RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/314507-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Sumar, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (scooter), daarmede rijdende over de weg, de Solcamastraat ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat er een straatrace gaande was,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] , die deelnam aan eerder genoemde straatrace, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Sumar, als bestuurder van een voertuig (scooter),
daarmee rijdende op de weg, de Solcamastraat , terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat er een straatrace gaande was,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Sumar op/aan de Solcamastraat , op of omstreeks 23 februari 2025, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
3.
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Sumar, als bestuurder van een motorrijtuig (scooter) heeft gereden op de weg, de Solcamastraat , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 1 primair, 2 en 3 gevorderd.
Daarbij heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat van roekeloosheid geen sprake is, maar wel van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair, omdat de gedragingen van verdachte geen roekeloosheid, aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid of gevaar/hinder op de weg opleveren. Verdachte heeft, voordat hij wegreed, om zich heen gekeken en gezien dat [slachtoffer] met de motor en de andere personen op de scooters stilstonden. Verdachte heeft de situatie zo ingeschat, dat hij dacht dat hij kon gaan. Daarbij is door de verdediging ook gewezen op dat [slachtoffer] te hard heeft gereden en achterop verdachte is gebotst. Verdachte had toen zijn positie op de weg al ingenomen. Betwist wordt daarom dat sprake is van aanmerkelijk onder de maat blijven van het totale rijgedrag ten opzichte van de gemiddelde deelnemer aan het verkeer. Het niet hebben van een rijbewijs maakt dit niet anders en van onvoldoende aandacht hebben of houden op het overige verkeer blijkt niet/onvoldoende.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat feit 2 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 23 februari 2025 bij de scootermeeting in Sumar was. Er waren veel scooters en wedstrijden. Op een gegeven moment ging ik op de scooter van een vriend rijden, terwijl ik geen scooterrijbewijs heb. Toen de autos zouden gaan racen, ben ik op de scooter naar een zijweg gereden, om de race vanaf daar te bekijken. Daar stond ik stil, terwijl ik op de scooter zat. Ik zag de autos voorbij racen, heb om mij heen gekeken en heb [slachtoffer] op de motor gezien. Toen ben ik op de scooter weggereden, achter de autos aan. Ik stuurde bijna weer rechtdoor, toen [slachtoffer] op de motor mij schuin van achter aanreed. Ik vloog door de lucht. Daarna ging ik bij [slachtoffer] kijken en dat was geen fijn gezicht. Ik ben toen weggegaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Aanrijding misdrijf d.d. 31 oktober 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, Opsporing Team Verkeer, met nummer PL0100-2025161562 d.d. 3 november 2025, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik kreeg kennis van een verkeersongeval dat plaats had gevonden op 23 februari 2025.
Locatie ongeval Adres: Solcamastraat Plaats:Sumar
Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Betrokken partijen/objecten
Bij controle bij het Rijbewijsregister bleek dat aan [verdachte] nooit een rijbewijs was afgegeven voor de categorie motorrijtuigen waartoe het door hem bestuurde voertuig behoorde.
Letsel
Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen. Vervoerd naar ziekenhuis: Ja, [ziekenhuis] te Groningen Opgenomen: Ja
Letsel: ernstig traumatisch schedelhersenletsel, schedelfracturen,
multifragmentaire fractuur sleutelbeen
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van FO Verkeer d.d. 22 april 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Schade motor
Ik zag dat het voertuig de volgende schade had:
aan weerszijden was het kuipwerk weg;
aan de linkerzijde zag ik krasschade, vrijwel zeker als gevolg van het glijden over de rijbaan;
aan de voorzijde was het rechter glas (plastic) van het koplicht weg, alsmede het glas van de linker richtingaanwijzer.
Camerabeelden
Er werden mij videobeelden ter beschikking gesteld. Op de videobeelden is het volgende te zien. Er passeren 2 personenautos. Aan de linkerzijde, bij de aansluiting van de zijweg, staat een op een scooter gelijkend voertuig stil met daarop een persoon. Na een aantal frames is de (na later bleek) motor, zichtbaar. Kort volgend op deze motor is een tweede (vermoedelijk) scooter, zichtbaar. Min of meer gelijktijdig is zichtbaar dat de scooterbestuurder die op de zijweg stilstond, oprijdt. Zowel de oprijdende bestuurder die vanaf de zijweg kwam als de bestuurder van de motor rijden kennelijk zonder af te remmen door. Wederom enkele frames later botst de motor met de voorzijde tegen de zijkant en/of achterzijde van het van links komende voertuig (de rechtbank begrijpt: de scooter).
