ECLI:NL:RBNNE:2026:3717

ECLI:NL:RBNNE:2026:3717

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer C/18/123456
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Kinderbeschermingsmaatregelen naar aanleiding van zorgen of de veiligheid van kinderen in een gezinshuis De rechtbank publiceert samenhangende beschikkingen (ECLI:NL:RBNNE:2026:3695, ECLI:NL:RBNNE:2026:3718 en ECLI:NL:RBNNE:2026:3717) over de kinderen van gezinshuisouders en over kinderen die in het gezinshuis waren geplaatst. Aanleiding zijn ernstige zorgen over de veiligheid en het functioneren van het gezinshuis. Die zorgen zijn ontstaan nadat de gezinshuisvader in 2026 is veroordeeld wegens een ernstig zedendelict tegen een minderjarige en recent een ander meerderjarig lid van het gezin is aangehouden op verdenking van een of meer ernstige zedendelicten waarbij minderjarigen betrokken zouden zijn. De beschikkingen zien enerzijds op de kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen die tot het gezin van de gezinshuisouders behoren. Anderzijds betreffen zij verzoeken om de verblijfplaats van in het gezinshuis geplaatste kinderen te wijzigen. In de laatstbedoelde beschikking licht de kinderrechter onder meer toe waarom de gezinshuisouders in die procedure niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en waarom een uitplaatsing uit het gezinshuis onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Groningen

Zaaknummer: C/18/260854/ JE RK 26-1614

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot wijziging in het verblijf

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

die is gevestigd in Amsterdam,

en die hierna "de GI" wordt genoemd.

die betrekking heeft op

[De minderjarige 1] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2014 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 1] " wordt genoemd, en

[De minderjarige 2] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2020 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 2] " wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[Naam van de moeder] ,

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna "de moeder" wordt genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Deze procedure is ingeleid met een mondeling verzoek van de GI op 28 augustus 2026, waarbij de GI aan de kinderrechter heeft verzocht om ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een machtiging te verlenen om hun verblijfplaats te wijzigen. De GI heeft verzocht om het verzoek zonder voorafgaande mondelinge behandeling toe te wijzen.

De kinderrechter heeft direct het verzoek van de GI mondeling toegewezen.

Op 28 augustus 2026 heeft de rechtbank tevens het schriftelijke verzoek van de GI ontvangen.

Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.

2. De beoordeling

Overwegingen ten aanzien van het verzoek

De kinderrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het huidige gezinshuis, gelet op de daar bestaande omstandigheden, nog in voldoende mate een veilige, stabiele en voor de minderjarigen beschermende opvoedomgeving biedt. Daarbij is van belang dat de zorgen daarover niet uitsluitend betrekking hebben op afzonderlijke gebeurtenissen, maar ook op de draagkracht, beschikbaarheid en het functioneren van de gezinshuismoeder in een uitzonderlijk complexe gezins- en zorgcontext.

De gezinshuisvader is wegens zedendelicten met een kind veroordeeld tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Die veroordeling vormt, mede gelet op de aard van de feiten en de ernst daarvan, een zwaarwegende omstandigheid bij de beoordeling van de veiligheid binnen het gezinshuis. De veroordeling raakt niet alleen aan de vraag naar de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen die in het gezinshuis verblijven, maar ook aan de vraag of zij daar vrijuit kunnen spreken over hun ervaringen, zorgen en gevoelens. Daarbij weegt mee dat de gezinshuisvader, ondanks zijn detentie, nog altijd betekenis heeft binnen het gezinsverband en dat de gevolgen van zijn handelen en de strafrechtelijke procedure doorwerken in het dagelijks functioneren van het gezinshuis.

