RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272423456
zaaknummer: 11859963 BU VERZ 25-1991
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
7 augustus 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘rijden op het trottoir, voetpad, fietspad/fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’ verricht op 7 maart 2025, om 16:37 uur aan het Mandewyk Paralel gelegen fietspad te Bakkeveen, gemeente Opsterland, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 199,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 7 augustus 2026 de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. S. Heling.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
3. Betrokkene betwist de verweten gedraging niet, maar voert argumenten aan ter verklaring. Betrokkene voert aan dat hij niet wist dat hij op een fietspad reed. Hij reed vanuit Waskemeer richting Bakkeveen. Omdat de weg vóór Bakkeveen op pleegdatum met behorend tijdstip was afgesloten wegens een ongeluk, is betrokkene over de straatstenen naar de overkant gereden. Betrokkene voert aan dat hij op dat moment niet meer achteruit kon wegens het andere verkeer. Op de betreffende plaats kon hij niet weten dat hij een fietspad opreed, omdat er volgens betrokkene geen borden als zodanig waren opgesteld. Betrokkene voert aan dat hij toen voor het eerst zag dat hij over een fietspad reed. De foto van het bord G12a door de verbalisant is volgens betrokkene genomen vanaf de andere kant.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
De gedraging
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding in die zin, dat hij het bord G12A dat het fietspad aangaf niet heeft gezien omdat hij vanaf de andere kant kwam aanrijden. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze zag dat het voertuig van betrokkene op een door bord G12a aangeduid weggedeelte reed dat is bestemd voor het verkeer van fietser en bromfietsers, zijnde een fiets-/bromfietspad. De verbalisant verklaart dat het bord duidelijk zichtbaar aanwezig was. De verbalisant verklaart dat hij zich bevond op Nijefeansterwei en duidelijk en onbelemmerd zicht had op het voertuig. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “het was allemaal onduidelijk”.
Alhoewel de kantonrechter het met de vertegenwoordigster eens is dat het voor de gemiddelde weggebruiker duidelijk moet zijn dat de plek waar betrokkene heeft gereden geen B-weg maar een fietspad is, overweegt hij dat ook hij op Google Maps niet het bord G12a op de door betrokkene aangevoerde rijroute is tegengekomen. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op pleegdatum sprake was van een ongeluk en dat hij hierdoor snel moest handelen en een andere route moest nemen. Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat de boete ten onrechte aan betrokkene is opgelegd. De kantonrechter verklaart het beroep dan ook gegrond. De door betrokkene gevraagde proceskosten, bestaande uit reiskosten van € 15,68, komen voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;- vernietigt die beslissing;- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;- vernietigt die inleidende beschikking;- bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;
- veroordeelt de officier van justitie in de kosten van de procedure, aan de zijde van de betrokkene vastgesteld op € 15,68.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.