RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/242766 / HA ZA 25-50
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
GASTERRA B.V.,
gevestigd te Groningen,
eiseres, hierna te noemen: GasTerra,
advocaten: mr. B.J. Korthals Altes-van Dijk en mr. F.J. Berkelder,
tegen
GASUNIE TRANSPORT SERVICES B.V.,
gevestigd te Groningen,
gedaagde, hierna te noemen: GTS,
advocaten: mr. S. Simonetti en mr. C.H.R.M. van der Hoeven.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 t/m 3 alsmede producties E-1 t/m E-75,- de conclusie van antwoord met producties GTS-1 t/m GTS-41,
- de conclusie van repliek met producties E-28A en E-76 t/m E-91,
- de conclusie van dupliek met producties GTS-42 t/m GTS-47,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging vervangende producties E-35 t/m E-40, E-42, E-44, E-70, E-71 en
E-74 en aanvullende productie E-92 aan de zijde van GasTerra d.d. 26 mei 2026,
- de akte overlegging producties GTS-48 t/m GTS-67 aan de zijde van GTS d.d. 27 mei 2026.
Op 9 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen:
- [betrokkene] , hoofd juridische afdeling bij GasTerra;
- [betrokkene] , accountmanager bij GasTerra;
- [betrokkene] , accountmanager bij GasTerra;
- [betrokkene] , werkzaam bij GasTerra;
- mr. B.J. Korthals Altes, advocaat van GasTerra;
- mr. F.J. Berkelder, advocaat van GasTerra;
- [betrokkene] , partijdeskundige aan de zijde van GasTerra;
- [betrokkene] , bedrijfsjurist bij GTS;
- [betrokkene] , werkzaam bij GTS;
- [betrokkene] , werkzaam bij GTS;
- mr. S. Simonetti, advocaat van GTS;
- mr. C.H.R.M. van der Hoeven, advocaat van GTS;
- [betrokkene] , voorheen werkzaam als accountmanager bij GTS.
Door de griffier zijn aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt. De spreekaantekeningen van de advocaten van partijen zijn aan het dossier toegevoegd.
Tot slot is vonnis bepaald.
2. De feiten
In 1963 is de "N.V. Nederlandse Gasunie" (hierna: Gasunie) opgericht. Gasunie beheerste oorspronkelijk alle handels-, leverings- en transportactiviteiten met betrekking tot het Groningse aardgas, waarvan de exploitatie in handen was van de NAM. Gasunie verkocht dit Groningengas binnen Nederland en exporteerde het daarnaast naar afnemers in het buitenland. Dat betrof voornamelijk België, Frankrijk en Duitsland. Daartoe had Gasunie langlopende exportcontracten afgesloten met deze afnemers in het buitenland.
Als gevolg van de liberalisering van de Europese gasmarkt die eind jaren '90 / begin jaren '00 in gang is gezet, moesten de handel in gas en het transport ervan voortaan van elkaar worden gescheiden. Voor Gasunie betekende deze ontwikkeling dat haar handelsactiviteiten van haar transportactiviteiten moesten worden gescheiden en dat elk dus in een zelfstandige onderneming moest worden ondergebracht. Daartoe is op 2 juli 2004 GTS opgericht (waarvan de Nederlandse Staat indirect de enig aandeelhouder is) en op 1 juli 2005 GasTerra (waarvan 50% indirect in handen is van de Nederlandse Staat, 25% van Shell en 25% van ExxonMobil).
GasTerra is sinds de afsplitsing een zelfstandige gashandelaar ("shipper") die actief is op de Nederlandse en Europese gasmarkt. GasTerra verkreeg de lopende (langdurige) exportcontracten die voorheen aan Gasunie toebehoorden en behield het exclusieve recht om het Groningse L-gas van de NAM te kopen, te verkopen en te exporteren. Daarnaast handelde GasTerra in H-gas dat afkomstig was van andere binnenlandse en buitenlandse partijen.
De handel in gas bestaat uit enerzijds een fysieke markt, waarop gas daadwerkelijk geleverd wordt aan een afnemer, en anderzijds uit "virtuele" transacties waarbij het gas wel van eigenaar verwisselt maar niet daadwerkelijk wordt verplaatst. De virtuele gashandel vindt plaats op de in 2003 opgerichte "Title Transfer Facility" (TTF).
GTS is eigenaar geworden van het landelijke gastransportnet in Nederland. Dit landelijke gastransportnetwerk bestaat in feite uit twee leidingnetwerken: een leidingnet voor het transport van (laagcalorisch) L-gas en een leidingnet voor het transport van (hoogcalorisch) H-gas. De Groninger gasvelden bevatten uitsluitend L-gas, terwijl de gasvelden elders in de wereld meestal H-gas bevatten.
GTS is op grond van de Gaswet (sinds 1 januari 2026 opgevolgd door de Energiewet) door (de voorganger van) de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangewezen als de netbeheerder van het landelijke gastransportnetwerk. Als zodanig worden de tariefstructuren en voorwaarden van GTS door de ACM gereguleerd.
De kernactiviteit van GTS is het transporteren van gas, hetgeen (kort gezegd) plaatsvindt door verkoop van de beschikbare transportcapaciteit in het gastransportnet aan derden, en het onderhoud van dit landelijke gastransportnetwerk.
De levering van gas aan een afnemer vindt plaats via entry- en exitpunten. Dit zijn de verbindingspunten waar het gas het landelijke transportnetwerk verlaat en overgaat naar een regionaal of buitenlands transportnetwerk (of omgekeerd). Wanneer het gaat om een punt op de landsgrens wordt het ook wel een interconnectiepunt (IP) genoemd.
Om export van gas mogelijk te maken boekt een shipper de daartoe benodigde transportcapaciteit op een IP. Voorheen werd transportcapaciteit op specifieke IP's geboekt, maar sinds 2020 zijn de afzonderlijke IP's omgezet naar virtuele interconnectiepunten (VIP) wat wil zeggen dat IP's die hetzelfde marktgebied bedienen zijn samengevoegd tot één VIP waardoor voortaan met één gebundelde capaciteitsboeking een heel marktgebied kan worden bediend zonder dat afzonderlijk geboekt moet worden op de onderliggende IP's.
