RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.295183.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2026.
Verdachte is verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Hijken, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Oranjekanaal ZZ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als beginnend bestuurder,
als gevolg waarvan verdachte in botsing is gekomen met die [slachtoffer] ,
waardoor een ander, te weten die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Hijken, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oranjekanaal ZZ, als beginnend bestuurder,
als gevolg waarvan verdachte in botsing is gekomen met die [slachtoffer] ,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij hij de mate van schuld van verdachte kwalificeert als een ernstige mate van schuld, namelijk als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een ongeluk. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ik reed ongeveer 20 meter achter een busje. Ik was niet aan het inhalen. Ik zag een fietser verschijnen. De fietser reed mij tegemoet en reed midden op de weg. Ik heb geen verlichting gezien bij de fietser. Ik denk dat de fietser mij niet gezien heeft.
De rechtbank begrijpt het betoog van verdachte aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat hij van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 25 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik op 4 oktober 2024 rond 06:30 uur over het Oranjekanaal ZZ reed in mijn (bedrijfs)auto. Ik reed achter een busje. Ik reed iets sneller dan dat busje, ongeveer 70 km/u. Het klopt dat er toen een frontale botsing heeft plaatsgevonden tussen mijn auto en de fietser.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 14 november 2024, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] en opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaakregistratienummer PL0100-2025072211 d.d. 27 oktober 2025, voor zover inhoudend:
6 Interpretatie bevindingen
Toedracht, oorzaak en gevolg
De bestuurder van de VW reed met het door hem bestuurde voertuig over de rijbaan van de
Oranjekanaal ZZ, komende vanuit de richting van Oranje (westelijke richting) en gaande in de richting van Hijken (oostelijke richting). De bestuurder van de fiets reed op het door hem bestuurde voertuig op de rijbaan van de Oranjekanaal ZZ, komende vanuit de richting van Hijken (oostelijke richting) en gaande in de richting van Oranje (westelijke richting), in ieder geval tegengesteld aan de VW. Ter hoogte van perceel [nummer] aan genoemde weg botsten beide voertuigen frontaal tegen elkaar.
Uit onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de VW vrijwel zeker op het moment van de botsing niet uiterst rechts reed. Hij reed op het moment van de botsing met zijn voertuig op de weghelft welke bestemd was voor het hem tegemoetkomende verkeer waar op dat moment de fietser hem tegemoet kwam rijden. De fietser voerde vrijwel zeker verlichting waardoor deze voor de bestuurder van de VW zichtbaar moet zijn geweest.
Door de botsing raakte de bestuurder van de fiets zwaargewond en raakten de beide voertuigen beschadigd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 oktober 2024 en opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik reed over het Oranjekanaal Zuid Zijde. Ik kwam uit de richting van Oranje en reed in de richting van Hijken. Ik reed met een snelheid van ongeveer 60 km/h. Er reden geen auto's voor mij of achter mij. Ik zag op een gegeven moment wel lampen achter mij rijden. Ik zag dat de lampen steeds dichter bij mij kwamen. Het was mistig. Het zicht naar voren was beperkt. Ik zag uit tegenover gestelde richting ook twee gele of witte lampjes van fietsen naderen.
De auto kwam zo dichtbij en ik zag hij mij in wilde halen. Ik zag in mijn linker buitenspiegel dat hij links van mij kwam rijden, ik zag beide koplampen in mijn spiegel, ik zag dat hij de inhaalactie al had ingezet. Ik stuurde naar rechts en reed over de grasstenen langs de weg om hem ruimte te geven. Ik zag uit tegenovergestelde richting 2 koplampen aan komen van 2 fietsen, deze fietsers had ik al verder van te voren gezien. Ik zag dat de fietsers wel uit elkaar fietsen en niet bij elkaar fietsten, er zat ongeveer 100 meter tussen de fietsers. Ik wilde de auto, die mij aan het inhalen was ruimte geven, omdat ik al zag dat er mogelijk een ongeluk kon gaan gebeuren. Ik passeerde 1 van de fietsers. Ik hoorde op een gegeven moment lawaai links naast mij. Ik zag die auto, die mij in wilde halen, mij links voorbij komen. Ik zag allemaal stukjes door de lucht vliegen. Ik zag een tas of iets dergelijke door de lucht vliegen. De auto heeft mij volledig ingehaald en stond vervolgens stil aan de linker kant van de weg.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 oktober 2024 en opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Het was op vrijdag 4 oktober. Ik ben 10 over 6 van huis met de elektrische fiets vertrokken. Ik kwam [slachtoffer] tegen. [slachtoffer] heeft ook een elektrische fiets. [slachtoffer] fietste voorop. Ik fietste achter [slachtoffer] , wij fietsen achter elkaar omdat de weg daar smal was. Wij reden ongeveer 22 kilometer per uur. Het was een klein beetje mistig en het was donker.
