RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/110527-25
1. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Coevorden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, en in een kwetsbare postitie en/of wie hij, verdachte, opvoedde of verzorgde als behorende tot zijn gezin een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Coevorden ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige pupil [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2008, door de vagina en/of borsten en/of billen van die [slachtoffer] te betasten en/of aanraken en/of masseren;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Coevorden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten de vagina en/of borsten en/of billen van die [slachtoffer] heeft betast en/of aangeraakt en/of gemasseerd;
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen én dat verdachte dit feit heeft gepleegd jegens een kind dat zich in een kwetsbare positie bevond. Ten aanzien van deze strafverzwarende omstandigheid heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte vele malen ouder is dan aangeefster en dat hij een relatie had met haar moeder. Om deze reden verbleef aangeefster in de weekenden veelal bij verdachte. Daarnaast is aangeefster afkomstig uit Oekraïne. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was zij de Nederlandse taal nog niet goed machtig en was zij niet bekend met de Nederlandse gebruiken, normen en waarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de handelingen die verdachte bij aangeefster heeft verricht niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt omdat verdachte geen seksuele intenties had. Bovendien heeft verdachte de binnenste schaamlippen van aangeefster niet opzettelijk aangeraakt.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de handelingen van verdachte wel als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, heeft de raadsvrouw ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit de volgende standpunten ingenomen. De raadsvrouw heeft allereerst betoogd dat verdachte ook in dat geval van dit feit dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van seksueel binnendringen, nu aangeefster niet heeft verklaard dat verdachte met zijn vinger(s) tussen haar schaamlippen is geweest. De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat verdachte - bij een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen - partieel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid omdat verdachte de handelingen niet heeft verricht bij iemand die zich in een kwetsbare positie bevond of die hij opvoedde of verzorgde als behorend tot zijn gezin. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de handelingen heeft verricht bij zijn stiefkind of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwd kind. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewijsoverweging
Niet ter discussie staat dat verdachte op 23 juni 2024 (onder meer) de ontblote borsten en billen van [slachtoffer] heeft aangeraakt en dat hij, gedurende enkele seconden, met (in ieder geval) een gedeelte van zijn vinger tussen haar schaamlippen is geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze handelingen kunnen worden aangemerkt als ontuchtige handelingen, die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] .
Ontuchtige handelingen
Bij ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gaat om handelingen van seksuele aard, die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de handelingen, de betrokken lichaamsdelen, de context waarbinnen de handelingen hebben plaatsgevonden en de verhouding tussen verdachte en aangeefster. De seksuele intentie van de verdachte is niet zonder meer bepalend, maar kan dat onder omstandigheden wel zijn. Bij handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter hebben, komt aan de seksuele intentie geen of in ieder geval een minder grote rol toe.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] , de dochter van zijn toenmalige vriendin, die bewuste dag een massage heeft gegeven in het kader van seksuele voorlichting. Door haar naakte
lichaam te masseren wilde hij [slachtoffer] laten weten hoe het voelt als een jongen haar blote huid aanraakt. Ook wilde hij een bepaalde angst bij haar wegnemen. De massage heeft plaatsgevonden op het bed van verdachte. Hij heeft onder meer de ontblote borsten, billen, liezen en onderbuik van [slachtoffer] gemasseerd. Daarnaast is hij, gedurende enkele seconden, met een gedeelte van zijn vinger tussen haar schaamlippen geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [slachtoffer] op dat moment 15 jaar oud was, terwijl verdachte 58 jaar oud was. De moeder van [slachtoffer] was ten tijde van de massage niet in de woning van verdachte aanwezig.