De transportcapaciteitsboekingen kunnen verschillende periodes betreffen (van dezelfde dag tot bijvoorbeeld een heel gasjaar) maar kunnen ook al jaren van te voren voor jarenlange periodes zijn vastgelegd. Een bijzondere vorm van een langetermijnboeking was de "Open Season"-boeking, die specifiek diende om te inventariseren waar er behoefte was aan uitbreiding van de transportcapaciteit en om de investering daarin mogelijk te maken. Om deze reden eiste Gasunie van klanten om voor minimaal tien jaar dergelijke transportcapaciteit te boeken. In 2014 werden voor het laatst Open Season-boekingen aangeboden.
Teneinde de geboekte transportcapaciteit daadwerkelijk te kunnen benutten en fysieke levering van het gas te laten plaatsvinden, dient op het IP of VIP aan beide zijden van de grens het gewenste gastransport te worden "genomineerd". Indien de exit-nominatie overeenstemt met de entry-nominatie is er een "match" en stroomt het gas de grens over.
Op transportcapaciteitsboekingen is, naast Europese regelgeving (Gasverordening) en de Gaswet, de door de ACM vastgestelde Transportcode gas LNB van toepassing. De tarieven die GTS in rekening mag brengen worden gereguleerd door (jaarlijks) door de ACM vastgestelde Tarievenbesluiten, die op hun beurt worden gebaseerd op periodiek door de ACM vastgestelde Methodebesluiten en "X-factorbesluiten". Tot slot zijn de algemene voorwaarden van GTS, de "Transmission Service Conditions" (TSC), van toepassing.
Doordat sinds de splitsing van de activiteiten van Gasunie de handel in het gas en het transport daarvan niet meer in één hand waren, diende GasTerra voortaan met GTS contractuele afspraken te maken over het transport van het gas. Daartoe is op 1 juli 2005 de Commerciële Erfenissen Overeenkomst (CEO) gesloten, die op bepaalde punten afweek van de TSC. Zo voorzag de CEO in afwijking van de TSC in een mogelijkheid om niet benodigde geboekte transportcapaciteit kosteloos af te mogen boeken (annuleren) indien toekomstige heronderhandeling tussen GasTerra en haar afnemers zou leiden tot lagere benodigde capaciteit.
Bij brief van 14 oktober 2011 heeft de NMa (de voorganger van de ACM) geconstateerd dat de afspraken in de CEO niet in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving, in het bijzonder met het non-discriminatiebeginsel, en heeft zij partijen gemaand om hun contracten in overeenstemming met de regelgeving te brengen.
Dit heeft geresulteerd in de Opheffingsovereenkomst (OO), waarin partijen zijn overeengekomen dat GasTerra eenmalig het recht kreeg om bestaande geboekte transportcapaciteit (met uitzondering van bepaalde boekingen zoals de Open Season-boekingen) kosteloos af te boeken, maar dat daarna op alle bestaande en nieuwe boekingen de TSC van toepassing zouden zijn. Dat laatste betekent concreet dat deze boekingen daarna niet meer (kosteloos) kunnen worden afgeboekt.
Voorafgaand aan de OO had GasTerra voornamelijk langdurig lopende transportcapaciteitsboekingen, die (naar eigen zeggen) overeenstemden met de langdurige exportcontracten die zij met haar afnemers had gesloten.
Op grond van de OO heeft GasTerra vervolgens circa 20% van haar geboekte transportcapaciteit afgeboekt en de resterende boekingen gehandhaafd. Ook na de OO had GasTerra dus voornamelijk langdurige transportcapaciteitsboekingen. De waarde van de afgeboekte transportcapaciteit bedroeg ruim 400 miljoen euro
Na de aardbeving in Huizinge in augustus 2012 is besloten om vanaf 2014 de gaswinning uit het Groningenveld versneld af te bouwen, en na de bevingen in Zeerijp (2018) en Westerwijtwerd (2019) is deze afbouw nog verder versneld.
Voorafgaand aan en deels gelijktijdig met de versnelde afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld, en daarmee het op relatief korte termijn wegvallen van de voornaamste bron van L-gas, is men in Frankrijk, België en Duitsland versneld gaan "ombouwen" naar H-gas. Dit leidde tot heronderhandeling van de contracten tussen GasTerra en haar afnemers van L-gas in deze landen.
Bij brief van 17 juni 2021 is op initiatief van GTS namens de gezamenlijke netbeheerders bij de ACM een voorstel ingediend tot wijziging van de Transportcode gas LNB, in die zin dat wordt voorzien in een mogelijkheid dat langetermijn (LT) boekingen tegen betaling van een annuleringsvergoeding kunnen worden afgeboekt. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
"Na het afsluiten van een LT contract is er momenteel geen enkele mogelijkheid om de
hoogte van de capaciteit, de contractperiode en/of de locatie te wijzigen (behoudens
diversion voor een beperkt aantal locaties).
De erkende PV'ers hebben aangegeven dat bij sommige LT contracten sprake is van
‘overtollige’ capaciteit. Daarmee bedoelen zij capaciteit, die in het verleden bij GTS is
gecontracteerd maar waarvan momenteel geen gebruik wordt gemaakt en waarvan de
erkende PV’ers aangeven dat zij er in de toekomst ook geen gebruik meer van zullen
maken en dat verkoop aan andere erkende PV’ers niet gelukt is.
Overigens: LT contracten zijn na de invoering van NC TAR omgezet naar in de tijd
opeenvolgende, maar afzonderlijke contracten van het jaarproduct.
GTS kan op dit moment niet voldoen aan een verzoek van de erkende PV’ers om reeds
geboekte capaciteit te annuleren, omdat de Transportcode Gas LNB en de Transmission
Service Conditions (TSC) dit niet toestaan: ze laten geen ruimte voor annulering van
capaciteit.
(…)
Dit voorstel leidt er toe dat capaciteit uit gecontracteerde jaarproducten tegen betaling van
een annuleringsvergoeding geannuleerd mag worden. Dat is een simpele en doeltreffende
manier om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer flexibiliteit in LT contracten.
(…)
De hoogte van de annuleringsvergoeding neemt af naarmate de startdatum van het contract
verder in de toekomst is gelegen. Dit strookt met de verwachting dat in latere jaren de
onzekerheid toeneemt en daarmee het risico op overtolligheid. De annuleringsvergoeding
wordt nooit nul: er kan niet gratis capaciteit worden gereserveerd.
Voor de eerste twee jaren wordt het risico op overtolligheid als nihil ingeschat.
De voorgestelde percentages moeten zo worden gekozen dat ze acceptabel zijn voor de
markt. Hogere percentages zullen op weerstand stuiten van marktpartijen met LT
contracten. Lagere percentages zijn nadelig voor partijen zonder LT contracten."
