RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272708486
zaaknummer: 12018753 BU VERZ 25-2594
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 14 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats].
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder of passagier geen gebruikmaken van een autogordel’, verricht op 21 maart 2025, om 16:14 uur, op het [adres 1], met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 199,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 14 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, de heer [naam] en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. M. Reith.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
3. Betrokkene stelt dat hij de gedraging niet heeft begaan en dat de verbalisanten zich hebben vergist. Hij verklaart dat hij samen met een medepassagier wegreed vanaf het [adres 1] en kort daarna samen staande werd gehouden in de [adres 4]. Betrokkene geeft aan dat de verbalisanten onjuist hebben vastgesteld dat geen van beiden een autogordel droeg. Zowel hijzelf als zijn passagier droegen namelijk vanaf het begin van de rit de gordel. Verder merkte betrokkene tijdens de staandehouding op dat de mannelijke agent bevestiging zocht bij zijn vrouwelijke collega, wat de indruk gaf dat hij niet overtuigd was van zijn waarneming. Betrokkene wijst ook op inconsistenties in de registratie van de overtreding: op zijn boete staat een andere locatie dan op die van zijn medepassagier, terwijl zij in hetzelfde voertuig zaten en tegelijk werden staande gehouden. Beide boetes zijn door betrokkene aan het dossier toegevoegd. Ten slotte heeft betrokkene gevraagd of er camerabeelden of foto’s zijn ter onderbouwing van de overtreding, maar de verbalisanten konden geen bewijsmateriaal tonen.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, omdat de verbalisanten in het proces-verbaal en het aanvullende proces-verbaal hebben verklaard dat zij op verschillende momenten hebben gezien dat betrokkene geen gordel droeg.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
6. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “Ik zag dat het voertuig werd bestuurd. Ik zag dat het voertuig reed op de openbare weg. De bestuurder droeg geen gordel. Ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing. Ik had wel goed zicht op de bestuurder van het voertuig. Ik bevond mij voor en naast het voertuig.”
7. De verklaring van de verbalisant in het aanvullende proces-verbaal luidt als volgt: “Omstreeks 16:15 uur zag ik een voertuig voorzien van kenteken [kenteken] rijden op de [adres 2], [adres 3] en [adres 1]. Ik zag dat de bestuurder en de bijrijder zichtbaar geen autogordel om hadden. De gesp van de autogordel was duidelijk zichtbaar en hing langs de deurstijl. Ik bevond mij achter het voertuig en had hierop goed zicht. Op basis van de Wegenverkeerswet heb ik het voertuig een stopteken gegeven.”
8. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging kan worden vastgesteld. De stelling van betrokkene komt neer op de enkele ontkenning van wat de verbalisant heeft verklaard, en dat leidt niet tot twijfel.
9. In de overige omstandigheden ziet de kantonrechter geen reden om de boete te matigen of te vernietigen. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven. De omstandigheid dat op de verkeersboetes verschillende locaties vermeld staan, acht de kantonrechter niet van belang. Betrokkene is namelijk staande gehouden, waardoor hij niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.