Oorzaak en toedracht
Na passeren van de 2 autos reed de bestuurder (de rechtbank begrijpt: van de scooter) de kruising op en verleende hierbij geen voorrang aan de van rechts komende bestuurder van de motor. Als gevolg hiervan botste de bestuurder van de motor met zijn voertuig tegen de achter en/of zijkant van voertuig 1 (de rechtbank begrijpt: de scooter). Kort voor het
ongeval reed de bestuurder van de motor circa 64 km/u. Als gevolg van het ongeval kwamen beide bestuurders met hun voertuigen ten val. Hierbij raakte de bestuurder van de motor gewond. De bestuurder van het andere voertuig verliet de plaats van het ongeval zonder zijn identiteit bekend te maken.
4. Een opname van beeld en geluid, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden met bestandsnaam [bestandsnaam] , inhoudende:
Te zien is dat er eerst autos voorbij rijden en dat direct (daarna op) scooters (gelijkende voertuigen) met een redelijke snelheid er achter aan komen.
Partiële vrijspraak feit 1 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte geen roekeloosheid opleveren, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
Bewijsoverweging feit 1 primair Juridisch kader
Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van dit wetsartikel. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Een enkel moment van onoplettendheid is in het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet alleen uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar ook uit gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt.
Daarnaast is het zo dat niet al uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van een dergelijke mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Toepassing juridisch kader op de zaak
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte was op een scooter naar een zijweg gereden en stond daar vervolgens stil om naar een straatrace op de doorgaande weg te kijken. Verdachte mocht niet op een scooter rijden, want hij heeft geen rijbewijs. Toen de racende autos hem passeerden, wilde verdachte erachteraan. Hij heeft om zich heen gekeken en [slachtoffer] op de motor ook gezien. Volgens verdachte stond [slachtoffer] op dat moment stil. De rechtbank concludeert echter op basis van de camerabeelden en de berekende snelheid waarmee [slachtoffer] vlak voor de botsing reed, dat [slachtoffer] niet stilstond op het moment dat verdachte om zich heen keek. [slachtoffer] zat op zijn motor kort achter de racende autos, die verdachte, op het moment dat verdachte om zich heen keek, al waren gepasseerd. Verdachte stond op een plek waar hij overzicht over de verkeerssituatie had. Hij heeft dus gezien, of had moeten en kunnen zien, dat [slachtoffer] op de motor en de andere personen op de scooters in beweging waren, kort achter de racende autos zaten en al op snelheid waren. Voor verdachte was geen ruimte om de doorgaande weg op te rijden, achter de autos aan. Door toch de doorgaande weg op te rijden, terwijl daarvoor geen ruimte was, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zijn aandacht onvoldoende gericht en gericht gehouden op de overige weggebruikers die hij voorrang moest verlenen. Verdachte is op de scooter achter de autos aangegaan en vrijwel direct daarna botste [slachtoffer] op de motor van achter tegen verdachte op de scooter aan. Door het oprijden van verdachte kon [slachtoffer] geen kant meer op en kon hij niet anders dan tegen verdachte aanbotsen.
Verdachte heeft daarmee meerdere verkeersregels overtreden, namelijk 1) rijden zonder rijbewijs, 2) zijn aandacht onvoldoende richten en gericht houden op de overige weggebruikers en 3) geen voorrang verlenen. Daarbij speelt mee dat dit is gebeurd in een setting van een straatrace/scootermeeting. De rechtbank is van oordeel dat tijdens een straatrace/scootermeeting extra oplettendheid en voorzichtigheid nodig is, omdat te verwachten is dat personen op of in andere voertuigen hard rijden en/of zich onvoorspelbaar gedragen. Ook speelt hierin een grote rol dat verdachte geen (enkel) rijbewijs heeft. Hij heeft nog niet aantoonbaar geleerd over de geldende verkeersregels, hoe een scooter moet worden bestuurd en hoe een verkeerssituatie moet worden ingeschat.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de verkeersovertredingen en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, maken dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. Dit betekent dat de rechtbank schuld bewezen vindt als bedoeld in artikel 6 WVW.