Bij brief van 15 maart 2022 heeft de ACM dit voorstel in strijd geacht met de Gaswet en de gezamenlijke netbeheerders opgedragen het voorstel zo te wijzigen dat het niet langer in strijd is met de Gaswet, bij gebreke waarvan de ACM het voorstel zelf in overeenstemming met de Gaswet zal brengen. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
"Ten eerste is de ACM van oordeel dat het voorstel in strijd is met het belang van evenredigheid als genoemd in artikel 12f, tweede lid, van de Gaswet. De gecontracteerde capaciteit waarop het voorstel ziet, is deels capaciteit die in het verleden op verzoek van diverse netgebruikers is gerealiseerd en waaraan deze netgebruikers zich hebben gecommitteerd door het sluiten van capaciteitscontracten voor een bepaald aantal jaren om de investering tot het aanleggen van de verzochte capaciteit te kunnen dragen. Ook ziet het voorstel deels op capaciteit die vrijwillig en bewust vanuit bedrijfsmatige overwegingen jaren vooruit is gecontracteerd. Dat de gecontracteerde capaciteit niet wordt benodigd, is een bewust genomen ondernemersrisico. Gevolg van het voorstel zou zijn dat netgebruikers die dergelijke contracten niet zijn aangegaan de kosten moeten dragen voor deze beslissingen gezien de annuleringsvergoeding niet alle kosten dekt. De ACM vindt het onevenredig om de overige netgebruikers te confronteren met een tariefstijging als gevolg van het annuleren van bestaande lange termijn jaarcapaciteit. Daarbij komt ook dat deze netgebruikers er niet van uit konden gaan dat de bestaande gecontracteerde capaciteit weer teruggegeven zou worden aan de markt en dat zij met een tariefstijging zouden worden geconfronteerd.
De ACM is ten tweede van oordeel dat het voorstel in strijd is met het belang van het doelmatig handelen van netgebruikers als genoemd in artikel 12f, eerste lid onder d, van de Gaswet. Zoals in het vorige randnummer uiteengezet is de manier waarop netgebruikers hun portfolio voor benodigde capaciteit afdekken, een bedrijfsmatige beslissing. (…) Het voorliggende codewijzigingsvoorstel zou daar een mogelijkheid aan toevoegen voor netgebruikers die voor de lange termijn contracten hebben afgesloten daar achteraf onderuit te komen. Dat verstoort het level playing field achteraf. Daarnaast
is het niet benutten van capaciteit die op verzoek is aangelegd en daarvan de kosten verhalen op de overige netgebruikers niet in het belang van het bevorderen van het doelmatig handelen van netgebruikers.
Tot slot is de ACM van oordeel dat op grond van artikel 12f, tweede lid, van de Gaswet het voorstel discriminatoir is. Het voorstel voorziet namelijk niet in de mogelijkheid om incrementele capaciteit te annuleren. De ACM vindt dat sprake is van discriminatie als incrementele capaciteit wordt uitgezonderd van de mogelijkheid om te kunnen annuleren, terwijl capaciteit gecontracteerd in het kader van open seasons wel geannuleerd zou kunnen worden. Het gaat in beide gevallen om capaciteit waarin wordt voorzien door GTS op verzoek van netgebruikers die zich op hun beurt committeren door het contracteren van capaciteit voor de komende jaren en daarmee een deel van de kosten dragen voor de investering. De ACM ziet geen aanknopingspunten om incrementele capaciteit en open seasons als ongelijke gevallen te zien en daarmee is het voorstel discriminatoir.
De voorwaarden mogen op grond van de Gaswet niet-discriminatoir zijn.
De ACM concludeert op grond van het bovenstaande dat voorzien in annulering van bestaande lange termijn contracten voor capaciteit van het jaarproduct zich niet verenigt met de hierboven genoemde belangen in de Gaswet. De ACM ziet geen mogelijkheid voor de gezamenlijke netbeheerders om het voorstel zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt opgeheven. Dit betekent dat de ACM de gezamenlijke netbeheerders opdraagt het voorstel zo te wijzigen dat niet wordt voorzien in een annuleringsmogelijkheid voor bestaande lange termijn contracten voor capaciteit van het jaarproduct."
Bij brief van 8 december 2023 beantwoordt de ACM een aantal door GTS gestelde vragen over de totstandkoming van de OO en over het reguleringskader van de gastransportmarkt. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
"2. In de verklaring bij de OO stelt de NMa als voorwaarde dat, voor zover de OO voorziet in een overgangsregeling voor afspraken die niet in overeenstemming zijn met geldende regelgeving, die overgangsregeling uiterlijk op 31 december 2016 dient te zijn uitgewerkt en dat de relatie tussen GTS en GasTerra met ingang van 1 januari 2017 volledig reguleringsconform moet zijn. GTS begrijpt hieruit dat per 1 januari 2017 geen afwijkende afspraken voor GasTerra meer mogen gelden, en dat de in de OO beschreven acties uiterlijk per die datum dienen te zijn voltooid dan wel afgerond. Is dit inderdaad de juiste uitleg van deze voorwaarde van de NMa?
Zoals reeds uiteengezet in het antwoord onder vraag 1, is het met ingang van 3 maart 2011 en inwerkingtreding van het Derde Energiepakket niet langer toegestaan afwijkende tarieven en voorwaarden op te nemen in transportcontracten. GTS is dus verplicht om vanaf 3 maart 2011 eenzelfde dienst die door verschillende afnemers wordt afgenomen, aan deze afnemers onder dezelfde contractuele voorwaarden aan te bieden door geharmoniseerde transportcontracten te gebruiken of via een door de NRA (nu de ACM) goedgekeurde netcode. Afspraken die afwijken van Europese wet- en regelgeving, de netcodes energie
vastgesteld door de ACM of de standaardcontracten van GTS (de Transmission Service Conditions) zijn niet toegestaan. Dit geldt voor alle transportcontracten, dus zowel contracten die vóór 3 maart 20111 als contracten die na 3 maart 2011 zijn afgesloten. (…)
3. GTS begrijpt de verklaring van de NMa bij de GO aldus dat, met het oog op volledige
reguleringsconformiteit (zoals vermeld in de tweede alinea van de verklaring), de OO op geen enkele wijze mag worden aangepast zonder dat dit eerst aan de toezichthouder NMa (thans ACM) wordt voorgelegd, met als doel het verkrijgen van de goedkeuring alvorens te mogen overgaan tot aanpassing. Is dit juist?