Op een geven moment zag ik een auto ons tegemoet komen, dit was een soort busje. Ik zag dat [slachtoffer] ter hoogte van de voorkant van het busje fietste. Ik zag dat er een andere auto aankwam met een rot snelheid. Ik zag dat die auto het busje wilde inhalen en toen zag ik dat [slachtoffer] aangereden werd door die auto. Ik zag dat er tussen het busje en de auto die [slachtoffer] aanreed een groot snelheidsverschil zat. [slachtoffer] en ik hadden onze fietsverlichting aan, dit weet ik 100% zeker. Onze fietsverlichting werkte gewoon.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 december 2024 opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik heb nog last van mijn benen, als ik opsta dan word ik duizelig, dit is al een poosje zo. In mijn linker bovenbeen zitten pennen. Ik heb een hersenbloeding opgelopen en er is ook iets met mijn nek, wat er precies mee is weet ik niet maar het deed erg zeer. Mijn rechterbeen was ook beschadigd, daar zat een grote wond. Ook mijn linker enkel was kapot. Ik ben nu langzaam aan het genezen. Ik heb al heel veel afspraken gehad bij het ziekenhuis en ik heb ook nog heel veel afspraken, ik heb nu revalidatie, ik ga bijvoorbeeld naar het zwembad om te herstellen.
6. Een geneeskundige verklaring inzake [slachtoffer] opgemaakt op 31 maart 2025 door dr. [traumachirurg] , als Traumachirurg / Fellow werkzaam bij [ziekenhuis] en opgenomen op pagina 94
e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
Naar aanleiding van uw brief van 23-10-2024 waarin informatie wordt gevraagd over dhr.
[slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1980 deel ik u het volgende mee. De gegevens zijn ontleend aan het medisch dossier van patiënt:
A. (Uitwendig waargenomen letsel)
Bovenbeensbreuk, knieschijfbreuk, onderarmsbreuk, wond onderbeen rechts. Bloeding in het hoofd. ()
D. (Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht) 4-10-2024.
E. (Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, etc.)) Onderarm en bovenbeen moesten direct geopereerd worden.
F. (Geschatte duur van de genezing)
1. jaar.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van het primair ten laste gelegde
Feitenvaststelling
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op vrijdag 4 oktober 2024 heeft, omstreeks 06:36 uur, op de Oranjekanaal ZZ, gelegen buiten de bebouwde kom van Hijken in de gemeente Midden-Drenthe, een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Bij het verkeersongeval waren een voertuig, te weten een (bedrijfs)auto Volkswagen Caddy, kleur wit, met kenteken [kenteken] van verdachte, en een fietser, te weten slachtoffer [slachtoffer] , betrokken.
Verdachte reed met het door hem bestuurde voertuig over de rijbaan van Oranjekanaal ZZ, komende vanuit de richting van Oranje (westelijke richting) en gaande in de richting
van Hijken (oostelijke richting). De fietser reed op de rijbaan van Oranjekanaal ZZ, komende vanuit de richting van Hijken (oostelijke richting) en gaande in de richting van Oranje (westelijke richting), in ieder geval tegengesteld aan de auto van verdachte. Ter hoogte van perceel [nummer] aan genoemde weg botsten de auto en de fietser frontaal tegen elkaar.
Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat verdachte vrijwel zeker op het moment van de botsing niet uiterst rechts reed. Hij reed op het moment van de botsing met zijn voertuig op de weghelft welke bestemd was voor het hem tegemoetkomende verkeer waar op dat moment de fietser hem tegemoet kwam rijden. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben dit bevestigd en hierover verklaard dat verdachte op dat moment een voor hem rijdend busje aan het inhalen was. Uit de verklaringen van voornoemde getuigen volgt voorts dat de fietser verlichting voerde waardoor deze voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest.
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ten tijde van het ongeluk 70 kilometer per uur reed waar maximaal 60 kilometer per uur was toegestaan.
Er zijn aan de auto en aan de fiets geen technische gebreken geconstateerd welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op de oorzaak, verloop en gevolgen van dit ongeval. Het was ten tijde van het ongeval donker en enigszins mistig. Overigens zijn er geen omgevingsfactoren aangetroffen welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op de oorzaak, verloop en gevolgen van dit ongeval.