Tegen deze achtergrond is sprake van een ingrijpend verstoorde en emotioneel belaste gezinscontext. Van de gezinshuismoeder wordt verwacht dat zij, ondanks de persoonlijke, relationele en praktische gevolgen van de veroordeling van de gezinshuisvader, de kinderen in het gezinshuis onvoorwaardelijk veiligheid, rust, voorspelbaarheid en steun biedt. Tevens dient zij ieder kind afzonderlijk de ruimte te geven om zonder druk, loyaliteitsconflict of vrees voor gevolgen te spreken met de politie, de GI, de Raad en andere hulpverleners. Hoewel eerder bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hierover een positieve verwachting uitsprak, moet de kinderrechter op grond van de op dit moment beschikbare informatie onvoldoende vertrouwen dat de gezinshuismoeder in de huidige omstandigheden die beschermende en onafhankelijke positie steeds en voor ieder van de minderjarigen in voldoende mate kan innemen. Dit hangt samen met de opgekomen verdenking naar aanleiding van uitingen van kinderen, dat ook een ander gezinslid zich schuldig heeft gemaakt aan zedendelicten met kinderen.

Dat oordeel over de gezinshuismoeder houdt niet in dat de gezinshuismoeder reeds verantwoordelijk wordt gehouden voor de door de gezinshuisvader of een ander gezinslid (mogelijk) gepleegde zedendelicten of dat thans definitief wordt vastgesteld dat zij haar eigen of geplaatste kinderen niet passend verzorgt. Wel brengt de veroordeling van de gezinshuisvader en de verklaringen van kinderen ten aanzien van een ander gezinslid, en de daarmee samenhangende belasting mee dat de gezinshuismoeder in haar dubbele positie van partner, ouder/verzorger en gezinshuisouder kan worden geconfronteerd met ernstige spanningen en tegenstrijdige belangen. Zij kan worden belast door de gevolgen van de detentie van de gezinshuisvader en inmiddels het andere gezinslid, de strafrechtelijke veroordeling van de gezinshuisvader, eventuele contacten met de gezinshuisvader, de gevolgen voor andere gezinsleden en de continuïteit van het gezinshuis als voorziening. Deze omstandigheden kunnen haar feitelijke en emotionele beschikbaarheid voor de minderjarigen beperken.

De betrokkenheid van het andere gezinslid brengt met zich dat de zorgen over de veiligheid niet beperkt zijn tot een verleden waarvan de gevolgen inmiddels beheersbaar zouden zijn, maar bestaat aanleiding om te onderzoeken in hoeverre de huidige gezins- en leefomgeving van de minderjarigen voldoende veilig en beschermend is. De betrokkenheid van dit gezinslid kan voor de minderjarigen de drempel verhogen om openlijk te spreken, onder meer omdat zij zich afhankelijk kunnen voelen van personen met wie zij samenleven of van wie zij emotioneel en voor hun verzorging afhankelijk zijn. Ook kan dit de gezinshuismoeder voor de opgave stellen om tegelijkertijd verschillende gezinsleden te steunen, te beschermen en te begeleiden, terwijl zij juist beschikbaar moet zijn voor de kinderen die mogelijk slachtoffer zijn, zich onveilig voelen of behoefte hebben aan bescherming en onderzoek.

De combinatie van de veroordeling van de gezinshuisvader, de actuele betrokkenheid van een ander gezinslid en de nieuwe signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag maakt dat de gezinshuismoeder thans voor een veelheid aan ingrijpende en mogelijk botsende verantwoordelijkheden staat. Zij moet zich mogelijk verhouden tot de belangen van haar partner, het betrokken gezinslid, eventuele andere inwonende kinderen en de kinderen die in het gezinshuis zijn geplaatst. Juist in een situatie waarin minderjarigen mogelijk bescherming nodig hebben tegen personen binnen of nauw verbonden met hun directe leefomgeving, moet buiten iedere twijfel staan dat hun veiligheid, hun mogelijkheid tot vrijuit spreken en hun individuele hulpbehoefte zonder voorbehoud vooropstaan. De kinderrechter kan op dit moment onvoldoende vaststellen dat dit binnen het gezinshuis met de noodzakelijke onafhankelijkheid en continuïteit is gewaarborgd.

