RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights, gevestigd in Den Haag
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3305
Stichting Fauna4Life, gevestigd in Amstelveen, eiseressen
(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven),
en
(gemachtigden: mr. A.M. Jansen, mr. L. Boerema, mr. I. Janse, R. Miedema, F.R. Wagenaar en A.H.J. Loonstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Faunabeheereenheid Fryslân uit Gorredijk, de Faunabeheereenheid
(gemachtigden: N. van Grinsven en J. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) die het college aan de Faunabeheereenheid heeft verleend voor het ’s nachts bestrijden van de vos in de periode 1 december 2023 tot en met 30 juni 2026. Eiseressen zijn het niet eens met de ontheffing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van het college op de bezwaren van eiseressen tegen de ontheffing.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de verleende ontheffing in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De Faunabeheereenheid heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb ingediend voor het doden van vossen (Vulpes vulpes) met behulp van:
De ontheffing is aangevraagd met het oog op de bescherming van weidevogels in de provincie Fryslân. Deze aanvraag ziet op de periode van 1 december tot en met 30 juni voor de jaren 2023 tot en met 2026. De aanvraag heeft ook betrekking op het gebruik van aardhonden voor het jagen of opsporen van (jonge) vossen, in diezelfde periode en jaren. Het ontheffingsgebied valt samen met de weidevogelkansgebieden in de provincie Fryslân met daaromheen een gebied van vijf kilometer.
Het college heeft bij besluit van 21 november 2023 de gevraagde ontheffing verleend. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 op het bezwaar van eiseressen heeft het college de ontheffing in stand gelaten.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het college heeft bij besluit van 7 april 2026 de duur van de ontheffing verlengd tot en met 30 juni 2028.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen (via digitale beeldverbinding), de gemachtigden van het college en de gemachtigden van de Faunabeheereenheid.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om ontheffing is ingediend op 31 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb en de onderliggende regelingen zoals die golden voor 1 januari 2024, van toepassing blijven.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
4. Het college heeft de duur van de ontheffing bij besluit van 7 april 2026 verlengd tot en met 30 juni 2028. Partijen hebben de rechtbank verzocht om het besluit aan te merken als een besluit bedoeld in 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseressen hebben tijdens de zitting verklaard dat de gronden die zij hebben aangevoerd tegen de ontheffing ook betrekking hebben op de verlenging daarvan. Zij hebben geen aanvullende gronden die specifiek zijn gericht tegen de verlenging.
De rechtbank merkt dit besluit, op verzoek van partijen en gelet op wat partijen hierover zelf hebben aangevoerd, om proceseconomische redenen aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het beroep mede betrekking heeft op de verlenging van de duur van de ontheffing.
Is er een andere bevredigende oplossing?
5. Eiseressen voeren aan dat de ontheffing niet verleend had mogen worden omdat er andere bevredigende oplossingen zijn, namelijk het geschikt maken van de biotoop en het aanbrengen van voswerende rasters rondom daarvoor geschikte percelen. Zij stellen dat een andere bevredigende oplossing altijd eerst moet worden uitgevoerd voordat overgegaan kan worden tot meer ingrijpende maatregelen, ook als die andere oplossing maar gedeeltelijk bevredigend is. Eiseressen menen dat de gestelde nadelen van het afrasteren van gebieden er niet toe kunnen leiden dat de maatregel in geen enkel geval wordt uitgevoerd, omdat de maatregel onder omstandigheden wel effectief kan zijn. Eiseressen kunnen het college niet volgen in het standpunt dat verbetering van de biotoop niet is gericht op de bescherming van weidevogels tegen de vos en dat dit daarom niet aangemerkt kan worden als een andere bevredigende oplossing. Een geschikte biotoop zorgt er (indirect) voor dat weidevogels zich kunnen verdedigen tegen predatoren zoals de vos. Eiseressen stellen dat de ontheffing ziet op dezelfde weidevogelgebieden waarvan deze rechtbank in een uitspraak over steenmarters al heeft bepaald dat deze niet voldoen. Het college heeft volgens eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat optimaal weidebeheer geen andere bevredigende oplossing biedt.