De fietser, [slachtoffer] , is bij het ongeval zeer ernstig gewond geraakt.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), en zo ja welke schuldgradatie het handelen van de verdachte oplevert. Ook dient de rechtbank te beantwoorden of het letsel van het slachtoffer kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 WVW, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is geweest. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen
worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW houdt in dat sprake is van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte, terwijl het donker en mistig was, als beginnend bestuurder van een auto, op een voor hem bekende smalle weg, met een overschrijding van de maximumsnelheid, heeft geprobeerd om via de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer, links, een voor hem rijdend busje in te halen.
Op dat moment is hij in aanrijding gekomen met de hem tegemoetkomende fietser die hij niet had gezien, terwijl die fietser, zo blijkt uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , verlichting voerde en zichtbaar was. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte niet, dan wel in onvoldoende mate heeft gelet op de weg en dat hij niet in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien. Onder de genoemde omstandigheden had verdachte extra oplettend en voorzichtig moeten zijn en had hij zich er bewust van moeten zijn dat de inhaalmanoeuvre op dat moment onder die omstandigheden gevaarlijk zou zijn.
Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het verkeersongeval.
De aard en de ernst van de voornoemde gedragingen van verdachte, onder deze omstandigheden, maken voorts dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden
Zwaar lichamelijk letsel
Het lichamelijk letsel dat het slachtoffer ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen, te weten een bovenbeen breuk (links), knieschijfbreuk (links), onderarm breuk (links), wond onderbeen (rechts) en een bloeding in het hoofd, wordt door de rechtbank aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en ernst van het letsel en het langdurige hersteltraject dat nog steeds voortduurt.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigd bewezen.
Het verweer van verdachte, inhoudend dat hij niet aan het inhalen was en dat de fietser geen verlichting voerde wordt door de bewijsmiddelen weerlegd en derhalve verworpen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 4 oktober 2024 te Hijken, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Oranjekanaal ZZ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, als beginnend bestuurder,
- een inhaalmanoeuvre in te zetten en op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden,
als gevolg waarvan verdachte in botsing is gekomen met die [slachtoffer] ,
waardoor een ander, te weten die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd voor de duur van één jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging. Hij heeft wel aangegeven dat hij een onvoorwaardelijke rijontzegging zoals door de officier van justitie gevorderd erg lang vindt, ook gelet op het tijdsverloop, en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte
zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering (Leger des Heils) d.d. 28 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan
Verdachte heeft als bestuurder van een (bedrijfs)auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Verdachte heeft met te hoge snelheid gereden en op onverantwoorde wijze een gevaarlijke inhaalmanoeuvre uitgevoerd, waarbij hij frontaal op een tegenligger, een fietser (een kwetsbare verkeersdeelnemer) is gebotst. Het slachtoffer, [slachtoffer] , heeft als gevolg van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Verdachte heeft met zijn rijgedrag zeer onverantwoord gedrag vertoond en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d. 28 mei 2026 naar voren komt dat verdachte een stabiel leven leidt en dat geen sprake is van problemen of een hulpvraag. Hij heeft werk en een steunend netwerk. Interventies worden niet noodzakelijk geacht.
De rechtbank acht het evenwel zorgelijk dat uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder op dezelfde weg (Oranjekanaal ZZ) een forse snelheidsovertreding heeft begaan waarvoor hij op 15 juli 2024 (dus kort voor onderhavige aanrijding) een geldboete heeft gekregen. Uit het ter zake van die overtreding opgemaakte proces-verbaal van politie blijkt voorts dat verdachte in het geheel niet aanspreekbaar was op zijn rijgedrag. Ook ter terechtzitting lijkt verdachte niet echt verantwoordelijkheid voor zijn handelen te willen nemen. Hij legt de schuld voor de aanrijding immers voor een deel buiten hemzelf, namelijk bij het slachtoffer.
De rechtbank begrijpt ook dat verdachte niet de opzet heeft gehad op het veroorzaken van het verkeersongeval en hij dit ongeval ook op geen enkele manier gewenst heeft. Het ongeval is echter wel het directe gevolg van zijn gedrag.
De straf en maatregel
Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan, vormt de bewezenverklaring het uitgangspunt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voor de overtreding van artikel 6 WVW gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank acht in dit geval een taakstraf van 160 uren passend en geboden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor de duur van één jaar. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank de helft hiervan, zes maanden, voorwaardelijk opleggen. De rechtbank doet dit om te zorgen dat verdachte zich nog langere tijd bewust blijft van de ernst van het feit en om de kans op herhaling te verkleinen. Ook door deze bijkomende straf wordt het gevaarzettende karakter van het
handelen van verdachte in de bestraffing tot uitdrukking gebracht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 160 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 12 maanden.
Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 08 september 2026.
Mrs. Nolta en Eckert zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.