RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/342210-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
10. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3291,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 28 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, een wapen en/of onderdeel van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semiautomatisch gaspistool en/of patroonmagazijn, van het merk Umarex, type Colt Double Eagle, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 28 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool van het merk Umarex, Beretta, voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
26 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisanten;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2023, opgenomen op pagina 27 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 januari 2024, opgenomen op pagina 29
e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
5. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.11.121 (aanvraag 001), d.d. 11 januari 2024, opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van ing. C.M.M. Diever-Heezen;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.11.121 (aanvraag 002), d.d. 11 januari 2024, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van ing. C.M.M. Diever-Heezen;
7. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.11.121 (aanvraag 003), d.d. 11 januari 2024, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van ing. C.M.M. Diever-Heezen;
8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.11.121 (aanvraag 004), d.d. 11 januari 2024, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van ing. C.M.M. Diever-Heezen;
9. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.11.121 (aanvraag 005), d.d. 11 januari 2024, opgenomen op pagina 45 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van ing. C.M.M. Diever-Heezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 28 december 2023 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 3291,82 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 28 december 2023 te [plaats] , een wapen en onderdeel van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semiautomatisch gaspistool en patroonmagazijn, van het merk Umarex, type Colt Double Eagle, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
3
hij op 28 december 2023 te [plaats] , een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool van het merk Umarex, Beretta, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 256 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering. De raadsman heeft verzocht om de proeftijd te beperken tot 1 of 2 jaar. Mocht de rechtbank een proeftijd van 3 jaar opleggen, dan pleit de raadsman voor een kortere voorwaardelijke gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist. De raadsman acht de oplegging van een taakstraf niet aangewezen. Mocht de rechtbank wel een taakstraf opleggen, dan verzoekt de raadsman om de duur van de taakstraf te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering
d.d. 13 augustus 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ruim drie kilo amfetamine en het voorhanden hebben van een wapen en een op een wapen gelijkend voorwerp. Drugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit, onder andere doordat de gebruikers van deze drugs vermogensdelicten plegen om in hun verslaving te voorzien. Ook wordt door drugs de volksgezondheid ernstig bedreigd. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Het voorhanden hebben van wapens brengt daarnaast risicos voor de veiligheid van personen met zich. Het bezit van dergelijke voorwerpen kan leiden tot het gebruik daarvan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemde reclasseringsrapport. De reclassering concludeert dat het middelengebruik van verdachte en zijn psychosociaal functioneren de grootste delictgerelateerde factoren zijn. Er is een verband tussen het middelengebruik van verdachte en zijn delictgedrag. Er lijkt sprake te zijn van onmacht. Verdachte lijkt niet, of niet voldoende, in staat om stress op een adequate manier te reguleren. Daarnaast is er sprake van traumas uit het verleden. Verdachte heeft het afgelopen jaar opnieuw ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, waardoor adequate behandeling nog niet goed van de grond is gekomen. Verdachte staat hier wel voor open. De reclassering is van mening dat verdachte gebaat is bij ondersteuning vanuit [instelling] en behandeling gericht op traumaverwerking en het aanleren van nieuwe vaardigheden om beter om te gaan met stress. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik. De reclassering ziet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als risicoverhogend, omdat de begeleiding en de aanvraag voor beschermingsbewind zal wegvallen en verdachte zijn woning en hond zal verliezen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf tevens het volgende in aanmerking genomen. Uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken dat verdachte vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast liep verdachte al ruim 2,5 jaar in de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Hij heeft zich goed gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en is niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast kent de rechtbank, in strafmatigende zin, bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in deze zaak overschreden. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de noodzaak van behandeling en de bereidheid van verdachte om hieraan mee te werken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 256 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het uitgangspunt bij een voorwaardelijke straf is een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om hier van af te wijken. Het voorwaardelijke strafdeel dient als zogeheten stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan strafbare feiten. Daarnaast zullen aan dit strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geformuleerd in haar adviesrapport. Gelet op de hoeveelheid drugs die bij verdachte in de woning is aangetroffen in combinatie met de straffen die gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting doorgaans in zon geval worden opgelegd, acht de rechtbank het tevens aangewezen in aanvulling op de (grotendeels voorwaardelijke) gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 256 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 240 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze
afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.
Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering van VNN aan [adres] de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Een taakstraf voor de duur van 150 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Nieuwenhuis, voorzitter, mr. H.H. Kielman en
mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2026.