Het college stelt zich op het standpunt dat het afrasteren van gebieden geen uitvoerbaar of werkend alternatief biedt voor het weren van vossen uit gebieden. Dat is onderbouwd in het Faunabeheerplan predatie 2022 – 2026 (Faunabeheerplan), de ontheffing en het verweerschrift. Het college wijst erop dat de vos overdag sowieso mag worden beheerd onder het faunabeheerplan predatie, in combinatie met de landelijke vrijstelling. Het afrasteren is daarom geen alternatief voor het nachtelijk schieten. Bovendien is effectief afrasteren van grote gebieden nauwelijks uitvoerbaar en heeft dat grote nadelen voor andere soorten.
Ter zitting is door het college, onder verwijzing naar het Faunabeheerplan, nog nader toegelicht dat afrasteren van een gebied met een elektrisch raster niet haalbaar is. Anders dan eiseressen hebben aangevoerd, is het effect van het afrasteren in elf terreinbeheerorganisatiegebieden (TBO-gebieden) onderzocht door Altenburg en Wymenga. De betrokken beheerders van die gebieden zijn positief maar wijzen ook op de kosten en de vele tijd die het kost om het raster steeds vrij te maaien. De kosten van het afrasteren van de steenmartergebieden bedragen volgens de Faunabeheereenheid jaarlijks tenminste 74 miljoen euro. Goed beheer en onderhoud van het raster is bovendien essentieel voor de werking. Wanneer er vegetatie op de stroomdraden rust, verzwakt dat de stroompuls. Vossen hebben dit direct door en doorbreken het raster. Het is een tijdrovende een daarmee kostbare klus om de stroomdraad vrij van gras te houden. Bovendien wordt het afrasteren bemoeilijkt doordat de gebieden in eigendom zijn van verschillende landeigenaren. Het gebied in Zeeland waarnaar eiseressen ter onderbouwing van hun standpunt hebben verwezen is met een oppervlakte van 75 hectare aanzienlijk kleiner dan de onderhavige gebieden. Als het afrasteren in dat gebied een bevredigende oplossing is, kan dat daarom niet leiden tot de conclusie dat dat ook voor de onderhavige gebieden het geval is.
Het college stelt zich verder op het standpunt dat het op orde brengen van de biotoop geen alternatief is voor het bestrijden van vossen. Het college voert daarbij aan dat uit vaste rechtspraak blijkt dat niet alle preventieve maatregelen hoeven te worden ingezet voordat over mag worden gegaan tot beheer. Ook uit de geschiedenis van totstandkoming van de Wnb volgt dat het bevoegd gezag het belang van de bescherming van de betrokken soort en het belang waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd tegen elkaar zal moeten afwegen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de specifieke omstandigheden.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen andere bevredigende maatregel. Daartoe is het volgende van belang.Rasters
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het elektrisch afrasteren van de weidevogelgebieden geen bevredigende alternatieve oplossing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aannemelijk gemaakt dat het volledig (elektrisch) afrasteren van de gebieden niet haalbaar is. De rechtbank acht daarvoor van belang dat met de aanleg en het onderhoud ervan hoge kosten zijn gemoeid en het onderhoud arbeidsintensief is. Bovendien is de uitvoering ervan afhankelijk van de medewerking van veel verschillende terreineigenaren. Ook kan de rechtbank het college volgen in zijn toelichting dat afrasteren onvoldoende effectief zal zijn en belangrijke nadelen kent voor andere soorten. De verwijzing van eiseressen naar de afrastering die in een gebied in Zeeland is geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel nu het daar om een beperkt gebied ging dat veel kleiner is dan het gebied waar de ontheffing op ziet.
Verbetering van de biotoop
De rechtbank is van oordeel dat het verbeteren van de weidevogelstand een andere oplossing kan zijn, maar dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het in dit geval geen andere bevredigende oplossing is. De rechtbank acht daarvoor allereerst van belang dat de ontheffing ziet op een periode van aanvankelijk drie jaar, die is verlengd met twee jaar. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer de vraag of biotoopverbetering in zijn algemeenheid een alternatieve bevredigende oplossing is, maar of dat geldt in de periode waarop de ontheffing ziet. Het college heeft met verwijzing naar de Nota weidevogels en verschillende rapporten naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat in deze periode de enkele verbetering van de biotoop onvoldoende is voor het behoud van weidevogels. De afname van weidevogelpopulaties in Fryslân is daarvoor te ernstig. De rechtbank is verder van oordeel dat niet eerst alle probleem verminderende deeloplossingen hoeven worden ingezet, voordat tot het doden van beschermde soorten kan worden overgegaan.
