RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1]
Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde] te [woonplaats] ,
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3236
[eiser 2]
[eiser 3] , allen uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R. Sieben),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college
(gemachtigde: J.P. Keizer).
(gemachtigde: S. te Raa).
Procesverloop
In het besluit van 4 juni 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning.
Eisers hebben tegen het besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, S. van Kampen. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 5 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eisers hebben hierop schriftelijke gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 en van 15 augustus 2012.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woning gebouwd zal worden in een ‘kleine kern’, zoals deze gedefinieerd is in de gemeentelijke Woonvisie. Uit deze Woonvisie volgt echter dat het in dit geval gaat om een nieuw te bouwen woning in het ‘Buitengebied’. Omdat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat sprake is van een kleine kern, volgt uit het bestreden besluit niet dat het college medewerking heeft willen verlenen aan een woning in het buitengebied en waarom dat in dit geval toegestaan kan worden. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat vergunningvoorschrift 1.14 onvoldoende rechtszeker is omdat het landschappelijke inpassingsplan op een later moment ter goedkeuring moest worden voorgelegd aan de gemeente en hiertegen geen rechtsmiddelen openstaan.
Gezien de mogelijkheden die de Woonvisie het college bieden om een woning toe te staan in het buitengebied en de toelichting op het Addendum op de Woonvisie (het Addendum) die het college ter zitting heeft gegeven, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek te herstellen. Het gebrek kon het college herstellen door te motiveren of en waarom woningbouw in het buitengebied in dit geval toegestaan kan worden, en met name of dit passend is in de gemeentelijke Woonvisie (en het Addendum) en waarom dit het geval is. Ook heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld (de vormgeving van) vergunningvoorschrift 1.14 te heroverwegen.
Woningbouw in het buitengebied
3. Het college stelt zich op het standpunt dat de bouw van één woning in het buitengebied mogelijk is op basis van het Addendum. Volgens het college biedt het Addendum ruimte aan initiatieven die:
beperkt van omvang zijn;
plaatsvinden binnen bestaand vastgoed;
ruimtelijk aansluiten bij bestaande bebouwingsstructuren;
bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan aan deze voorwaarden voldoet. Er is geen sprake van uitbreiding van het bebouwd areaal, maar van de verbouw van een bestaande schuur tot één woning. Daarmee blijft de ingreep kleinschalig en passend binnen de bedoeling van het Addendum. Het plan is ook expliciet toegestaan op grond van de Provinciale Omgevingsverordening 2016 (Omgevingsverordening), omdat het gaat om kleinschalige woningbouw ter afronding van een bebouwingslint. Door de verbouw van de schuur wordt het onderbroken bebouwingsritme hersteld, zonder dat sprake is van nieuwe verstening of aantasting van open landschap. Het plan is daarmee in overeenstemming met het provinciale beleid en kan worden aangemerkt als ruimtelijk aanvaardbaar.
Eisers stellen dat het bouwplan niet in lijn is met de Woonvisie of het Addendum. De criteria die het college aanhaalt, zien eisers niet terug in deze documenten. Over toevoeging van woningen in het buitengebied wordt in het Addendum het volgende opgemerkt:
“De huidige provinciale Omgevingsverordening biedt ons namelijk ook de mogelijkheid om onder voorwaarden kleinschalige nieuwbouw toe te staan op een open plek in of ter afronding van een bestaand bebouwingslint. Dit is bijvoorbeeld mogelijk wanneer het bebouwingsritme van lintbebouwing in het buitengebied wordt onderbroken en het bebouwingsritme door nieuwbouw wordt hersteld. Wel weegt hierbij de nabijheid van voorzieningen als onderdeel van de beoordeling of er sprake is van structuurversterking zwaarder.”
Eisers menen dat er geen sprake is van een bebouwingslint, omdat het gaat om drie huizen op een rij. Ook is er geen sprake van ‘herstel’, omdat de bebouwing op het perceel al eeuwen bestaat. De verwijzing naar de Omgevingsverordening die het college maakt, valt volgens eisers buiten het bereik van de tussenuitspraak.
De rechtbank overweegt dat het Addendum drie mogelijkheden biedt om af te wijken van de algemene regel uit de Woonvisie dat woningen in principe niet toegestaan worden in buitengebied. Twee van die uitzonderingsmogelijkheden verwijzen daarvoor naar mogelijkheden die de Omgevingsverordening biedt: de Ruimte-voor-ruimte-regeling en het toevoegen van woningen in bebouwingslinten in het buitengebied. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college op goede grond verwijst naar de Omgevingsverordening en daarmee niet buiten het bereik van de tussenuitspraak gaat.
Artikel 2.31.7 van de Omgevingsverordening regelt de (nieuw)bouw van woningen binnen bebouwingslinten in het buitengebied. Het tweede lid van dit artikel stelt dat onder voorwaarden de bouw van maximaal drie nieuwe woningen in het buitengebied kan worden toegestaan voor zover het de ruimtelijke afronding van een bestaand bebouwingslint betreft. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft kunnen concluderen dat het in dit geval om een bebouwingslint gaat als bedoeld in artikel 2.11, onder b, van de Omgevingsverordening. Daartoe acht de rechtbank van belang dat het gaat om een groep naast elkaar gelegen woningen aan beide zijden van een (doorgaande) weg in het buitengebied met kleine afstanden tussen de percelen. Deze situering van de woningen komt daarmee overeen met de gegeven definitie in de Omgevingsverordening. Hetgeen eisers hierover aanvoeren, geeft de rechtbank geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen.
