ECLI:NL:RBNNE:2026:3720

ECLI:NL:RBNNE:2026:3720

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 18.112632.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling van een 28-jarige man voor (poging) gekwalificeerde opzetaanranding, meermalen gepleegd, en dwang. Verminderd toerekeningsvatbaar. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

5. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het over verdachte opgestelde Pro Justitia rapport van F. Harmanny-Wiersma, psychiater, van 3 juni 2026.

Uit dit onderzoek blijkt dat bij verdachte sprake is geweest van een langdurig sluimerend manisch-psychotisch toestandsbeeld, dat mogelijk samenhing met een onvoldoende behandelde hiv-infectie. Volgens de psychiater was ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake van een vrij bloeiend psychiatrisch beeld, waarbij verdachte onder meer seksueel ontremd was. Ook zijn bijzondere interesse in vrouwen van Aziatische afkomst lijkt volgens de psychiater samen te hangen met een psychotische gedachtegang. De psychiater adviseert de ten laste gelegde feiten in sterk verminderde mate dan wel geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportage zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de bevindingen voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank neemt deze bevindingen en het advies in zoverre over dat zij verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt. Voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid bestaan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten, nu niet is gebleken dat bij verdachte ieder besef van of iedere controle over zijn handelen ontbrak.

6. Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 413 dagen met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 352 dagen, met het oog op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psychiater

en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere gekwalificeerde opzetaanrandingen, een poging daartoe en dwang. Hij heeft zich in korte tijd aan meerdere vrouwen opgedrongen door hen onverhoeds vast te pakken en te zoenen of hen bij hun middel vast te pakken, op te tillen en rond te draaien. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en, waar het de aanrandingen betreft, seksuele integriteit van de slachtoffers. Zijn handelen was telkens plotseling en onvoorspelbaar, waardoor de slachtoffers werden overrompeld en zich niet of nauwelijks aan zijn handelen konden onttrekken. Uit de aangiftes blijkt dat zijn gedrag bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Een aantal van hen is na het incident bang geweest om alleen naar buiten te gaan of durfde enige tijd zelfs het huis niet uit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de persoonlijke grenzen van meerdere vrouwen heeft geschonden en zich daarbij niet heeft bekommerd om de impact van zijn handelen op de slachtoffers.

Persoon van verdachte

Zoals hiervoor al is overwogen acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Uit het Pro Justitia-rapport en het reclasseringsadvies van 24 juni 2026 volgt verder geen eenduidig advies over een passende afdoening. Behandeling van verdachte wordt weliswaar wenselijk geacht, maar zowel de psychiater als de reclassering zien belemmeringen bij de verschillende mogelijke kaders. Een voorwaardelijk kader met behandeling wordt vanwege het ontbrekende ziektebesef en de geringe behandelmotivatie van verdachte niet haalbaar geacht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de voor soortgelijke feiten geldende LOVS-oriëntatiepunten en op de straffen die in vergelijkbare zedenzaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de straf houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en dat de bewezenverklaarde feiten hem in verminderde mate worden toegerekend. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Daarmee legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank constateert dat verdachte inmiddels langer in voorarrest heeft doorgebracht dan de gevangenisstraf die hem wordt opgelegd. Dit langere voorarrest is mede het gevolg van de tijd die nodig is geweest voor aanvullend onderzoek naar de persoon van verdachte en het opstellen van een aanvullende Pro Justitia-rapportage. De rechtbank achtte dit onderzoek noodzakelijk om tot een zorgvuldig oordeel over de persoon van verdachte en de mate van toerekeningsvatbaarheid te kunnen komen.

7. Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1 primair

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte bereid is de gevorderde schadevergoeding volledig te voldoen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot aan de dag van algehele voldoening.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 februari 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf 8 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 maart 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 10 juni 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten 1 primair en 2 subsidiair heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, ziet de rechtbank echter aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

9. Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 241, 284 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en feit 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18.112632.25 feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet

op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.356851.24:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 17 februari 2025.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. G.H. Boekaar en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. van der Werff
  • mr. G.H. Boekaar
  • mr. S. Zwarts

Griffier

  • mr. M. Raven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand