[naam 1 uit woonplaats]
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de korpschef van politie
(gemachtigde: mr. M. van Breenen)
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] hangende het beroep gericht tegen de weigering van de erkenning als bedoeld in artikel 17 van de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg). Het verzoek is ingeschreven onder zaaknummer LEE 26/2160.
Bij besluit op bezwaar van 13 april 2026 heeft de korpschef aan [naam 1] medegedeeld dat zijn bezwaar van 4 november 2025 ongegrond is verklaard. Het besluit van 25 september [2025] waar dat bezwaar tegen was gericht, is gehandhaafd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , zijn gemachtigde en de korpschef, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Omdat de voorzieningenrechter tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van [naam 1] (LEE 26/1827). Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot de beslissing is gekomen.
De voorzieningenrechter is overtuigd van de aanwezigheid van een spoedeisend belang. Gelet op de informatie die door [bedrijf] B.V. is verstrekt is aannemelijk dat dat bedrijf het dienstverband met [naam 1] zal heroverwegen, omdat de werkzaamheden waarvoor de erkenning is vereist een substantieel deel van zijn takenpakket vormen. Die werkzaamheden kan [naam 1] zonder de erkenning niet verrichten. Niet is uitgesloten dat die heroverweging zal leiden tot het einde van het dienstverband van [naam 1] .
Artikel 18, eerste lid, van de Wecg bepaalt dat een erkenning als bedoeld in artikel 17 dient te worden aangevraagd bij de korpschef. In het tweede lid is bepaald dat de korpschef bevoegd is tot het verlenen en intrekken van een erkenning, alsmede tot het verlengen van de geldigheidsduur daarvan. Het derde lid bepaalt dat, met betrekking tot het eerste en tweede lid de Minister van Economische Zaken [en Klimaat] in de plaats treedt van de korpschef voor zover het een erkenning betreft in het kader van activiteiten waarop de Mijnbouwwet van toepassing is.
Onder de gedingstukken bevinden zich twee aanvragen. De eerste aanvraag is digitaal ingevuld en ondertekend namens [bedrijf] B.V. op 12 februari 2025 en door [naam 1] op 3 februari 2025. De tweede aanvraag is met de hand ingevuld en ondertekend namens [bedrijf] B.V. op 2 april 2025 en door [naam 1] op 14 februari 2025.
Uit beide aanvragen blijkt dat het een erkenning betreft in het kader van activiteiten waarop de Mijnbouwwet van toepassing is. In artikel 44 van de Mijnbouwwet is geregeld hoe een mijnbouwwerk buiten werking wordt gesteld. In artikel 49, vijfde lid van die wet is geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld die mede betrekking hebben op het buiten gebruik stellen van een boorgat dan wel het buiten werking stellen, het verwijderen, het achterlaten of het hergebruiken van mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen.
Uit de eerste aanvraag is de volgende informatie afkomstig.
Uit de tweede aanvraag is de volgende informatie afkomstig.
Gelet op artikel 18, derde lid, van de Wecg had de minister van Economische Zaken en Klimaat in de plaats van de korpschef moeten treden. Daaruit volgt dat de korpschef niet-bevoegd is of is geweest om op die aanvragen te beslissen. Hij had daarom de aanvragen moeten doorzenden aan de minister op grond van artikel 2:3, eerste lid van de Awb.
4. Omdat een voorlopige voorziening is getroffen moet de korpschef het griffierecht voor het verzoek en het beroep aan [naam 1] vergoeden. De griffier heeft een griffierecht van € 200,– geheven voor het verzoek en een griffierecht geheven voor het beroep van € 200,–.
5. Ten aanzien van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand veroordeelt de voorzieningenrechter de korpschef in betaling van een forfaitaire proceskostenvergoeding.
Die kosten worden voor de voorlopige voorziening vastgesteld op € 1.868,– (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,– en wegingsfactor 1).
Die kosten worden voor het beroep vastgesteld op € 934,– (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,– en wegingsfactor 1).
Daarnaast heeft [naam 1] verzocht om € 33,– voor reiskosten. Een bewijsstuk voor die kosten is overgelegd. De kosten van de reis tussen Leeuwarden en Groningen per openbaar middel van vervoer, tweede klasse zijn € 16,50 voor een enkele reis. Daarom komt € 33,– voor vergoeding in aanmerking.
6. Partijen zijn voorgelicht over de rechtsmiddelen die openstaan.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026 door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tenzij hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ambtshalve of op verzoek, de ambtshalve getroffen voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.