De ACM kan bovenstaande lezing door GTS niet volgen. De tweede alinea van de verklaring van de NMa stelt dat GTS uiterlijk op 15 juli 2012 aan de NMa moest rapporteren over de uitvoering van de Opheffingsovereenkomst. Op basis van die rapportage heeft de NMa beoordeeld of de Opheffingsovereenkomst voldoende ten uitvoer is gebracht. Mocht dit niet het geval zijn, dan behield de NMa het recht om alsnog tegen de gemaakte afspraken en/of het voortduren van bestaande afspraken uit de Erfenisovereenkomst op te treden. Dit staat niet gelijk aan dat de Opheffingsovereenkomst op geen enkele wijze aangepast mag worden zonder dat dit eerst aan de NMa wordt voorgelegd. Zolang de afspraken in lijn zijn met Europese wet- en regelgeving, de netcodes energie vastgesteld door de NMa/ACM en de standaardcontracten van GTS is geen goedkeuring voor het aanpassen van transportcontract vereist van de NMa/ACM.
4. Het bestaande regulatoire kader voorziet niet in de mogelijkheid tot het annuleren van bestaande transportcontracten. Wat is de visie van de ACM op de wens van één of meerdere shippers om in het verleden geboekte capaciteit (c.q. bestaande contracten) geheel of gedeeltelijk te annuleren? Is het naar de mening van de ACM wenselijk het reguleringskader aan te passen zodat bestaande contracten geannuleerd zouden kunnen worden?
Antwoord op vraag 4 is afhankelijk van de annuleringsvergoeding die een partij bereid is te betalen. Indien er geen annuleringsvergoeding wordt betaald, of een annuleringsvergoeding die slechts een deel van de gemiste inkomsten van GTS dekt, is de ACM van oordeel dat het annuleren van bestaande lange termijn contracten onevenredig en ondoelmatig is en niet verenigbaar met de belangen waaraan de ACM een codewijziging - die nodig is om annulering van bestaande lange termijn contracten mogelijk te maken - moet toetsen. De ACM licht dat hieronder toe.
Indien een netgebruiker gecontracteerde jaarcapaciteit kan annuleren, heeft dit tot gevolg dat annulering - vanwege de bestaande systematiek van omzetregulering - tot een tariefstijging leidt. (…)
Omzetregulering is een vorm van tariefregulering waarbij zeker wordt gesteld dat een vooraf vastgestelde omzet zal worden behaald door GTS. De vastgestelde omzet is gelijk aan de toegestane inkomsten. De hoogte van de tarieven wordt zo vastgesteld dat het
somproduct van de tarieven en de voorspelde gecontracteerde capaciteit gelijk is aan de toegestane inkomsten. (…) Als partijen gecontracteerde capaciteit kunnen annuleren blijft de pot toegestane inkomsten nog steeds even groot, maar wordt deze pot verdeeld over een kleinere hoeveelheid capaciteit. De prijs per eenheid capaciteit zal dan dus stijgen. (…)
Om het annuleren van lange termijn capaciteitscontracten mogelijk te maken is een wijziging van de gascodes nodig. De ACM toetst deze voorwaarden in de gascodes, en wijzigingen daarvan, aan de belangen genoemd in artikel 12f van de Gaswet. (…) De ACM vindt het onevenredig om de overige netgebruikers te confronteren met een tariefstijging als gevolg van het annuleren van bestaande lange termijn capaciteitscontracten. Daarbij komt ook dat deze netgebruikers er niet van uit konden gaan dat de bestaande gecontracteerde capaciteit weer teruggegeven zou worden aan de markt en dat zij met een tariefstijging zouden worden geconfronteerd.
De ACM is ten tweede van oordeel dat een annuleringsmogelijkheid voor bestaande lange termijn capaciteitscontracten in strijd is met het belang van het doelmatig handelen van netgebruikers, zoals genoemd in artikel 12f, eerste lid onder d, van de Gaswet. (…)
5. Is de ACM van mening dat GTS binnen het bestaande regulatoire kader (dat niet in een
mogelijkheid tot het annuleren van bestaande transportcontracten voorziet) bilaterale afspraken met één individuele shipper zou mogen maken over het (gedeeltelijk) afboeken en / of annuleren van bestaande transportcontracten? Hoe verhoudt zich dit tot (o.a.) het non-discriminatiebeginsel? Zou de ACM dit antwoord kunnen toelichten?
Op grond van artikel 14 van de Gasverordening moeten transmissiesysteembeheerders (in dit geval GTS) waarborgen dat zij op niet-discriminerende basis hun diensten aanbieden aan alle netgebruikers. Tevens moet GTS indien zij eenzelfde dienst aanbiedt aan meerdere gebruikers, dat doen onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een door de nationaal regulerende instantie (in dit geval: de ACM) goedgekeurde code. Het recht om kosteloos gecontracteerde capaciteit af te boeken dan wel te annuleren is niet opgenomen in de codes goedgekeurd door de ACM, noch in de standaardvoorwaarden van GTS (de Transport Service Conditions (TSC)). Hieruit volgt dat in beginsel een bilaterale afspraak tussen één individuele shipper en GTS over het afboeken en / of annuleren van bestaande transportcontracten in strijd is met artikel 14 van de Gasverordening. Onder omstandigheden kan een dergelijke discriminatie echter toelaatbaar zijn. Dat is het geval als er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Een verschil in behandeling kan gerechtvaardigd zijn, indien het berust op een objectief en redelijk criterium. Met de inwerkingtreding van het Derde Energiepakket in 2011 is beoogd om een einde te maken aan transitcontracten met afwijkende tarieven en voorwaarden (c.q. voorkeursrechten) ten aanzien van capaciteitstoedeling, zoals een mogelijkheid om capaciteit kosteloos af te boeken en / of te annuleren. De reden hiervoor is dat deze contracten door hun vaak preferentiële rechten met betrekking tot capaciteit een obstakel vormden voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende handel. Gelet hierop verwacht de ACM dat er in deze kwestie niet snel sprake zal zijn van een objectieve reden die een afwijking van het non-discriminatiebeginsel kan rechtvaardigen."
Bij brief van 22 december 2023 beantwoordt de ACM een aantal door GTS gestelde vervolgvragen op haar eerdere brief van 8 december 2023, voor zover van belang, als volgt:
"1. Is de ACM van mening dat een eventuele aanpassing van de door de ACM goedgekeurde OO aan de ACM voorgelegd zou moeten worden voor een oordeel in het geval de eventuele aanpassing afwijkt van EU wet- en regelgeving en/of de netcodes energie vastgesteld door de ACM en/of de standaardvoorwaarden zoals opgenomen in de TSC?