Gelet op de door verdachte gemasseerde naakte en intieme lichaamsdelen én de omstandigheid dat de massage is gegeven in de context van seksuele voorlichting, waarbij het de bedoeling van verdachte is geweest om [slachtoffer] te laten weten hoe het voelt als een jongen haar blote huid aanraakt, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte - in samenhang en naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien - een seksueel karakter dragen. De verklaring van verdachte geen seksuele intenties te hebben gehad, doet hier niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank passen de door verdachte verrichte handelingen voorts niet bij het geven van seksuele voorlichting aan een vijftienjarig meisje door een volwassen man van 58 jaar oud, die tevens de partner van haar moeder is. Deze handelingen gaan veel te ver. Ook verdachte moet zich bewust zijn geweest van de grenzen die in de maatschappij worden gesteld aan de omgang tussen volwassenen en minderjarigen. Het was aan hem - als volwassene - om deze grenzen te bewaken en te respecteren. Verdachte heeft dit echter niet gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de seksuele handelingen van verdachte objectief gezien in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Gelet op het voorgaande zijn de bewezenverklaarde handelingen als ontuchtig aan te merken.
Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook opzet heeft gehad op het plegen van ontuchtige handelingen. Verdachte heeft, in de context van seksuele voorlichting, willens en wetens de ontblote borsten en billen van [slachtoffer] gemasseerd. Over het moment waarop hij met een gedeelte van zijn vinger tussen de schaamlippen van [slachtoffer] kwam, heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij waarschijnlijk onbewust zijn hoofd niet bij de massage heeft gehad. Tegelijkertijd heeft verdachte ook verklaard dat hij de liezen en de onderbuik van [slachtoffer] heeft gemasseerd en dat hij extra toestemming aan [slachtoffer] heeft gevraagd om haar daar te masseren. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte ook bewust het gebied rondom de schaamstreek van [slachtoffer] heeft gemasseerd.
Door zich er vervolgens niet (voldoende) van te vergewissen waar hij [slachtoffer] op dat moment precies masseerde, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij tijdens het masseren van dat gebied een (gedeelte van zijn) vinger tussen de schaamlippen van [slachtoffer] zou brengen.
Seksueel binnendringen
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is van seksueel binnendringen reeds sprake bij het passeren van de schaamlippen.1 Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte niet in haar vagina is geweest, heeft zij ook verklaard dat verdachte wel met zijn vingers haar binnenste schaamlippen heeft aangeraakt. Nu verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat hij, gedurende enkele seconden, met een gedeelte van een vinger tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest, acht de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in juridische zin seksueel bij [slachtoffer] is binnengedrongen.
Conclusie
Op basis van voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Partiële vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheden
Aan verdachte is als strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat hij de ontuchtige handelingen heeft gepleegd jegens een kind dat hij opvoedde of verzorgde als behorende tot zijn gezin en/of jegens een kind in een kwetsbare positie, zoals bedoeld in artikel 248, tweede en derde lid (oud) Sr. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken, volgt dat [slachtoffer] afkomstig is uit Oekraïne. Ten tijde van de ontuchtige handelingen was zij twee jaren in Nederland. [slachtoffer] woonde samen met haar moeder in een opvanglocatie. Doordeweeks ging zij naar de middelbare school (havo). Sinds enkele maanden verbleef [slachtoffer] in de weekenden meestal bij verdachte, met wie de moeder van [slachtoffer] een relatie had. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft opgevoed of verzorgd als behorende tot zijn gezin. De rechtbank zal verdachte daarom (partieel) vrijspreken van deze strafverzwarende omstandigheid. Anders dan de officier van justitie kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] zich in een kwetsbare positie bevond. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat het feit is gepleegd jegens een minderjarige nog niet meebrengt dat deze strafverzwarende omstandigheid zich voordoet. Ook een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer en de omstandigheid dat het feit in de woning van verdachte heeft plaatsgevonden, is niet zonder meer voldoende. Voor het aannemen van een kwetsbare positie is meer vereist, zoals bijvoorbeeld het bestaan van lichamelijke of geestelijke beperkingen bij de minderjarige.2 Van dergelijke bijzondere omstandigheden die de persoon van [slachtoffer] betreffen, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom ook van deze strafverzwarende omstandigheid (partieel) vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 23 juni 2024 te Coevorden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van primair ten laste gelegde feit, inclusief de strafverzwarende omstandigheid, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om - bij een bewezenverklaring - een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 25 juni 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] , de dochter van zijn toenmalige vriendin. Terwijl de moeder van [slachtoffer] in de tuin van verdachte aan het werk was, heeft verdachte [slachtoffer] meegenomen naar zijn slaapkamer. Daar heeft hij de ontblote borsten en billen van [slachtoffer] gemasseerd en zijn vinger(s) tussen haar schaamlippen gebracht. [slachtoffer] was destijds 15 jaar oud, terwijl verdachte 58 jaar oud was. Met zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden en het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem - als volwassene én als partner van haar moeder - had, ernstig beschaamd. De ontuchtige handelingen hebben bovendien plaatsgehad in de woning van verdachte, een plek waar [slachtoffer] veiligheid, geborgenheid en bescherming had moeten vinden. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad en heeft zijn eigen (lust)gevoelens en behoeften boven de belangen van [slachtoffer] gesteld. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoe groot de impact van het handelen van
verdachte op [slachtoffer] is geweest. Zij heeft veel stress en verdriet gevoeld en haar veiligheidsgevoel is aangetast. Tot op de dag van vandaag, ruim twee jaren na het incident, kost het haar moeite om mensen te vertrouwen. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Justitiële documentatie
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte (het strafblad) van 13 juli 2026 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het strafblad van verdachte werkt bij het bepalen van de (hoogte van de) straf dan ook niet strafverzwarend.
Persoon van de verdachte
Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland d.d. 25 juni 2025 volgt dat geen sprake is van problematiek op de verschillende leefgebieden. Verdachte heeft een vaste baan, een eigen woning en een stabiel sociaal netwerk. Er is geen sprake van een schuldenlast of middelengebruik. De reclassering schat, mede gelet op het feit dat verdachte op dit moment geen contact heeft met minderjarige meisjes, het herhalingsgevaar in als laag en adviseert mede om die reden een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Dat verdachte zijn leven thans (relatief) goed op de rit heeft, hetgeen ook door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, weegt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf in het voordeel van verdachte mee. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting zijn spijt heeft betuigd. Het besef (achteraf) wat de impact van zijn handelen op [slachtoffer] is geweest, doet hem zichtbaar verdriet. Tegelijkertijd kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte het kwalijke van zijn handelen nog niet (volledig) inziet. Het oprechte besef dat het naakt masseren van een minderjarig meisje echt niet mag gebeuren lijkt namelijk bij verdachte te ontbreken. Dit baart de rechtbank enige zorgen voor de toekomst.
De straf
Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er weliswaar sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam, maar dat er geen verdergaande penetratie heeft plaatsgevonden. Daarnaast hebben de ontuchtige handelingen eenmalig plaatsgevonden en acht de rechtbank de strafverzwarende elementen uit de tenlastelegging niet bewezen. Verdachte is voorts een first offender die zijn leven (relatief) op orde lijkt te hebben. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot een andere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren in combinatie met een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren is verricht, passend en geboden. Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de gevolgen die het feit voor [slachtoffer] heeft gehad. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stevige stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw in een met het feit vergelijkbare situatie te begeven.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich, door tussenkomst van mr. M.M. Wiersema, advocaat te Assen, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, nu de gestelde schade voldoende is komen vast te staan.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het feit waarop de vordering is gebaseerd. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt, heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de hoogte van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de toelichting daarop ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding van 1.500,- ook billijk. De rechtbank heeft hierbij gelet op de categorie tamelijk ernstig uit hoofdstuk 15.2 (c) van de Rotterdamse schaal en heeft daarbij (mede) in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte een grote impact op het (dagelijkse) leven van benadeelde heeft gehad. Zij is gediagnosticeerd met PTSS en gedurende een periode van ongeveer vier maanden heeft zij wekelijks EMDR-therapie gevolgd. Tot op de dag van vandaag, twee jaren na het incident, is haar gevoel van veiligheid aangetast en heeft zij moeite met het vertrouwen van mensen. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 200 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.
Benadeelde partij
Ten aanzien van primaire feit
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [naam] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Steenhoven, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2026.
mr. Soppe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6910.
2 HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:486.