In de aanvullende motivering heeft het college enkele voorwaarden aangehaald waaraan het bouwplan zou moeten voldoen om de bouw van een woning in het buitengebied toe te staan. Zoals eisers terecht stellen, is niet duidelijk waar het college deze voorwaarden vandaan haalt. De rechtbank ziet de door het college aangehaalde voorwaarden niet terug in de Woonvisie en het Addendum en ook niet in de Omgevingsverordening. Artikel 2.13.7 van de Omgevingsverordening stelt wel vier voorwaarden waaraan voldaan moet zijn, wil het college toestemming geven voor de bouw van een woning in het buitengebied. Uit de aanvullende motivering blijkt niet dat het college het bouwplan aan deze voorwaarden heeft getoetst. Daarnaast stelt het Addendum zelf de voorwaarde van de nabijheid van voorzieningen in het kader van de vereiste structuurversterking. Uit de aanvullende motivering blijkt ook niet dat het college deze voorwaarde meegenomen heeft in de beoordeling. Ook met de aanvullende motivering heeft het college daarom niet deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval meegewerkt kan worden aan de bouw van een woning in het buitengebied. Op dit punt is het gebrek dus niet hersteld.
Landschappelijke inpassing
4. Met de aanvullende motivering wil het college voorschrift 1.14 bij de vergunning verduidelijken. Daartoe heeft het college aanvullende voorwaarden opgenomen en wordt het landschappelijk inpassingsplan integraal onderdeel van de vergunning. Het college stelt zich op het standpunt dat dit plan een concrete uitwerking bevat van de aan te brengen groenstrook met streekeigen beplanting, gericht op het waarborgen van privacy en een goede landschappelijke overgang naar de omliggende percelen. Door het plan als bijlage te verbinden aan de vergunning, met concrete soorten, locatie en minimale plantmaten, is voor burgers en toezichthouder duidelijk wat wordt verlangd en welke handhaving kan plaatsvinden bij afwijking.
Eisers stellen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar jurisprudentie de criteria voor voorwaardelijke verplichtingen geformuleerd heeft en dat het landschappelijk inpassingsplan niet aan deze criteria voldoet. Het college verwijst naar bijlagen waaruit zou moeten volgen hoe de beplanting eruit moet gaan zien. Op de bijgevoegde foto’s is echter niet te zien welke bomen en struiken zijn gebruikt voor het bosplantsoen. Ook ontbreekt inzicht in de hoogte, breedte en eindsituatie. Daardoor is het opnemen van een verplichting tot het aanleggen van een groenstrook inhoudsloos. De landschappelijke inpassing is daarmee niet duidelijk en objectief bepaalbaar en daarom ook niet handhaafbaar.
De rechtbank overweegt dat het in dit geval niet gaat om het opnemen van een voorwaardelijke verplichting (in een bestemmingsplan), maar dat het gaat om het opnemen van een voorschrift in de vergunning. Daarvoor geldt dat, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel, een vergunningvoorschrift voldoende concreet moet zijn zodat duidelijk is welk handelen of nalaten als overtreding wordt aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het opgenomen voorschrift hier niet aan voldoet en zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel komt.
Het college heeft in de aanvullende motivering vergunningvoorschrift 1.14 aangepast. Het voorschrift schrijft nu (onder andere) voor dat de landschappelijke inpassing dient te worden uitgevoerd conform het vastgestelde inpassingsplan.
Het vastgestelde inpassingsplan bestaat uit drie bijlagen (bijlage 1,2 en 5) die het college bij de aanvullende motivering heeft overgelegd. Bijlage 5 is een (getekende) weergave van de betreffende kadastrale percelen. Tussen het perceel waarop de woning wordt gebouwd en het perceel van nummer 85 is een blokje met stippellijn uitgezet, waarbij met pen ‘Groenstrook’ is ingetekend. Bijlagen 1 en 2 betreffen foto’s van sneeuwlandschappen waarop enkele bomen en struiken te zien zijn. De rechtbank vermoedt dat het de bedoeling is dat op de groenstrook deze gefotografeerde bomen en struiken geplant worden. Dit volgt echter niet uit het voorschrift, niet uit de bijlagen en ook niet uit de aanvullende motivering. Daarnaast is uit de foto’s niet op te maken om wat voor soort bomen en struiken het gaat en wat het (minimale) formaat van de verschillende beplanting moet zijn, terwijl het college in de aanvullende motivering stelt dat duidelijk is gemaakt welke concrete soorten planten, op welke locatie en met welke minimale plantmaat er moeten komen. Dit blijkt evenmin uit het vergunningvoorschrift of uit de aanvullende motivering. Het is daarom voor vergunninghouder niet duidelijk wat hij moet doen om aan vergunningvoorschrift 1.14 te voldoen. Het vergunningvoorschrift is dan ook onvoldoende rechtszeker.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Met de aanvullende motivering heeft het college de gebreken niet hersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.