Is de ontheffing noodzakelijk voor de bescherming van weidevogels?
7. Eiseressen voeren aan dat niet is voldaan aan de eis dat het ter bescherming van de weidevogels noodzakelijk is om een onbeperkt aantal vossen te doden in alle aangewezen gebieden. Het heeft volgens eiseressen geen nut om predatoren te doden omdat de biotoop onvoldoende op orde is, zoals deze rechtbank heeft geoordeeld in een uitspraak over het beheer van steenmarters. Het college verwacht dat predatiebeheer bijdraagt aan een verbeterd nestsucces, maar heeft het broedsucces niet onderzocht. Eiseressen verwijzen naar deskundigen die aangeven dat een verbeterd nestsucces geen effect heeft op het broedsucces zolang de biotoop niet op orde is. Zij stellen dat predatiebeheer mogelijk wel leidt tot meer kuikens, maar bij gebreke van een geschikte biotoop zullen die kuikens niet overleven zodat het predatiebeheer per saldo niet bijdraagt aan een toename van het aantal weidevogels. Ook verwijzen zij naar een artikel van ecoloog [auteur] . Daarin stelt hij dat bestrijding van predatoren, meer in het bijzonder de steenmarter, weidevogels niet helpt.
Het college stelt zich op het standpunt dat predatiebeheer noodzakelijk is, ook al zet het tegelijkertijd volop in op het verbeteren van de weidevogelbiotoop. De staat van instandhouding van de weidevogels verslechtert nog steeds. Van de vos is bekend dat deze een substantieel aandeel heeft in de predatie van weidevogelnesten en weidevogels. Het college verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland. Daarin is overwogen dat verweerder in die zaak met de verwijzing naar het faunabeheerplan en het daarin genoemde deskundigenadvies voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van weidevogels en andere bodembroeders. Uit onderzoeken is gebleken dat het bestrijden van de vos helpt het broedsucces van de vogels te verhogen en dat de weidevogelpopulatie hierdoor versterkt. Het college wijst erop dat het artikel van [auteur] geen onderzoek betreft, maar een ingezonden brief met daarin de reactie van [auteur] op wetenschappelijk onderzoek. Uit dat onderzoek, dat gaat over de effecten van steenmarterbeheer in Fryslân blijkt juist dat beheer van de steenmarter wel bijdraagt aan een verbetering van de weidevogelpopulatie. De ontheffing is nodig voor een effectiever afschot van de vos, die over het algemeen ’s nachts actief is en dus noodzakelijk voor de bescherming van weidevogels.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de staat van instandhouding van de weidevogels kwetsbaar is en achteruitgaat, terwijl de vos in een gunstige staat van instandhouding verkeert. Verder staat vast dat de vos een predator is van weidevogels en andere bodembroeders. Uit onderzoeken waarnaar het college heeft verwezen, blijkt dat de predatiedruk van de vos leidt tot een afname van de weidevogelpopulatie. Het precieze aandeel van de vos in de predatie van deze vogels is niet bekend, maar uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat dit ook niet is vereist.
Het criterium waaraan moet worden getoetst is of het college aannemelijk heeft gemaakt dat het doden van vossen bijdraagt aan het belang van de bescherming van weidevogels. Daarbij hoeft het precieze aandeel van de vos in de predatie van weidevogels niet bekend te zijn. In dit geval heeft het college dit naar het oordeel van de rechtbank met de verwijzing naar diverse onderzoeksrapporten en het Faunabeheerplan voldoende aannemelijk gemaakt. Het college heeft gemotiveerd waarom de ontheffing nodig is voor een effectiever afschot van de vos en voor een betere bescherming van deze vogels. De vos is namelijk over het algemeen ‘s nachts actief en kan dan met behulp van kunstlicht gemakkelijk door enkele personen worden bejaagd. Overdag bevindt de vos zich in zijn rustplaats en zijn veel mensen nodig om de vos te bestrijden, waarbij succes niet is gegarandeerd. Het beheer van de vossenpopulatie draagt dan ook bij aan het beschermen van de weidevogels.