(…) Indien afspraken of eventuele aanpassingen niet in lijn zijn met de geldende Europese wet- en regelgeving, de netcodes energie vastgesteld door de NMa/ACM en/of de standaardcontracten van GTS, dan geldt in beginsel dat - evenals bij transportcontracten - de Opheffingsovereenkomst voorgelegd moet worden aan de ACM.
2. Is het de bevoegdheid van de ACM (en uiteindelijk aan het CBb) om te beoordelen of er wel of geen sprake is van een objectieve reden die een afwijking van het non-discriminatiebeginsel onder artikel 14 van de Gasverordening / artikel 14 Gaswet rechtvaardigt?
De ACM is op grond van artikel 1a van de Gaswet belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de Gasverordening en in de Gaswet. Daarmee is de ACM bevoegd om te beoordelen of GTS op niet-discriminatoire basis diensten aan alle netgebruikers aanbiedt en of bij afwijking daarvan sprake is van een objectieve reden die afwijking van het non-discriminatiebeginsel rechtvaardigt.
3. a. Is de ACM van mening dat (in de periode 2012 tot 2020) (i) ‘ontwikkelingen in de L-gas markt' (zoals sluiting Groningenveld en afbouw buitenlandse L-gasmarkten) en /of (ii) de ‘virtualisatie van de gasmarkt’ (zoals de introductie van VIPs en de groei van TTF naar vooraanstaand Europees handelsplatform) en/of (iii) ‘de ontwikkeling van de GTS transporttarieven’ (inclusief de wijzigingen naar omzetregulering en een postzegeltarief) voldoende aanleiding geven om een algeheel annuleringsrecht (voor alle shippers met bestaande lange termijn contracten) te introduceren?
Nee. Zie het antwoord van de ACM op vraag 5 in de brief van de ACM van 8 december 2023 met kenmerk ACM/UIT/609380.
3. b. Als nee, is de ACM van mening dat (i) en /of (ii) en / of (iii) voldoende aanleiding geven om een individuele shipper (zoals GasTerra) in afwijking van andere shippers een annuleringsrecht toe te kennen voor bestaande lange termijn contracten?
Nee. Zie het antwoord van de ACM op vraag 5 in de brief van de ACM van 8 december 2023 met kenmerk ACM/UIT/609380."
Per 17 april 2024 is het Groningenveld volledig gesloten.
In België wordt vanaf 2024 geen L-gas meer gebruikt.
In Duitsland en Frankrijk zal vanaf 2028/2029 geen L-gas meer worden gebruikt.
GasTerra heeft al haar exportcontracten per uiterlijk 1 oktober 2026 beëindigd. GasTerra heeft nog geboekte transportcapaciteit bij GTS tot en met september 2029.
GasTerra heeft aangekondigd dat zij per 31 december 2026 ophoudt te bestaan.
3. Het geschil
De vorderingen van GasTerra, in het petitum van de dagvaarding opgenomen onder punten I tot en met VIII, laten zich als volgt samenvatten.
GasTerra vordert primair (onder I) om de transportboekingen van GasTerra bij GTS te wijzigen en/of gedeeltelijk te ontbinden op grond van artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) aldus dat de gehele althans gedeeltelijke overtollige transportcapaciteit van GasTerra per 1 januari 2020 wordt afgeboekt tegen een dienovereenkomstige vermindering van de betalingsverplichting van GasTerra, waarbij GTS het door GasTerra vanaf 1 januari 2020 aan GTS teveel betaalde aan GasTerra terugbetaalt, vermeerderd met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van dit vonnis.
Subsidiair (onder II en III) vordert GasTerra effectief hetzelfde als wat zij primair vordert, maar dan op grond van artikel 6:248 lid 1 en 2 BW (de aanvullende respectievelijk beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid).
Meer subsidiair vordert GasTerra (onder IV en V) om de transportboekingen en de daarop betrekking hebbende betalingsverplichtingen van GasTerra jegens GTS voor IP Hilvarenbeek voor zover deze betrekking heeft op de Belgische markt en voor IP Tegelen (gedeeltelijk) te ontbinden vanaf 1 oktober 2024, waarbij GTS als verbintenis tot ongedaanmaking het voor de betreffende transportcapaciteit door GasTerra vanaf 1 oktober 2024 aan GTS betaalde aan GasTerra dient terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van dit vonnis.
Nog meer subsidiair vordert GasTerra (onder VI) om voor recht te verklaren dat de transportcapaciteitsboekingen en de daarop betrekking hebbende betalingsverplichtingen van GasTerra jegens GTS betreffende IP Tegelen zijn beëindigd per 1 januari 2025, waarbij GTS het door GasTerra vanaf 1 januari 2025 aan GTS teveel betaalde aan GasTerra dient terug te betalen, en (onder VII) om GTS te veroordelen tot betaling van een in goede justitie vast te stellen deel van de kosten die GasTerra als gevolg van de onvoorziene omstandigheden verschuldigd was, is of zal zijn aan GTS voor de overtollige transportcapaciteit met ingang van 1 januari 2020, vermeerderd met wettelijke rente over deze bedragen vanaf tien dagen na de datum van dit vonnis.
Tot slot vordert GasTerra (onder VIII) om GTS in de proceskosten te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van dit vonnis, en dit vonnis waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
GTS voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van GasTerra dan wel tot afwijzing van diens vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van GasTerra in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
GasTerra is ontvankelijk
Door GTS is aangevoerd dat GasTerra niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan bij de bestuursrechter. Daartoe stelt GTS dat GasTerra op grond van artikel 6:2 Awb de mogelijkheid heeft gehad om op te komen tegen het niet of niet tijdig nemen van een besluit van de ACM op het voorstel tot het wijzigen van de Transportcode gas LNB (zie verderop in dit vonnis onder rechtsoverweging 4.14), en die mogelijkheid onbenut heeft gelaten.
GasTerra voert ter verweer aan dat door de ACM geen appellabel besluit is genomen en dat zij, zelfs indien wel sprake zou zijn van een appellabel besluit, door de bestuursrechter niet als belanghebbende zou zijn aangemerkt. Verder voert GasTerra aan dat de capaciteitsovereenkomsten tussen partijen geheel door het privaatrecht worden beheerst en dat de ACM zich daarover al eerder onbevoegd heeft verklaard in een brief van 15 mei 2019. Tot slot voert GasTerra aan dat haar vorderingen gebaseerd zijn op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW, wat een kwestie is van uitleg van de overeenkomsten en als zodanig is voorbehouden aan de civiele rechter.
