[naam] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: L. Trinks),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden
(gemachtigden: M.C.J. Bock, T. Bouma en E. Wieten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Eiser heeft op 30 januari 2026 een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Het verzoek is aangevuld op 4 februari 2026, onder meer ten aanzien van de periode waarop het verzoek ziet. In de ontvangstbevestiging van 5 februari 2026 heeft het college verzocht om de behandeling van het Woo-verzoek te mogen opschorten tot er definitieve besluitvorming is over de verhuizing van Strong ID. Op 5 februari 2026 heeft eiser het Woo-verzoek van 30 januari 2026 en aanvulling van 4 februari 2026 ingetrokken en een nieuw Woo-verzoek ingediend. Verder heeft eiser laten weten dat hij zijn verzoek niet wil opschorten. Het college heeft het verzoek van 5 februari 2026 opgevat als een verduidelijking van het eerste verzoek van 30 januari 2026. Omdat eiser zijn verzoek niet wil opschorten wil het college met eiser in overleg gaan en wel op 26 februari 2026. Na het overleg met eiser op 26 februari 2026 heeft het college per mail bevestigd dat afspraken zijn gemaakt over de behandeling van het verzoek, omdat het verzoek omvangrijk is er niet binnen de termijn van artikel 4.4, eerste lid van de Woo kan worden beslist.
4. Vervolgens heeft eiser bij e-mail van 10 maart 2026 het college in gebreke gesteld. In reactie hierop heeft het college eiser meegedeeld dat de afgesproken beslistermijn niet is verstreken en dat het college niet in gebreke is. Eiser heeft aangegeven dat het gesprek van 26 februari 2026 zag op een praktische werkwijze bij de behandeling van het omvangrijke verzoek en niet kan worden aangemerkt als instemming met het opschorten of vervangen van de wettelijke beslistermijn.
5. Het college moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Het college had dus uiterlijk op 5 maart 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het college op 10 maart 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Het college heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verdagen.
6. In geschil is of de beslistermijn rechtsgeldig is opgeschort door het college, zoals de rechtbank begrijpt, als bedoeld in artikel 4.2a van de Woo. In artikel 4.2a van de Woo staat -kort samengevat- het volgende: Als een goed omschreven verzoek te omvangrijk is om binnen de gestelde termijn te behandelen, neemt het bestuursorgaan voor het verstrijken van die termijn contact op met de verzoeker om de volgorde van afhandeling te bespreken. Vervolgens levert het bestuursorgaan de documenten zoveel mogelijk in de door de verzoeker gewenste volgorde aan. De rechtbank stelt vast dat voornoemd artikel weliswaarbepaalt dat een bestuursorgaan met de indiener van een omvangrijk Woo-verzoek in overleg kan treden over de prioritering en afhandeling van het verzoek, maar dat het artikel aan dat overleg geen gevolgen verbindt voor de beslistermijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder met eiser geen afspraak heeft gemaakt over een latere behandeling van de aanvraag en er is geen sprake van het opschorten van de beslistermijn op grond van artikel 4.2a van de Woo.
7. Uit de brief van het college van 26 februari 2026 blijkt dat meer dan 1000 documenten beoordeeld zullen worden. Ook heeft het college uitgelegd dat niet alle informatie op voorhand kan worden geordend op één van de 49 punten uit het verzoek. Op 28 mei 2026 heeft het college een deelbesluit genomen en de gevraagde documenten openbaar gemaakt. Dit betekent dat nog niet op de aanvraag is beslist. De rechtbank bepaalt dat verweerder dit alsnog moet doen. De reactie van eiser op dit deelbesluit, waaruit blijkt dat hij het niet eens is met dit besluit, is doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaarschrift. Ter zitting heeft het college aangegeven dat voor de overige 600 documenten binnen één kwartaal tot zes maanden een besluit kan worden genomen. De bestuursrechter bepaalt, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een volledig besluit bekendmaakt. De rechtbank heeft ter zitting er kennis van genomen dat de voorgenomen verhuizing van Strong ID niet meer doorgaat. Daarin, mede gelet op het grote aantal documenten, ziet de rechtbank aanleiding verweerder een ruime termijn te geven voor het beslissen op de aanvraag. De rechtbank bepaalt dat het college binnen zes maanden na de datum van verzending van de uitspraak een besluit moet nemen op het verzoek.
8. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 7 genoemde termijn krijgt om alsnog een (volledig) besluit te nemen en aan het college de onder 8 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit Proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de reiskosten. De rechtbank stelt de reiskostenvergoeding vast op € 16,04. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 1.417,04 (1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en de reiskostenvergoeding).
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.