RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2522
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (derde-partij).
[naam 3] , [naam 4] en [naam 5] )
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het vellen van een berk aan de [straat] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Derde-partij heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het vellen van een berk aan de [straat] in [plaats] . Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 30 juli 2026 verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening een belangrijke rol of er sprake is van ‘onverwijlde spoed’; of het gezien de betrokken belangen nodig is om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het gevolg van het kappen van een boom onomkeerbaar is. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Standpunten van partijen
4. Het college heeft blijkens het bestreden besluit aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat uit het boomtechnisch nader onderzoek van 20 juli 2026 blijkt dat de boom door het uitvoeren van niet toegestane werkzaamheden instabiel is geworden. De wortelschade is onherstelbaar. Gelet op de instabiliteit dient het verwijderingsbelang te prevaleren boven de waarde van de boom. Het college heeft wel een herplantplicht voor één boom met een stamomtrek van 55-60 centimeter, gemeten op 1 meter boven het maaiveld, opgelegd. Verder heeft het college derde-partij opgedragen de andere in de buurt staande bomen welke bedreigd worden door de uitvoering van bouwwerkzaamheden deugdelijk te beschermen volgens het boombeschermingsplan van 17 februari 2026 en de aanvullingen van 20 juli 2026.
5. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Hij heeft het rapport van de deskundige niet gezien dus kan deze ook niet controleren. Daarbij is een second opinion noodzakelijk ten aanzien van de vraag of de boom daadwerkelijk niet meer behouden kan worden. Ook zou vóór de kap de toedracht van de schade onderzocht moeten worden omdat met de kap belangrijk bewijsmateriaal verloren gaat. Niet gebleken is dat gedurende de periode dat nader onderzoek plaatsvindt niet minder ingrijpende veiligheidsmaatregelen beschikbaar zijn.
Volgens verzoeker is de boom beeldbepalend voor het aanzicht van de wijk. Het behoud van de boom is van groot belang vanwege zijn unieke herkenbaarheid. Vanwege zijn formaat, omvang, leeftijd en plaatsgevonden historie is de boom niet te vervangen door een andere boom.
Verzoeker stelt verder dat het college de belangen niet voldoende heeft afgewogen.
Het college heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het behoud van de boom en het belang van onafhankelijk onderzoek, terwijl de boom op een braakliggend en afgesloten bouwterrein waar geen activiteiten plaatsvinden en er veiligheidsmaatregelen kunnen worden toegepast. Er is daarom geen haast om de boom te kappen.
Het college heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat het besluit is genomen naar aanleiding van een onderzoek door en advies van een European Tree Technician (ETT), welke vervolgens is beoordeeld door de European Tree Manager (ETM) van de gemeente . Vervolgens is de vergunning aangevraagd, welke vervolgens door de eigen boomveiligheidsadviseur is beoordeeld. De bevindingen van de deskundigen zijn echter door tijdsdruk niet schriftelijk vastgelegd. Het college heeft bij het verweerschrift alsnog de op 6 augustus 2026 op schrift gestelde bevindingen van [deskundige] overgelegd.
In reactie op het verweerschrift heeft verzoeker aangegeven de bevindingen van de deskundigen, dat de boom onherstelbaar beschadigd is en niet langer behouden kan blijven, niet meer te betwisten. Volgens verzoeker neemt de nadere motivering in het verweerschrift echter de gebreken in het besluit niet volledig weg. Nog steeds is niet duidelijk waarom onmiddellijke kap noodzakelijk is, terwijl de locatie is afgeschermd en tijdelijke stabilisatie- en risicobeperkende maatregelen zijn getroffen. Ook ontbreekt een deugdelijke motivering waarom geen andere ingrepen of vormen van behoud mogelijk zijn. De ecologische waarde van de boom is onvoldoende betrokken. Niet duidelijk en gemotiveerd is waarom de stam van de boom niet kan blijven staan vanwege de waarde voor de natuur, als zogenaamde ‘spechtboom’, zoals het college dit ook volgens zijn eigen beleid nastreeft. Verzoeker vreest verder dat de andere twee bomen die vlakbij de te kappen boom staan als gevolg van het kappen van de boom schade ondervinden.
Toetsingskader
6. In deze zaak is de Omgevingswet van toepassing. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 4:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG) is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden. Het toetsingskader voor een vergunning voor het vellen van houtopstanden is opgenomen in artikel 4:11 van de APVG.
Op grond van artikel 4:11 van de APVG verleent het college in beginsel vergunningen alleen na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal een van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen” (uitgewerkt in de beleidsregels).
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022 (hierna: de beleidsregels) toetst het college een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand.
Op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels wordt bij het criterium “Kwaliteit” onder meer getoetst aan de aspecten Goed, > 15 jaar; Voldoende, tussen de 10-15 jaar; Matig, tussen de 5-10 jaar; Slecht, < 5 jaar.