Naar het oordeel van de rechtbank is GasTerra ontvankelijk in haar vorderingen. Ter beoordeling ligt de vraag voor of de overeenkomsten tot het boeken van transportcapaciteit moeten worden gewijzigd wegens onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW dan wel aangevuld of beperkt moeten worden op grond van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 BW. Het betreft dus een vordering tot wijziging van een civielrechtelijke rechtsverhouding door middel van civielrechtelijke instrumenten. Daartoe staat geen bestuursrechtelijke weg open en heeft ook niet opengestaan. Dit laat onverlet dat de aard van de overeenkomst tussen partijen bestuursrechtelijke aspecten kent waaraan de civiele rechter bij de beoordeling is gebonden.
Geen beroep mogelijk op onvoorziene omstandigheden of aanvullende c.q. beperkende werking redelijkheid en billijkheid
GasTerra stelt dat zij in de periode van 1 januari 2020 tot en met september 2029 over circa 322 miljoen euro aan overtollige transportcapaciteit beschikt, in die zin dat er tegenover de door haar geboekte transportcapaciteit geen leveringsverplichting naar een afnemer (meer) staat. Volgens GasTerra is die overtolligheid (kort gezegd) het gevolg van onvoorziene omstandigheden die niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd en die niet voor haar rekening of risico behoren te komen. Daarom zouden deze transportboekingen kosteloos moeten kunnen worden afgeboekt met terugbetaling van het te veel betaalde. Hiertoe heeft GasTerra primair een vordering ingesteld op basis van artikel 6:258 BW.
Op grond van artikel 6:258 lid 1 BW kan de rechter de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Met "onvoorziene omstandigheden" wordt gedoeld op omstandigheden die op het moment van het tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen en die niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd. Het is niet doorslaggevend wat partijen feitelijk wel of niet hebben voorzien, maar wat zij (al dan niet stilzwijgend) in hun overeenkomst hebben voorzien. Wat mag worden gezien als een contractsrisico (en als zodanig is verdisconteerd als zijnde een risico dat voor rekening van een van partijen komt) en wat een omstandigheid is die niet in de overeenkomst is verdisconteerd, moet worden vastgesteld aan de hand van uitleg van de overeenkomst.
Is sprake van een dergelijke onvoorziene omstandigheid, dan moet die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding mag verlangen. Daaraan zal niet snel voldaan zijn, aangezien redelijkheid en billijkheid in beginsel trouw aan het gegeven woord verlangen en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering is toegelaten.
In dat kader stelt lid 2 van artikel 6:258 BW voorop dat de wijziging of ontbinding van een overeenkomst niet wordt uitgesproken voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
De rechtbank komt tot het oordeel dat GTS met succes een beroep doet op artikel 6:258 lid 2 BW, in die zin dat de aard van de overeenkomst maakt dat de door GasTerra gestelde onvoorziene omstandigheden voor haar rekening komen, daargelaten het antwoord op de vraag of deze onvoorzien waren. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot dit oordeel komt.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de overeenkomst(en) tot het boeken van transportcapaciteit waar het in deze zaak om gaat zogeheten LT-(langetermijn)boekingen zijn en dat de Gaswet, Transportcode gas LNB en de door GTS gehanteerde Transmission Service Conditions er niet in voorzien dat die voortijdig en kosteloos kunnen worden afgeboekt (geannuleerd). In dit opzicht bestaat tussen partijen ook geen geschil over de uitleg van de transportovereenkomst en TSC. Hoewel de omvang ervan wél in geschil is, staat op zichzelf ook niet ter discussie dat er sprake is van LT-boekingen door GasTerra die feitelijk niet zijn c.q. worden gebruikt omdat hier van de zijde van GasTerra geen leveringsverplichtingen (meer) tegenover staan, en die dus in zoverre overtollig zijn (geworden).
Volgens GasTerra is die overtolligheid in de kern het gevolg van een drietal onvoorziene omstandigheden. De eerste daarvan is het versneld afbouwen van de gaswinning uit het Groningenveld gevolgd door de versnelde sluiting daarvan in 2024 waardoor GasTerra het L-gas niet meer kan leveren aan haar buitenlandse exportpartners en zodoende haar contracten met die partners heeft moeten heronderhandelen c.q. beëindigen.
De tweede omstandigheid is de groei van de virtuele gasmarkt. Daarbij gaat het om de toegenomen handel op de TTF-markt waardoor de behoefte aan langetermijnleveringscontracten af is genomen, en om de levering op virtuele interconnectiepunten (VIP's) waardoor efficiënter kon worden geboekt en afzonderlijke boekingen op de onderliggende interconnectiepunten (IP's) overbodig zijn geworden. Door het wegvallen van de verkoop van het gas blijft GasTerra zitten met de geboekte transportcapaciteit die zij niet gebruikt maar waarvoor zij wel moet betalen. Deze kostenpost drukt volgens GasTerra extra zwaar op haar omdat enerzijds haar inkomsten afnemen en anderzijds de transporttarieven sterk stijgen. De sterke stijging van de tarieven is volgens GasTerra een derde onvoorziene omstandigheid.
De overeenkomst tussen GasTerra en GTS is van een bijzondere aard. Het transport van gas door het landelijke leidingnet wordt namelijk op grond van de Gaswet gereguleerd door de ACM. Die regulering ziet zowel op de voorwaarden waaronder transportcapaciteit beschikbaar wordt gesteld c.q. wordt geboekt als op de tarieven die daarvoor mogen worden gerekend, zo volgt uit artikel 12f Gaswet. Het vaststellen van de voorwaarden en tarieven is niet ter vrije bepaling aan partijen overgelaten maar aan de ACM, die er blijkens artikel 12f lid 3 Gaswet voor moet waken dat die voldoen aan het bepaalde in lid 1 onder b tot en met i en aan lid 2 van artikel 12f Gaswet.
Het gereguleerde karakter van een gastransportovereenkomst brengt met zich dat partijen slechts binnen de grenzen van de daarop van toepassing zijnde regelingen zoals de Gasverordening, de Gaswet, de Transportcode en de TSC de vrijheid hebben om contractuele afspraken te maken. Die regelingen voorzien niet in de mogelijkheid voor een individuele shipper om kosteloos geboekte transportcapaciteit te annuleren zoals wordt gevorderd. De inhoud van hun transportovereenkomst is gereguleerd door de ACM en staat in zoverre niet ter vrije bepaling van partijen. De civiele rechter kan geen beslissingen nemen die onverenigbaar zijn met dat regime. De gereguleerde context van de overeenkomst maakt dan ook dat de door GasTerra gestelde omstandigheden voor haar rekening dienen te komen, daargelaten het antwoord op de vraag of deze onvoorzien waren. Reeds daarop stuit de vordering van GasTerra in beginsel af.