De kinderrechter acht bovendien van belang dat professionele gezinshuiszorg veronderstelt dat de gezinshuisouder voldoende beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging, opvoeding, emotionele afstemming en begeleiding van de aan zijn of haar toevertrouwde kinderen. Die beschikbaarheid betreft niet alleen de feitelijke aanwezigheid, maar ook de emotionele draagkracht en de mogelijkheid om sensitief en responsief te reageren op signalen van angst, trauma, onveiligheid en loyaliteitsproblematiek. In de huidige omstandigheden bestaat een reëel risico dat de gezinshuismoeder onvoldoende ruimte heeft om aan deze vereisten te voldoen.

Er zijn in dit verband wel zorgen over het functioneren van de gezinshuismoeder, doordat in het algemeen minderjarigen hebben verklaard dat zij zich al langere tijd onveilig voelen en uitsluitend met de politie willen spreken wanneer zij niet naar de huidige leefomgeving behoeven terug te keren. Deze verklaringen vormen een belangrijk signaal dat minderjarigen het gezinshuis niet ervaren als een plaats van waaruit zij vrijelijk en zonder mogelijke beïnvloeding hun verhaal kunnen doen. Dat dit mogelijk samenhangt met de aan de veroordeling van de gezinshuisvader verbonden gezinsdynamiek, de betrokkenheid van een ander gezinslid en de positie van de gezinshuismoeder, behoeft nader onderzoek. Vooruitlopend daarop is een situatie nodig waarin minderjarigen niet afhankelijk zijn van de betrokken gezinscontext van de gezinshuismoeder.

De kinderrechter onderkent dat een overplaatsing voor de minderjarigen belastend kan zijn. Zij kan leiden tot een nieuwe breuk in hun leefomgeving, hun dagelijkse routines en relaties met bekende opvoeders. Het belang van continuïteit van zorg vormt daarom een zwaarwegend uitgangspunt. In de onderhavige situatie betekent continuïteit echter niet dat het verblijf in precies dezelfde woonvoorziening onder alle omstandigheden moet worden voortgezet. Continuïteit vereist bovenal dat de minderjarigen kunnen rekenen op stabiele, beschikbare, veilige en emotioneel betrouwbare volwassenen, op een voorspelbare dagstructuur en op een hulpverleningsaanbod dat zonder belemmering kan worden uitgevoerd.

Daarom heeft de kinderrechter direct advies ingewonnen bij de Raad voor de Kinderbescherming, die op dit moment bezig is met een onderzoek ten aanzien van de nu over te plaatsen kinderen. De onderzoeker van de Raad bevestigt de zorgen van de GI en heeft daaraan toegevoegd dat de door de GI voorgenomen overplaatsingen aansluiten bij de persoonlijke problematiek van de kinderen en in het bijzonder wat ieder van hen nodig heeft voor een zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling. Uit de informatie van de Raad blijkt verder dat de moeder van de kinderen al langere tijd, vanaf de veroordeling van de gezinshuisvader, zich verzet tegen de plaatsing van de kinderen in dit specifieke gezinshuis en de GI mede daarom ook al langere tijd zocht naar geschikte plaatsingsmogelijkheden.

Het zijn tezamen genomen feiten en omstandigheden die leiden tot de slotsom dat voortzetting van het verblijf in het huidige gezinshuis de noodzakelijke continuïteit en veiligheid op dit moment onvoldoende biedt. De zorgen rondom de gezinshuisvader en het andere betrokken gezinslid, alsmede de daarmee samenhangende belasting van de gezinshuismoeder, kunnen ertoe leiden dat de dagelijkse zorg en opvoeding onder druk komen te staan. Ook bestaat het risico dat de noodzakelijke gesprekken, observaties en interventies niet vrij, onafhankelijk en zonder verstorende gezinsdynamiek kunnen plaatsvinden. Een fysieke voortzetting van het verblijf kan dan juist leiden tot discontinuïteit in de voor de minderjarigen essentiële zorg: bescherming, emotionele beschikbaarheid, traumagerichte ondersteuning en ruimte voor waarheidsvinding.

Een door de GI voorgenomen plaatsing in samenhang met het daarop gerichte positieve advies van de Raad, stelt de GI in staat om de noodzakelijke zorg voort te zetten onder omstandigheden waarin de minderjarigen niet voortdurend worden geconfronteerd met de belastende gezinscontext.

