[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C. van Galen, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of rond de periode van 14 november 2025 tot en met 16 april 2026 te Leeuwarden
opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of 3CMC en/of 2MMC en/of 2C-B en/of 2MMC, zijnde cocaïne, MDMA, 2C-B en 3CMC, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op of omstreeks 16 april 2026 te Leeuwarden al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
aanwezig heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 8 juni 2026, opgenomen op pagina 161 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;
5. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.05.20.156 (aanvraag 001), d.d. 20 mei 2026 opgemaakt door N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 156 van voornoemd dossier, inhoudend zijn/haar verklaring;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.05.20.156 (aanvraag 005), d.d. 26 mei 2026 opgemaakt door
L.I. Stuyver, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 159 van voornoemd dossier, inhoudend zijn/haar verklaring;
7. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.05.20.156 (aanvraag 002), d.d. 20 mei 2026 opgemaakt door N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 157 van voornoemd dossier, inhoudend zijn/haar verklaring;
8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.05.20.156 (aanvraag 006), d.d. 26 mei 2026 opgemaakt door L.I Stuyver, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 160 van voornoemd dossier, inhoudend zijn/haar verklaring.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1
hij in de periode van 14 november 2025 tot en met 16 april 2026 te Leeuwarden opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en MDMA en 3-CMC en 2-MMC en 2C-B zijnde cocaïne, MDMA, 2C-B, 3-CMC en 2-MMC, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en 1A;
2
hij op 16 april 2026 te Leeuwarden opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en IA, te weten
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 160 dagen waarvan 90 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een taakstraf van 240 uren. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat de ernst van de feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, maar dat hij verdachte een laatste kans wil geven en de voorkeur geeft aan het voorkomen van toekomstige recidive.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 110 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman vindt de geëiste maximale taakstraf niet haalbaar voor verdachte. Verdachte heeft een baan in ploegendienst gevonden. Het naast deze baan ook nog meewerken aan de gestelde voorwaarden in combinatie met een lange taakstraf zou te belastend worden voor verdachte. De raadsman pleit daarom voor een kortere taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdacht heeft gedurende een periode van vijf maanden gehandeld in cocaïne, MDMA,
3-CMC, 2-MMC en 2C-B. Daarnaast had verdachte een handelshoeveelheid harddrugs in zijn woning. Harddrugs leveren een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid, omdat ze verslavend zijn en regelmatig gebruik daarvan nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. De handel in deze verdovende middelen gaat dikwijls gepaard met andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit, die de maatschappij veel overlast en gevaar bezorgen. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de handel in en verspreiding van drugs die voor de samenleving schadelijk zijn. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van middelen- en schuldenproblematiek. Verdachte heeft in harddrugs gehandeld uit financieel motief en om zijn eigen gebruik te bekostigen. De reclassering ziet een patroon in het plegen van middelen gerelateerde delicten. Verdachte kan niet op een adequate wijze met zijn problemen omgaan en lijkt zijn criminele gedrag te vergoelijken door de schuld buiten zichzelf te leggen. Als het slechter met hem gaat, neemt zijn middelengebruik toe. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen dagbesteding en er is sprake van een sociaal netwerk waarin drugs gebruikt worden. Verdachte heeft geen actieve hulpvraag, maar wil wel meewerken aan een behandeling. De kans op herhaling wordt als matig ingeschat. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding, beheersing van het middelengebruik en ambulante begeleiding.
De straf
Verdachte had een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en contant geld in zijn woning aanwezig. Dit doet vermoeden dat hij zich intensiever met de handel in harddrugs heeft beziggehouden dan hij heeft verklaard. Uit zijn strafblad blijkt bovendien dat hij tweemaal eerder is veroordeeld wegens handel in harddrugs. Gelet hierop en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, die bij een dealperiode van vijf maanden en zonder recidive al uitgaan van een gevangenisstraf van acht maanden, ligt in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de hand.
De rechtbank houdt echter ook rekening met de positieve ontwikkeling die verdachte sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt. Hij heeft zich bereid getoond de schorsingsvoorwaarden na te leven, woont voorlopig bij zijn vader, is in gesprek met de verslavingszorg over zijn problematiek en heeft betaald werk gevonden. De rechtbank acht het van groot belang, zowel voor verdachte als voor de samenleving, dat deze positieve en recidivebeperkende ontwikkeling wordt voortgezet. Een nieuwe detentie zou dit traject doorkruisen.
De rechtbank zal daarom geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Wel zal de rechtbank daarnaast een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zowel om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen als om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde
bijzondere voorwaarden, passend en geboden.
Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 180 uren op. Deze taakstraf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt en rekening houdt met de uitvoerbaarheid van de taakstraf in combinatie met het werk van verdachte in ploegendienst en zijn verplichtingen in het kader van de bijzondere voorwaarden.
Inbeslaggenomen goederen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen drugs, te weten: cocaïne, 3CMC, MDMA, XTC, 2MMC, 2-CB, ketamine en hasj, worden onttrokken aan het verkeer en dat de auto en de dealtelefoons verbeurd worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto teruggegeven dient te worden aan verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de auto ook voor andere doeleinden werd gebruikt en dat verdachte de auto nodig heeft om naar zijn werk te gaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de inbeslaggenomen drugs vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank zal de bij het dealen gebruikte en onder verdachte in beslaggenomen auto en telefoon met goednummer 1932048 verbeurd verklaren, omdat de feiten met behulp van die auto en telefoon zijn begaan. De rechtbank heeft bij deze beslissing de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in aanmerking genomen.
De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen telefoons moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 170 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- ambulant begeleid wordt door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan de regels en gedragingen die gelden binnen de begeleiding.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen
Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen
Gelast de teruggave aan veroordeelde [verdachte] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma Oude Nijeweme en mr.
M.E. Joha, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.