GasTerra heeft aangevoerd dat de ACM in haar brief van 14 mei 2019 zelf erkent dat op de capaciteitscontracten het privaatrecht van toepassing is en dat de ACM op dat punt geen bevoegdheden heeft en dat de ACM in haar brieven van 8 en 22 december 2023 erkent dat discriminatie ten aanzien van een individuele shipper toelaatbaar is als daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat, waarvan volgens GasTerra sprake is.
Naar het oordeel van de rechtbank doet de mededeling van de ACM in haar brief van 14 mei 2019 geen afbreuk aan het onder nummer 4.13 genoemde uitgangspunt. De ACM wijst er op zichzelf terecht op dat het aan de civiele rechter is om over de contractuele verhouding te oordelen. Daarmee is echter niet gezegd dat de civiele rechter bij die beoordeling geen rekening hoeft te houden met de onder 4.13. bedoelde gereguleerde context waarin partijen hebben gecontracteerd.
Wat er ook zij van het standpunt van GasTerra dat het non-discriminatiebeginsel ruimte biedt voor een individueel afboekingsrecht indien er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond, zij miskent dat de ACM het door GTS geïnitieerde voorstel van een aantal shippers d.d. 17 juni 2021 om langetermijn(LT)boekingen tegen betaling van een annuleringsvergoeding af te kunnen boeken op drie afzonderlijke gronden heeft verworpen. Los van het non-discriminatiebeginsel is het voorstel in strijd geacht met beginselen van evenredigheid en doelmatigheid, waarbij vooral een rol speelde dat het toestaan van individuele annuleringen van langetermijnboekingen (vanwege de tariefsystematiek) tot gevolg heeft dat de andere netgebruikers daarvan de kosten zouden dragen omdat de annuleringsvergoeding niet alle kosten dekt en zij geen rekening hadden hoeven houden met een dergelijke tariefstijging.
Op zichzelf terecht heeft GasTerra daar tegenin gebracht dat het voorstel dat op 17 juni 2021 aan de ACM is gedaan niet hetzelfde is als wat GasTerra thans vordert. In het voorstel tot wijziging van de Transportcode was immers sprake van een annuleringsvergoeding terwijl GasTerra thans vordert dat zij haar overtollige transportcapaciteit kosteloos af kan boeken. Bij kosteloos afboeken zouden de door de ACM uiteengezette bezwaren echter nog klemmender zijn, aangezien er bij een annuleringsvergoeding nog sprake van is dat een deel van de kosten wordt opgevangen die anders aan de overige netgebruikers in rekening zouden worden gebracht, terwijl dat bij een kosteloze afboeking niet het geval is: in dat geval zou de tariefstijging voor de overige netgebruikers nog groter zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank strandt ook het beroep op artikel 6:248 lid 1 en 2 BW.
Voor een beroep op artikel 6:248 lid 1 BW geldt dat sprake moet zijn van een leemte in de overeenkomst in die zin dat een omstandigheid door partijen niet (al dan niet impliciet) is geregeld in de overeenkomst. Of daarvan sprake is, is echter niet relevant als de wijze waarop partijen de omstandigheid in hun overeenkomst hadden kunnen verdisconteren of regelen niet ter vrije bepaling van partijen staat.
Voor een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW geldt een vergelijkbare maatstaf als bij het hierboven besproken beroep op onvoorziene omstandigheden, namelijk dat sprake moet zijn van een situatie waarin handhaving van de bestaande rechtsverhouding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden gezegd dat ongewijzigde instandhouding van een (sterk gereguleerde) rechtsverhouding die niet ter vrije bepaling van partijen staat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Temeer niet nu, zoals de ACM uiteen heeft gezet en GasTerra niet heeft weersproken, de consequentie van het alternatief is dat de andere netgebruikers daarvan de financiële gevolgen zouden moeten dragen, terwijl zij met die mogelijkheid geen rekening hadden kunnen houden toen zij met GTS contracteerden.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen op de primaire en subsidiaire grondslagen (I, II, III en VII) moeten worden afgewezen.
IP Hilvarenbeek
De vordering van GasTerra strekt er toe om de overeenkomst voor transportboekingen ten aanzien van IP Hilvarenbeek (gedeeltelijk) te ontbinden in die zin dat zij wordt ontheven van haar betalingsverplichting voor de boekingen bestemd voor de Belgische markt vanaf 1 oktober 2024 en dat GTS bij wijze van ongedaanmakings-verbintenis wordt veroordeeld om het vanaf 1 oktober 2024 betaalde aan GasTerra terug te betalen.
Aan de vordering legt GasTerra ten grondslag dat GTS is tekortgeschoten bij de uitvoering van de overeenkomst. Daartoe stelt zij dat het interconnectiepunt IP Hilvarenbeek vanaf 1 oktober 2024 niet meer in gebruik is voor levering aan België, als gevolg van het feit dat vanuit België vanaf die datum geen L-gas meer wordt afgenomen en dat het IP enkel nog kan worden gebruikt voor (beperkte) doorvoer naar Frankrijk, waardoor GTS de gecontracteerde dienst ten aanzien van België niet meer kan vervullen.
GTS betwist allereerst dat zij is tekortgeschoten. Daartoe voert GTS aan dat zij technisch nog steeds L-gas transportcapaciteit op IP Hilvarenbeek beschikbaar kan en zal maken indien er sprake is van een "match" op dit interconnectiepunt (die bestaat uit een exit-nominatie door GasTerra met een daarmee overeenkomende entry-nominatie aan Belgische zijde). Er wordt weliswaar feitelijk geen L-gas meer geëxporteerd naar België, maar dat berust volgens GTS niet op een tekortkoming aan haar zijde.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer van GTS. Voor ontbinding van een overeenkomst wegens wanprestatie is (kort gezegd) vereist een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit die overeenkomst. Op grond van de overeenkomst is GTS verplicht om de geboekte transportcapaciteit aan te bieden. GTS heeft onbetwist gesteld dat zij technisch gezien de geboekte L-gas transportcapaciteit nog altijd beschikbaar kan stellen (als er nominaties plaatsvinden aan beide zijden van het IP). De reden dat dat niet gebeurt, is het feit dat de Belgische markt voor L-gas feitelijk is opgehouden te bestaan, waardoor de exportcontracten die GasTerra met haar Belgische afnemers had zijn beëindigd. Met andere woorden: er stroomt geen L-gas meer naar België omdat daar voor GasTerra geen markt meer voor is, en niet omdat gastransport als gevolg van een tekortkoming van GTS niet meer mogelijk is. Dit betreft in feite de veranderde marktomstandigheden die GasTerra aan haar primaire vorderingen ten grondslag heeft gelegd en waarvan de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat die gelet op de gereguleerde aard van de overeenkomst voor rekening van GasTerra dienen te blijven. Nu geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van GTS, moeten de vordering tot ontbinding van de overeenkomst en tot ongedaanmaking worden afgewezen.
