mannelijke lijn aan hem verwante man, dan wanneer dat mannelijke DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte.
Tussenconclusie
De rechtbank is op basis van de bevindingen van de deskundigen van het NFI van oordeel dat uit de resultaten van het forensisch onderzoek volgt dat het DNA van de verdachte zich zowel op de binnenste schaamlippen als diep vaginaal bevond. De verdachte heeft geen enkele (plausibele) verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op deze plaatsen.
Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario, namelijk dat de broer van verdachte seks zou hebben gehad met [slachtoffer 1] en het aangetroffen mannelijke DNA derhalve niet van verdachte is, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervanuit dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] .
Dwang
De vraag is vervolgens of kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen om deze seksuele handelingen te ondergaan en haar dus heeft verkracht. Van dwang door een feitelijkheid in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht (oud) kan sprake zijn als een slachtoffer zich redelijkerwijs niet tegen een onverhoeds (onverwachts) handelen van verdachte heeft kunnen verzetten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen om de seksuele handelingen te dulden. Aangeefster sliep bij aanvang van verdachtes handelen en bevond zich als zodanig in een niet-alerte positie. Er was geen sprake van instemming van aangeefster met de gewraakte handelingen. Integendeel. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] volgt immers dat zij kort daarvoor nog had aangegeven niet van verdachtes avances gediend te zijn. Zij had deze handelingen aldus niet verwacht, en ook niet hoeven verwachten. De setting en het onverhoedse handelen van verdachte hebben [slachtoffer 1] echter in de situatie gebracht dat zij verstijfde en tegen dit handelen geen weerstand kon bieden. Hierdoor heeft zij tegen haar wil in de seksuele handelingen van verdachte moeten dulden. Verdachte had dit niet alleen kunnen maar ook moeten weten.
Conclusie
Op basis van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Anders dan de raadsvrouw, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair onder parketnummer 18-273665-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 3 maart 2024 te Groningen door een feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , doordat hij, verdachte,
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
In de zaak onder parketnummer 18-273665-24
primair verkrachting
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-273665-24 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18-273683-24 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor de toepassing van adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. Zij heeft verder verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Qua strafmodaliteit heeft de raadsvrouw gepleit voor een werkstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Tot slot heeft zij verzocht de vordering tot oplegging van een GVM af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsadvies van 23 maart 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds 14-jarig meisje. Hijzelf was op dat moment 19 jaar oud. Verdachte heeft, terwijl het slachtoffer lag te slapen, haar string aan de kant geschoven en seksuele handelingen bij haar verricht, waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam met zijn vinger en zijn penis. Verdachte wist dat het slachtoffer hier niet van was gediend. Door aldus te handelen heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en op geen enkele wijze rekening gehouden met de wil en de gevoelens van het slachtoffer. Een verkrachting betekent per definitie een ernstige en grove aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. In zijn algemeenheid is een verkrachting een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en/of emotionele klachten bij het slachtoffer tot gevolg
heeft. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Daarnaast tilt de rechtbank zwaar aan de omstandigheid dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn afkeurenswaardige gedrag heeft genomen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 10 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte geen strafblad heeft.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 23 maart 2026 dat over verdachte is opgesteld. Hierin wordt de toepassing van ASR geadviseerd alsmede, zo begrijpt de rechtbank, een voorwaardelijk strafdeel met diverse bijzondere voorwaarden onder het toezicht van de volwassenreclassering. Verdachte heeft ter terechtzitting zich bereid getoond om aan de geformuleerde voorwaarden mee te werken.
Toepassing ASR
De rechtbank stelt voorop dat verdachte meerderjarig was ten tijde van het plegen van het strafbare feit. In beginsel brengt dit met zich dat iemand volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht bepaalt echter dat de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de jongvolwassene die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van achttien jaren, maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, toepassing kan geven aan het jeugdstrafrecht.
In afwijking van de officier van justitie ziet de rechtbank op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het rapport van de reclassering voldoende aanknopingspunten om de daarin geadviseerde toepassing van het ASR te volgen. Verdachte vertoont kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd zou verdachten, hij functioneert op verstandelijk beperkt niveau en hij handelt impulsief. Verder ziet de reclassering nog mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding en zijn er geen contra-indicaties voor het toepassen van jeugdstrafrecht. Dit betekent dat de zaak, wat betreft de op te leggen straf, zal worden afgedaan binnen de kaders van het jeugdstrafrecht.
Overschrijding redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij een niet gedetineerde verdachte waarbij het jeugdstrafrecht is toegepast de behandeling van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond binnen 16 maanden. De rechtbank stelt vast dat op de datum dat het vonnis in deze zaak wordt gewezen de redelijke termijn, gemeten vanaf het tijdstip dat verdachte in verzekering is gesteld, met bijna een jaar, is overschreden. De rechtbank heeft hier in strafverminderende zin rekening mee gehouden, in die zin dat een fors deel van de straf voorwaardelijk zal worden opgelegd.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie, voor de duur van 6 maanden dagen met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal deze straf voor de helft, 3 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering in haar rapport van 23 maart 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal, anders dan gevorderd door de officier van justitie, niet overgaan tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Hoewel de ernst van het bewezenverklaarde feit een verkrachting zonder meer zwaar weegt en de rechtbank het van belang acht dat het risico op herhaling wordt beperkt, acht zij oplegging van deze maatregel in de gegeven omstandigheden disproportioneel.
Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd met daaraan gekoppeld een vijftal bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling. Aan het voorwaardelijk deel wordt een proeftijd voor de duur van twee jaar verbonden. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat verdachte na het uitzitten van zijn straf niet voldoende verantwoord kan terugkeren in de maatschappij. Dit geldt temeer, nu verdachte sinds zijn aanhouding niet met justitie in aanraking is gekomen.
Benadeelde partij
Ten aanzien van het ten laste gelegde onder parketnummer 18.273683.24
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag 87,91 ter vergoeding van materiële schade en 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-273683-24 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-273665-24 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot drie maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
3. verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, indien de reclassering dit nodig acht en het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering;
4. op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft of zoekt met het slachtoffer en diens familie, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op dit verbod;
5. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Ten aanzien van parketnummer 18-273683-24
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat benadeelde partij [slachtoffer 2] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. de Ruijter en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2026.