Wat eiseressen daartegenover hebben gesteld is niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Eiseressen hebben in deze beroepsprocedure aangekondigd dat zij zelf onderzoek zouden laten uitvoeren naar het effect van een verbeterd nestsucces op het broedsucces, zolang de biotoop niet op orde is. Zij hebben dit echter niet gedaan. Eiseressen hebben alleen verwezen naar algemene rapporten en/of teksten van de website van de Vogelbescherming, de Algemene rekenkamer en Sovon maar niet naar concrete onderzoeken. Uit die algemene stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het in de actuele Friese situatie geen nut heeft om de predatoren te bestrijden omdat de kuikens toch niet overleven. Uit het rapport van Altenburg en Wymenga uit 2011 waar eiseressen naar verwijzen blijkt dat evenmin. Daarin wordt het verwijderen van predatoren in beginsel als effectieve methode om predatie te verminderen beschreven en dat dit kan leiden tot een toename van de broedpopulaties. Het artikel van [auteur] dat eiseressen in de procedure hebben ingebracht is een ingezonden brief die niet afkomstig is van een onafhankelijke deskundige en de inhoud daarvan is niet gebaseerd op onderzoek. Dit artikel kan daarom ook niet tot een ander oordeel leiden. Mocht het college de ontheffing mede verlenen voor een bufferzone van vijf kilometer?
9. Eiseressen voeren aan dat de gebieden waarvoor de ontheffing geldt te groot zijn door het gebruik van een onnodig grote bufferzone van vijf kilometer rondom de weidevogelkansgebieden. Een ecologische dan wel wetenschappelijke onderbouwing van deze bufferzone ontbreekt volgens eiseressen. De enkele stelling dat de vos ver kan lopen is volgens hen onvoldoende. Het college verwijst volgens eiseressen alleen naar algemene bronnen en het Faunabeheerplan. Dat vinden zij onvoldoende.
Het college stelt zich op het standpunt dat het geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van de aangevraagde bufferzone van vijf kilometer. Bij de beoordeling heeft het de onderbouwing van de Faunabeheereenheid betrokken, evenals enkele hem bekende onderzoeken. De Faunabeheereenheid heeft de aanvraag onderbouwd met een verwijzing naar Duits telemetrieonderzoek, gecombineerd met de ervaringen met predatiebeheer over de voorafgaande zes jaren. Daarnaast heeft de Faunabeheereenheid verwezen naar een onderzoek naar bewegingspatronen en habitatkeuze van vossen in het Waddenkustgebied.
10. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zoals het college heeft toegelicht, is de ontheffing verleend voor gebieden in en rond de leefgebieden van weidevogels. De vos is, zoals ook in het Faunabeheerplan is beschreven, mobiel en kan zich op korte termijn over aanzienlijke afstand verplaatsen. Dit betekent dat de vos in en rond alle aangewezen leefgebieden voor weidevogels kan voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderbouwing die het college heeft gegeven voor de gekozen omvang van de bufferzones, mede door de aanvulling die ter zitting is gegeven, voldoende deugdelijk. Het college en de Faunabeheereenheid hebben ter zitting toegelicht dat de omvang van de bufferzone niet alleen te maken heeft met het foerageergebied van de vos, maar ook met de wijze van bejaging (namelijk vanaf de openbare weg). Wat eiseressen hier tegenover hebben gesteld zijn eigen aannames en berekeningen over het territorium van vossen. Dat vindt de rechtbank onvoldoende om de motivering van het college niet te volgen.
Verlengingsbesluit
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit over de ontheffing niet kan slagen. Omdat tegen het besluit van 7 april 2026 tot verlenging van de werkingsduur van de ontheffing geen andere beroepsgronden zijn ingediend dan hiervoor besproken, slagen die beroepsgronden tegen dit besluit evenmin.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat geldt zowel voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit van 18 juni 2024 als voor zover gericht tegen het besluit van 7 april 2026 tot verlenging van de duur van de ontheffing. Dat betekent dat de verleende ontheffing in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, en mr. W.R. van der Velde en mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. T.C.A. Aupers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming
Artikel 1.1 Begrippen, reikwijdte en bevoegdheden
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
- gunstige staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat:
a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en
b. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
c. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
Artikel 3.5
1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
(…)
Artikel 3.8
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
(…),
5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
(…)
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Artikel 3.10
1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:
a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
(…)
2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:
(…)
Artikel 3.12
1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
(…)
Artikel 3.15
(…)
6. De schade, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, heeft uitsluitend betrekking op:
(…)
b. door dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte:
1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats, of
(…)
Artikel 3.17
1. Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:
(…)
b. in geval van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:
1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
(…)
c. ingeval dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:
1°. om de redenen genoemd in onderdeel b;
(…)
2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.