Voor zover er al sprake is geweest van eigen schuld of medeschuld van het slachtoffer door te hard te rijden, merkt de rechtbank op dat dit de schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 23 februari 2025 te Sumar, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (scooter), daarmede rijdende over de weg, de Solcamastraat ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij wist dat er een straatrace gaande was,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met [slachtoffer] , die deelnam aan eerder genoemde straatrace, waardoor bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan;
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Sumar op de Solcamastraat op 23 februari 2025, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en schade was toegebracht;
hij op 23 februari 2025 te Sumar, als bestuurder van een motorrijtuig (scooter) heeft gereden op de weg, de Solcamastraat , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
1. primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
en
3. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
en
2. overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de
Wegenverkeerswet 1994 en
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk ten aanzien van feit 1 primair en feit 3.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsook een ontzegging van de rijbevoegdheid (hierna: rijontzegging) van 1 jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het volgende strafmaatverweer gevoerd. Allereerst heeft de raadsvrouw gewezen op het advies van de Raad, te weten een deels voorwaardelijke werkstraf. Daarbij heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de moeder van verdachte duidelijk heeft aangegeven dat bijzondere voorwaarden niet nodig zijn, omdat er een stabiel netwerk vanuit de familie is. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen eerdere veroordelingen zijn, die kunnen meewegen in deze zaak. Tot slot is verdachte schuldbewust en staat hij open voor mediation.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad d.d. 21 juli 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De toen 16-jarige verdachte heeft zich op 23 februari 2025 zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Verdachte zat op een scooter en stond op een zijweg stil om te kijken bij een straatrace/scootermeeting die op de openbare weg gaande was. De scooter waarop verdachte zat, was van een vriend. Verdachte heeft zelf geen scooterrijbewijs. Toen de autos hem passeerden, wilde verdachte erachteraan. Hij heeft onvoldoende aandacht gehad voor de andere weggebruikers, die hij voorrang moest verlenen, en is achter de autos aangereden. Het slachtoffer, die op een motor kort achter de autos en met een hoge snelheid reed, is toen vrijwel direct achterop verdachte gebotst. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze botsing zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte is na de botsing in paniek geraakt en heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten.
Als gevolg van het ongeval is aan het slachtoffer pijn, ernstig letsel en schade toegebracht. Het slachtoffer heeft twee weken in kunstmatige coma gelegen en het was niet duidelijk hoe hij daaruit zou komen. Dit moet voor het slachtoffer en zijn naasten een vreselijke en onzekere periode zijn geweest. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de veiligheid van anderen zo in gevaar heeft gebracht. Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij al een tijd niet meer naar school gaat, maar in september 2026 wel aan een opleiding wil beginnen. Hij is van plan om een bijbaan te zoeken en het autorijbewijs te gaan halen. Hij staat open voor mediation met het slachtoffer.
De Raad heeft, zakelijk weergegeven, geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden. Volgens de Raad lukt het verdachte en zijn moeder niet zelfstandig om aan de zorgen over onder andere school, werk en relaties te werken en is daarbij hulp van de jeugdreclassering nodig. Voor oplegging van jeugddetentie ziet de Raad geen meerwaarde.
Straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank allereerst gelet op de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak had moeten worden berecht. Verder heeft de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de houding van verdachte, dat hij openstaat voor mediation. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij na het onderhavige feit opnieuw heeft gereden zonder rijbewijs, waarvoor hij een geldboete heeft gekregen.
De rechtbank is van oordeel dat jeugddetentie, zoals geëist door de officier van justitie, in dit geval niet passend is. Ook de Raad ziet daarin geen pedagogische meerwaarde.
Gelet op het voorgaande, en kijkend naar uitspraken in vergelijkbare zaken, vindt de rechtbank een werkstraf van 80 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk en een rijontzegging van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Met deze straf ondervindt verdachte op dit moment de consequenties van zijn handelen en heeft hij een stok achter de deur om geen strafbare feiten meer te plegen. Met het volgen van autorijlessen voor het behalen van het autorijbewijs, kan verdachte dus nog niet beginnen.
In het opleggen van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd en geëist door de officier van justitie, ziet de rechtbank geen meerwaarde, omdat duidelijk is dat verdachte daaraan niet zal meewerken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 55, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren.
Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast,
indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.
Ten aanzien van feit 1 voorts:
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 6 maanden.
Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 3 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. de Jong en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2026.
Mr. M.B.W. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.