De kinderrechter acht het, gelet op het voorgaande, niet verantwoord om de kinderen in het gezinshuis te laten verblijven totdat nader onderzoek volledig is afgerond of alle betrokkenen zijn gehoord. De nieuwe signalen, de verklaringen van minderjarigen, de veroordeling van de gezinshuisvader en de betrokkenheid van een ander gezinslid, brengen mee dat de veiligheid, emotionele stabiliteit onmiddellijk bescherming behoeven.

Minder ingrijpende maatregelen zijn op dit moment onvoldoende. Afspraken binnen het gezinshuis, intensivering van ambulante begeleiding of toezicht door de GI nemen niet weg dat de minderjarigen zich bevinden in een voor hen belaste gezinscontext en afhankelijk blijven van de gezinshuismoeder, wier beschikbaarheid en beschermende mogelijkheden juist onderwerp van zorg en nader onderzoek zijn. Een vrijwillig verblijf buiten het gezinshuis biedt evenmin voldoende bestendigheid, omdat daarmee niet met voldoende zekerheid kan worden voorkomen dat de plaatsing voortijdig eindigt of dat er druk ontstaat om naar het gezinshuis terug te keren.

De spoedmachtiging en de daarbij behorende bevoegdheid van de GI om een passende vervolgplek te bepalen, zijn daarom noodzakelijk, proportioneel en subsidiair. Daarmee kan de GI onmiddellijk een voor de minderjarigen veilige, neutrale en afgeschermde verblijfplaats realiseren, de zorg continueren en de ruimte scheppen voor zorgvuldig onderzoek.

De spoedvoorziening berust op de thans beschikbare, voorlopige informatie en loopt niet vooruit op de definitieve beoordeling van de positie van de gezinshuismoeder, de kwaliteit van het gezinshuis of de vraag welke verblijfplaats op langere termijn het meest in het belang van de kinderen is.

Overwegingen ten aanzien van het verdere verloop van de procedure

De nu te nemen beslissing treft een spoedbeslissing. De wet maakt dat mogelijk op grond van artikel 800, lid 3, jo. artikel 809, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn alsnog in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. Daarom wordt hierna een datum en tijd bepaald waarop de zaak mondeling wordt behandeld. Voor die mondelinge behandeling zullen de GI, de moeder, en de Raad in zijn adviserende taak worden uitgenodigd. De kinderrechter zal tevens [de minderjarige 1] in de gelegenheid stellen om met de kinderrechter te spreken. De kinderrechter komt tot de conclusie dat naast de moeder er geen andere belanghebbenden zijn bij de behandeling en de beslissing. Ten aanzien van de positie die de gezinshuisouders innemen wordt in dit verband als volgt overwogen.

Een gezinshuisouder onderscheidt zich wezenlijk van een pleegouder en kan om die reden niet als belanghebbende worden aangemerkt in een procedure rond de plaatsing van een kind, terwijl een pleegouder dat onder omstandigheden, met name in het kader van het blokkaderecht, wel kan zijn.

De wetgever heeft het pleegouderschap vormgegeven als een specifieke, in het jeugdbeschermingsrecht verankerde zorgrelatie waarin een kind in het eigen gezin van de pleegouder wordt opgenomen en door de pleegouder wordt verzorgd en opgevoed als ware het zijn of haar eigen kind. Deze kwalificatie is niet louter beschrijvend, maar heeft directe juridische consequenties: zij vormt onder meer de basis voor het zogenoemde blokkaderecht, dat beoogt de continuïteit en stabiliteit van de feitelijke gezinsverhouding tussen pleegouder en kind te beschermen. De wetgever ziet de pleegouder als niet-professionele opvoeder in de privésfeer, waarbij het pleegkind feitelijk gelijk is aan een eigen kind binnen het gezinsverband.