3. De faunabeheereenheid kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de haar ingevolge het eerste en tweede lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen.
4. In afwijking van het tweede lid kan een ontheffing ook aan een wildbeheereenheid of aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend, indien de noodzaak ontbreekt voor verrichting van de handelingen door tussenkomst van een faunabeheereenheid.
(…)
Artikel 3.24
1. Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
2. Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt zijn voor het doden of vangen van dieren, of met materialen ter onmiddellijke vervaardiging van die middelen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren.
3. Bij een aanwijzing krachtens het tweede lid wordt mede rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Benelux-overeenkomst regels gesteld over het gebruik van middelen.
5. Het is een ieder verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.
6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, is niet van toepassing ingeval het opsporen, doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren in het veld ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet is toegestaan.
Artikel 3.25
1. Bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste onderscheidenlijk tweede lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste of tweede lid, en met artikel 3.9, tweede lid, en bij het geven van een opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, worden de middelen aangewezen die voor het vangen en doden van de aldaar bedoelde vogels en dieren mogen worden gebruikt.
(…)
4. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van:
a. het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid. Op deze vrijstelling of ontheffing is artikel 3.24, derde, lid van overeenkomstige toepassing;
b. regels als bedoeld in artikel 3.24, vierde lid, voor zover deze vrijstelling of ontheffing in overeenstemming is met de bij of krachtens de Benelux-overeenkomst gestelde regels.
Artikel 3.26
1. Het is verboden een geweer te gebruiken ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens deze wet:
(…)
b. op gronden, niet zijnde een jachtveld dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels;
(…)
d. voor andere handelingen dan:
(…)
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan het gebruik van het geweer, bedoeld in het eerste lid, worden uitgesloten of beperkt en kunnen regels worden gesteld over:
a. het geweer;
b. de munitie, waarbij ook rekening wordt gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu;
c. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer;
(…)
2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van het eerste lid, onderdeel a of b, en de krachtens het tweede lid gestelde regels, met dien verstande dat bij het verlenen van ontheffing of vrijstelling van regels als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ook rekening wordt gehouden met belangen van veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.
Bijlage, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming
Onderdeel A (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a)(…)
Vos
(…)
Besluit natuurbescherming
Artikel 3.1
Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
(…),
e. vos (Vulpes vulpes),
(…).
Artikel 3.9
1. Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
(…).
2. Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:
(…),
e. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake:
1°. de omvang van het jachtveld,
2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten,
3°. de munitie, of
4°. het gebruik van het geweer:
- voor zonsopgang of na zonsondergang,
- binnen de bebouwde kom of op terreinen als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet,
- binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet,
- vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of
- vanuit een luchtvaartuig.
(…),
4. De aanwijzing van geweren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, geldt uitsluitend voor zover:
a. wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.16 inzake de regels waaraan het jachtveld voldoet, inzake de regels over de munitie, het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer of de diersoorten waarop het gebruik van het geweer betrekking heeft en inzake de gevallen waarin het gebruik van het geweer is uitgesloten of beperkt, dan wel,
b. voor zover het betreft de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, op grond van artikel 3.26, derde lid, van de wet ontheffing of vrijstelling is verleend van de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16.
(…).
Artikel 3.13
(…),
4. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
Artikel 3.16
1. Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&g=2025-03-26&z=2025-03-26) te gebruiken:
a. voor zonsopgang en na zonsondergang;
(…)
d. vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of
(…).
Regeling natuurbescherming
Artikel 3.1
(…),
2. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van konijnen en vossen.
(…),
4. De categorieën van schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, onderdeel c, van de wet, zijn de categorieën van schade als bedoeld in de artikelen 3.10, tweede lid, onderdeel b, en 3.15, zesde lid, onderdeel b, van de wet.
5. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.
Artikel 3.2
De handelingen waarvoor vrijstelling wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.
Artikel 3.3
(…),
3. Als middelen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden aangewezen:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
(…)