RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummer: C/18/260847 / JE RK 26-1613
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, die hierna "de Raad" wordt genoemd.
die betrekking heeft op
[De minderjarige 1] ,
die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2013 in [geboorteplaats] ,
en die hierna " [de minderjarige 1] " wordt genoemd, en
[De minderjarige 2] ,
die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2022 in [geboorteplaats] ,
en die hierna " [de minderjarige 2] " wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[Naam van de moeder] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "de moeder" wordt genoemd,
[Naam van de vader] ,
die verblijft in de PI in [plaatsnaam] ,
en die hierna "de vader" wordt genoemd,
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
die is gevestigd in Leeuwarden,
en die hierna "de GI" wordt genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Deze procedure is ingeleid met een mondeling verzoek van de Raad op 27 augustus 2026, waarbij de Raad aan de kinderrechter heeft verzocht om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI. De Raad heeft verzocht om het verzoek zonder voorafgaande mondelinge behandeling toe te wijzen.
De kinderrechter heeft op diezelfde datum het verzoek van de Raad mondeling toegewezen.
Op 28 augustus 2026 heeft de rechtbank het schriftelijke verzoek van de Raad ontvangen.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.
2. De beoordeling
De kinderrechter heeft het verzoek van de Raad toegewezen. Dat betekent dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht worden gesteld van de GI.
Deze beslissing wordt genomen vanwege het volgende.
Op grond van de beschikbare informatie komt de kinderrechter tot het oordeel dat de minderjaren ernstig en acuut in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat een onmiddellijke maatregel noodzakelijk is om hun veiligheid te waarborgen. Er zijn (nieuwe) signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen hun directe leefomgeving, waarvan niet kan worden uitgesloten dat de kinderen hier getuige dan wel slachtoffer van zijn (geweest). Daarnaast hebben de zussen van de minderjarigen verklaard dat zij zich al langere tijd onveilig voelen in de thuissituatie en dat zij zich onvoldoende gehoord, gesteund en beschermd voelen door de verzorgende ouder. Deze signalen wijzen niet alleen op een mogelijk concreet veiligheidsrisico, maar ook op een langdurige emotionele belasting en onvoldoende ervaren veiligheid binnen het gezin.
Daarnaast bestaan er zorgen over de vraag of de verzorgende ouder op dit moment voldoende in staat is om uitsluitend en onvoorwaardelijk aan te sluiten bij de veiligheids- en ontwikkelingsbehoeften van de minderjarigen. Binnen het gezin komen verschillende, mogelijk tegenstrijdige belangen samen, waaronder de bescherming van andere gezinsleden, het behoud van de bestaande gezinsstructuur en de voortzetting van gezamenlijke activiteiten of voorzieningen. Ook zijn eerder zorgen geuit over de ruimte die de minderjarigen binnen het gezin ervaren om met hulpverlenende instanties en de politie te spreken. Dit roept twijfel op of binnen een vrijwillig kader voldoende kan worden gewaarborgd dat de kinderen zonder druk, loyaliteitsconflict of beïnvloeding hun ervaringen kunnen delen en passende bescherming kunnen ontvangen.
De gezinscontext wordt verder belast door een eerdere strafrechtelijke veroordeling van een ouder wegens seksueel misbruik van een van de minderjarigen binnen het gezin, terwijl die ouder nog steeds een plaats inneemt in het gezinsleven. Dit vergroot de zorgen over de ruimte binnen het gezin voor de uiteenlopende ervaringen, emoties en beschermingsbehoeften van de kinderen.
De kinderrechter acht een voorlopige ondertoezichtstelling daarom noodzakelijk om onmiddellijk regie te kunnen voeren over de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarigen en inzet van passende hulpverlening.
Dit oordeel berust op de informatie die de kinderrechter op dit moment ter beschikking staat en is noodzakelijk gezien het spoedeisende karakter van de situatie. De ouders zijn nog niet in de gelegenheid gesteld hun visie op de feiten, de zorgen en de noodzaak van de verzochte maatregel aan de kinderrechter kenbaar te maken. De kinderrechter zal de ouders daarom zo spoedig mogelijk horen. Bij die gelegenheid kunnen de ouders hun standpunt naar voren brengen, waaronder hun visie op de veiligheid van de minderjarigen, hun beschermende mogelijkheden en de noodzaak, proportionaliteit en duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Ook [de minderjarige 1] zal, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid worden gesteld om met de kinderrechter te spreken.
De kinderrechter zal hierna een datum en tijdstip bepalen waarop de ouders in de gelegenheid worden gesteld hun standpunt kenbaar te maken. De kinderrechter gelast de griffie om een datum en tijdstip te bepalen waarop [de minderjarige 1] in de gelegenheid wordt gesteld om met de kinderrechter te spreken.
Eén en ander leidt er toe dat de volgende beslissing wordt genomen.
3. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd in Leeuwarden, met ingang van 27 augustus 2026 tot 27 november 2026;
bepaalt een mondelinge behandeling door mr. B.R. Tromp op vrijdag 4 september 2026 om 15:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, aan het Guyotplein 1 in Groningen;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep aan de Raad, de ouders en de GI om bij die mondelinge behandeling aanwezig te zijn;
gelast de griffie om een datum en tijdstip te bepalen waarop [de minderjarige 1] in de gelegenheid wordt gesteld om met de kinderrechter te spreken.
Deze uitspraak is mondeling gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, bijgestaan door M.C. Boskma LLM., griffier, op 27 augustus 2026. De schriftelijke uitwerking van de uitspraak in deze beschikking is vastgesteld en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.