Kon het college de omgevingsvergunning in redelijkheid verlenen?
7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdelingvolgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies van de door hem geraadpleegde deskundige afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
In het rapport van [deskundige] van 6 augustus 2026 is overwogen dat schade aan de boom is ontstaan als gevolg van de uitgevoerde werkzaamheden op het terrein. Deze zijn van dusdanige omvang dat de boom niet te behouden is. Het percentage wortelverlies bedraagt 50 à 60%. Conform de richtlijnen van de NVTB is de boom daardoor onherstelbaar beschadigd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de conclusies is het advies om de boom te kappen. Tot kap dient de boom veilig gesteld te worden. Dit kan door snoei of het plaatsen van een juk rondom de boom.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college blijkens het bestreden besluit heeft getoetst aan de relevante bepalingen uit de APVG en de beleidsregels, maar het besluit is niet nader onderbouwd met een deskundigenrapport. Eerst naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college de bevindingen van de deskundige op schrift laten stellen. Dit gebrek in het primaire besluit kan echter bij het besluit op bezwaar worden hersteld. Hiertoe is van belang dat het college met het alsnog op schrift laten zetten van de bevindingen van de deskundige voldoende heeft onderbouwd dat de boom onherstelbaar beschadigd is en niet meer behouden kan blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de deskundige. Ook verzoeker heeft in zijn nadere reactie op het verweerschrift en ter zitting aangegeven niet meer te betwisten dat de boom door wortelverlies van meer dan 40% onherstelbaar is beschadigd en niet meer behouden kan blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de boom hangende de bezwaarprocedure zou moeten blijven staan om nader onderzoek te kunnen doen. Nu geen aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan het deskundigenonderzoek heeft een aanvullend onderzoek geen toegevoegde waarde, terwijl de boom wel instabiel is en daarmee risico’s meebrengt voor de omgeving. In dat verband is ter zitting namens het college aangegeven dat de werkzaamheden na het weekend weer worden opgepakt zodat er mensen in de omgeving van de boom aanwezig zullen zijn. Verder is ter zitting aangegeven dat de boom aan de openbare weg grenst.
Nader onderzoek naar de toedracht van de beschadigingen is bovendien voor het oordeel over de omgevingsvergunning voor het vellen van de boom niet relevant. Voor onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de kap voor de naastgelegen bomen bestaat evenmin aanleiding, nu de kapvergunning enkel betrekking heeft op de kap van de berk. In dit verband is van belang dat het college wel een boombeschermingsplan heeft opgesteld.
Aan verzoeker moet ook worden toegegeven dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat is getoetst aan het op internet vermelde “Bomenbeleid”, waarin is vermeld dat wordt bekeken of het mogelijk is om bijvoorbeeld de stam van de boom te laten staan. Anders dan namens het college ter zitting heeft gesteld, is dit gemeentelijk beleid dat het college bij de (motivering van de) besluitvorming dient te betrekken. Ter zitting is echter door derde-partij aangegeven dat wel degelijk zal worden getracht om zoveel mogelijk van de boom te behouden; door het kandelaberen van de boom zal die wel (fors) worden teruggesnoeid tot een niveau dat windvang geen gevaar meer zal opleveren. Ook hier is echter een omgevingsvergunning voor het vellen van de boom voor vereist.
8. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit, zoals door het college nader gemotiveerd en onderbouwd in het verweerschrift, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtmatig te achten. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Nu het college het bestreden besluit echter eerst naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat aan verzoeker het griffierecht moet worden terugbetaald. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn reiskosten. Daarnaast heeft verzoeker recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De reiskostenvergoeding bedraagt € 14,11.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG)
Artikel 4:8, aanhef en onder a:
In deze afdeling wordt verstaan onder boom: Een houtachtig, overblijvend gewas. Deze is vergunningplichtig indien de boom een dwarsdoorsnede van de stam heeft van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
Artikel 4.9:
3. Het verbod geldt verder niet voor:
4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
5. Het college kan beleidsregels vaststellen ter zake van het opleggen van een herplantplicht en het geheel of gedeeltelijk omzetten van de herplantplicht in een financiële compensatie.
6. In geval een herplantplicht is opgelegd als bedoeld in het vierde lid, kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn en op welke wijze een niet geslaagde herplanting moet worden overgedaan.
7. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.
Artikel 4:11:
Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022
Artikel 2:
a. onderdeel van de groenstructuur;
b. leefbaarheid;
c. esthetische waarde;
d. monumentale c.q. cultuurhistorische waarde;
e. potentieel monumentale houtopstand;
f. zeldzaamheid (dendrologische waarde);
3. Het college toetst voor het criterium ‘kwaliteit’ (levensverwachting) de volgende aspecten:
(…..)
Artikel 4, eerste lid, aanhef:
1. Het college legt voor iedere gevelde houtopstand een herplantplicht voor een nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving (binnen 500 meter3) tenzij: (…..)