IP Tegelen
De vordering van GasTerra strekt er toe om de overeenkomst voor transportboekingen ten aanzien van IP Tegelen (gedeeltelijk) te ontbinden in die zin dat zij wordt ontheven van haar betalingsverplichting voor de boekingen vanaf 1 oktober 2024 en dat GTS bij wijze van ongedaanmakingsverbintenis wordt veroordeeld om het vanaf 1 oktober 2024 in dat verband betaalde aan GasTerra terug te betalen, dan wel (meer subsidiair) dat voor recht wordt verklaard dat transportcapaciteitsboekingen en de daarop betrekking hebbende betalingsverplichtingen van GasTerra jegens GTS betreffende IP Tegelen zijn beëindigd per 1 januari 2025 en GTS het teveel betaalde aan GasTerra dient terug te betalen.
Aan de vordering tot ontbinding legt GasTerra ten grondslag dat IP Tegelen vanaf 1 oktober 2024 buiten bedrijf is gesteld waardoor er fysiek geen gas meer kan stromen via dit interconnectiepunt en er zodoende sprake is van een tekortkoming in de nakoming door GTS.
Aan de gevorderde verklaring voor recht dat de transportovereenkomsten voor IP Tegelen per 1 januari 2025 zijn beëindigd legt GasTerra ten grondslag dat GTS in de nieuwe versie van de TSC, die per 1 januari 2025 in werking is getreden, heeft vastgelegd dat IP Tegelen per 1 maart 2025 wordt gesloten. Dat is volgens GasTerra een wijziging van de TSC als bedoeld in artikel 6.D.5 TSC die voor haar een materieel nadelig effect ("material adverse effect") oplevert. Op grond van artikel 6.D.8 TSC stelt GasTerra daarom het recht te hebben de boekingen op dit IP te beëindigen.
GTS betwist dat er vanaf 1 oktober 2024 geen gas meer kan stromen via IP Tegelen. Volgens GTS is er vanaf 1 oktober 2024 door GasTerra geen nominatie meer gedaan, omdat er aan de Duitse zijde geen behoefte meer was aan L-gas en GasTerra de betreffende exportcontracten heeft heronderhandeld. Volgens GTS kon GasTerra desalniettemin gebruik maken van deze boekingen door de geboekte capaciteit op IP Tegelen om te zetten naar het bovenliggende VIP.
GTS betwist verder dat GasTerra gerechtigd is om op grond van artikel 6.D.8. TSC de boekingen te annuleren. Volgens GTS biedt dit artikel die mogelijkheid alleen bij wijzigingen als bedoeld in artikel 6.D.5. of 6.D.6. TSC, en is de sluiting van IP Tegelen dat niet, maar een wijziging als bedoeld in artikel 6.D.7. TSC, dat ziet op wijzigingen in de Transportcode of wetgeving. Volgens GTS is de sluiting van IP Tegelen het gevolg van de Gasverordening, en daarmee een wijziging als bedoeld in artikel 6.D.7. TSC. Tot slot betwist GTS dat de sluiting van IP Tegelen voor GasTerra een materieel nadelig effect had, omdat de boekingen door haar reeds op 1 februari 2025 waren omgezet naar het VIP, waardoor het ook na de sluiting van IP Tegelen mogelijk is gebleven om gebruik te maken van de geboekte transportcapaciteit.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer van GTS. Net als bij IP Hilvarenbeek geldt dat GTS vanaf 1 oktober 2024 nog wel kan nakomen, maar de afnemende behoefte aan L-gas in Duitsland tot gevolg heeft gehad dat exportcontracten door GasTerra zijn heronderhandeld c,q, beëindigd en er daardoor geen nominaties meer plaatsvonden. Tot 1 februari 2025 was nakoming door GTS op IP Tegelen nog mogelijk, en daarna op het bovenliggende VIP. Door GasTerra is bepleit dat nakoming op het VIP een andere prestatie is dan wat tussen partijen was overeengekomen, maar dat kan haar niet helpen. Als aan de Duitse zijde in het marktgebied dat via IP Tegelen zou worden beleverd entry-nominaties waren gedaan dan had GTS die via het VIP kunnen nakomen. Waar het bij de transportovereenkomst met betrekking tot de IP Tegelen immers om gaat is dat door GasTerra transportcapaciteit is gereserveerd met als doel dat zij haar verplichtingen aan haar Duitse afnemer(s) in dat marktgebied kan nakomen en dat GTS, wanneer het gas fysiek moet worden geleverd, zorgdraagt voor het transport van dat gas naar die Duitse afnemer. De exacte route die het gas aflegt is daarbij niet van belang. Niet is gesteld of gebleken dat GasTerra leveringsverplichtingen aan haar klanten daadwerkelijk niet heeft kunnen nakomen als gevolg van het omboeken van transportcapaciteit van het IP naar het VIP of dat de sluiting van IP Tegelen een materieel nadelig effect heeft gehad als bedoeld in artikel 6.D.8. TSC. Of de wijziging van de TSC op het punt van de sluiting van IP Tegelen onder de werking van dat artikel valt kan daarom verder buiten beschouwing blijven.
Het voorgaande betekent dat zowel de ontbinding van de transportovereenkomsten als de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht moeten worden afgewezen.
Slotsom
De vorderingen van GasTerra worden integraal afgewezen.
GasTerra is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GTS worden begroot op:
- griffierecht
€
10.188,00
- salaris advocaat
€
13.893,00
(3 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
24.270,00
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van GasTerra af,
veroordeelt GasTerra in de proceskosten van € 24.270,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als GasTerra niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis met betrekking tot de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mr. M.A.B. Faber-Siermann en mr. P.P.D. Bal, leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 in tegenwoordigheid van mr. M. van den Heuvel, griffier.
524 / MvdH