RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 268473888
zaaknummer: 12050671 BU VERZ 26-58
uitspraak van de kantonrechter van 28 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 19 augustus 2024, om 14:17 uur, op [adres] , met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 14 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. M. Reith.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene geeft aan dat hij op de dag van de geconstateerde gedraging met zijn gehandicapte vader naar het ziekenhuis is geweest. Bij terugkomst moest hij zijn vader bij het verzorgingstehuis uit de auto tillen om hem in de rolstoel te plaatsen en naar zijn kamer te brengen. Betrokkene stelt dat zijn auto hooguit tien minuten op het trottoir heeft gestaan. Daarnaast voert hij aan dat bij de ingang van het verzorgingstehuis een briefje hangt waarop staat dat parkeren op het trottoir is toegestaan. Ter onderbouwing heeft betrokkene een foto van dit briefje aan het dossier toegevoegd. Tot slot stelt betrokkene dat parkeren in de parkeergarage geen optie was omdat het daar te stijl is.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Zij heeft navraag gedaan bij zowel de verbalisant als de gemeente over het gedoogbeleid. De verbalisant gaf aan niet bekend te zijn met een dergelijk gedoogbeleid en verklaarde dat betrokkene voor het parkeren over het fietspad moest rijden. De gemeente gaf aan dat er bij laad- en losactiviteiten coulant wordt omgegaan met de toegestane parkeerlocatie. De vertegenwoordigster voert aan dat er in dit geval geen sprake was van laden en lossen, maar van parkeren.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding niet, maar voert argumenten aan om deze te verklaren. Daarmee is de verkeersovertreding komen vast te staan. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
6. De gemeente heeft als volgt verklaard over het door betrokkene aangevoerde gedoogbeleid: “Er geldt geen specifiek gedoogbeleid, bij ons is onbekend dat de zorginstelling een flyer heeft hangen dat daar geparkeerd mag worden. Wanneer wij laad/los activiteiten zien gaan we daar coulant mee om, maar wanneer we daar geen activiteiten waarnemen handelen wij naar inzicht en hanteren we dat het valt onder de parkeerverbodszone in het centrum.”
7. De kantonrechter ziet in de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om de boete te matigen. Aan de toezegging van het verzorgingstehuis kon niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zou worden opgetreden. Alleen de personen die in artikel 82 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn genoemd, kunnen aan weggebruikers bindende aanwijzingen geven die boven verkeersregels en verkeerstekens gaan. Een verzorgingstehuis is daartoe niet bevoegd.
8. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat betrokkene aan het parkeren was op het moment dat de gedraging werd vastgesteld. De definitie van parkeren is namelijk: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen. De situatie valt in de eerste plaats niet onder onmiddellijk laden en lossen, aangezien de vader van betrokkene geen ‘goed’ is maar een persoon. Ook de uitzondering van het onmiddellijk in- of uitstappen doet zich hier niet voor. Onder de tijd die nodig is voor (en gebruikt wordt tot) het onmiddellijk uitstappen van een passagier, is de tijd die de passagier ná het uitstappen nodig heeft om zijn bestemming te bereiken namelijk niet begrepen. Dit betekent dat, gelet op de uitspraken van de hogere rechters, het wegbrengen van de vader van betrokkene ook valt onder parkeren. De kantonrechter zal het beroep ongegrond verklaren.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.