Een gezinshuis daarentegen is een kleinschalige, maar nadrukkelijk professionele jeugdhulpvoorziening, geëxploiteerd in een ondernemingsvorm. De gezinshuisouder treedt niet primair op als particulier die zijn gezin openstelt, maar als beroepsmatige zorgverlener die tegen vergoeding en onder contractuele en kwaliteitsrechtelijke kaders zorg verleent aan, meestal meerdere, geplaatste kinderen. De relatie tussen gezinshuisouder en kind is daarmee ingebed in een zorgorganisatie, met een gestructureerde taak- en rolverdeling, toezicht en financiering. Ook wanneer het gezinshuis een gezinssituatie nastreeft, blijft het gezinshuis functioneren binnen het kader van professionele jeugdhulp en niet binnen de privésfeer van een particulier gezin.

Dit verschil in aard en functie van de plaatsing is beslissend voor de vraag naar het procesrechtelijke belang. De pleegouder die een kind langdurig als eigen kind verzorgt en opvoedt, bouwt een feitelijke gezinsrelatie op waarvan de wet de continuïteit expliciet beschermt, onder meer door hem in bepaalde procedures als belanghebbende aan te merken, bijvoorbeeld wanneer de beëindiging van de plaatsing aan de orde is. Het blokkaderecht is daarvan een uitdrukking: de pleegouder kan zich verzetten tegen wegneming van het kind uit deze door de wet beschermde gezinsrelatie.

Bij gezinshuisouders ontbreekt deze door de wet beveiligde gezinsrelatie in die zin. Hun positie is primair die van opdrachtnemer of werknemer binnen een jeugdhulpvoorziening, niet die van particulier opvoeder die het kind in de privésfeer als eigen kind opneemt. De band met het kind is daarmee, juridisch gezien, functioneel verbonden aan de uitvoering van een zorgopdracht en niet aan een door het recht als familie- of gezinsband beschermde relatie. Gelet op deze systematiek kan de gezinshuisouder niet worden aangemerkt als belanghebbende in procedures die de (voortzetting of beëindiging van de) plaatsing van het kind betreffen, zoals pleegouders dat wel kunnen wanneer het gaat om de bescherming van de door hen opgebouwde gezinsrelatie, met inbegrip van het blokkaderecht.

De kinderrechter komt op grond van de voorgaande overwegingen tot de conclusie dat gezinshuisouders in juridische zin niet dezelfde positie innemen als pleegouders, en dat zij bij beslissingen over de plaatsing en beëindiging van de plaatsing van het kind niet als belanghebbende in de zin van het procesrecht kunnen worden aangemerkt, terwijl pleegouders dat onder de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden wel zijn.

Slotsom

De kinderrechter verleent op de voet van artikel 800 lid 3 Rv in samenhang met artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek de verzochte spoedmachtiging, zodat de GI de minderjarigen kan overplaatsen naar een passende verblijfplaats. Deze beslissing is noodzakelijk om de minderjarigen onmiddellijk de benodigde veiligheid, rust en ruimte voor nader onderzoek te bieden.

De kinderrechter zal een datum en tijdstip bepalen waarop het verzoek alsnog mondeling wordt behandeld. De moeder zal als belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld haar standpunt over het verzoek en de getroffen maatregelen naar voren te brengen.

Gelet op haar persoonlijke omstandigheden kan de moeder desgewenst door middel van een beeldverbinding aan de mondelinge behandeling deelnemen. De kinderrechter verzoekt de jeugdbeschermer de moeder hierover te informeren en bij haar na te gaan of zij de behandeling fysiek wil bijwonen dan wel via een beeldverbinding wil deelnemen.

De kinderrechter beslist als volgt.

3. De beslissing

De kinderrechter:

machtigt de GI om de verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te wijzigen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt een mondelinge behandeling door mr. B.R. Tromp op vrijdag 4 september 2026 om 14:15 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, aan het Guyotplein 1 in Groningen;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep aan de GI, de moeder en de Raad om bij die mondelinge behandeling aanwezig te zijn;

gelast de griffie om een datum en tijdstip te bepalen waarop [de minderjarige 1] in de gelegenheid wordt gesteld om met de kinderrechter te spreken.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp (kinder)rechter, bijgestaan door M.C. Boskma LLM., griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.

Als u het niet eens met de beslissing die de kinderrechter heeft genomen met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing kunt u in hoger beroep. U kunt niet in hoger beroep tegen de beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling. Let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet meestal binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand