[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/kantoor Leeuwarden, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 april 2025.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 oktober 2024 ten aanzien van eiseres een informatiebeschikking in de zin van artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vastgesteld met betrekking tot de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 (de informatiebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] , en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 4] . Ter zitting zijn de beroepen met de zaaknummers LEE 25/2536 en 25/2537 gelijktijdig behandeld.
Feiten
Eiseres is een vennootschap onder firma.
De heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] zijn partners en beiden voor 50% vennoot.
Mevrouw [naam 3] verzorgt de administratie van eiseres.
Op 12 november 2021 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij eiseres naar de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2021.
Op 8 oktober 2024 heeft de inspecteur per e-mail het volgende aan eiseres geschreven:
“Geachte mevrouw [naam 3] en heer [naam 2] ,
Op 13 april 2022 ben ik bij u een boekenonderzoek gestart. Onderzocht zijn hierbij de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 van [eiseres] .
Op 8 oktober 2024 is het onderzoek uitgebreid met de beoordeling van de aangifte:
- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de jaren 2018 tot en met 2021, met betrekking tot de omzetverantwoording.
Van deze uitbreiding ontvangt u een dezer dagen de brief per post. Deze brief heb ik als bijlage toegevoegd.
Lopende het boekenonderzoek heb ik geconstateerd dat er niet voldaan is aan de administratie- en bewaarplicht zoals gesteld in artikel 52 van de AWR.
Aangezien ik twijfels heb aan de volledigheid van de opbrengstenverantwoording zal ik een informatiebeschikking uitreiken. Deze zal ik u binnenkort doen toekomen. Indien u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u hiertegen bezwaar maken. In de brief staat wel hoe u dit kunt doen.
Op 23 september 2024 heb ik enkele bevindingen van het boekenonderzoek per e-
mail toegezonden. Eén van de bevindingen uit het boekenonderzoek is dat er in de
jaren 2019, 2020 en 2021 via de privérekening lonen zijn uitbetaald. Deze uitbetaalde
lonen niet zijn verloond en niet in de financiële administratie verantwoord. Daarnaast is
via de zakelijke rekening meer loon uitbetaald dan volgens de loonjournaalpost
betaald had moeten worden. Dit heb ik vastgesteld op basis van de bankafschriften
van de privébankrekeningen en de financiële administratie. Om verjaring te voorkomen
ben ik voornemens om met betrekking tot deze correctie alvast een naheffingsaanslag
loonheffingen over het jaar 2019 op te gaan leggen, vooruitlopend op de definitieve
uitkomsten van het lopende boekenonderzoek. Van deze naheffingsaanslag ontvangt
u een dezer dagen de brief per post. Deze brief heb ik als bijlage toegevoegd. (..)”.
Op 16 oktober 2024 heeft mevrouw [naam 3] namens eiseres als volgt per e-mail gereageerd:
“Betreft: Bezwaar tegen boete wegens vermeende loonbetalingen over 2019
Geachte heer [naam 5] ,
In reactie op uw e-mail van 8 oktober jl. waarin u aangeeft dat wij over het jaar 2019 lonen hebben uitbetaald via onze privé rekening en ons hiervoor een boete heeft opgelegd, willen wij hierbij formeel bezwaar maken tegen deze aanname.
Zoals eerder vermeld in mijn correspondentie, was ik destijds hoogzwanger en had ik bedrust voorgeschreven gekregen van mijn verloskundige. Twee weken geleden ben ik
bevallen en ben ik momenteel nog aan het herstellen.
Wij zijn het niet eens met uw conclusie en hebben bewijs en onderbouwingen die onze positie ondersteunen. Wij verzoeken u vriendelijk om ons bezwaar in behandeling te nemen en ons uitstel te verlenen tot januari, of eerder indien mijn herstel dit toelaat, zodat wij de benodigde documenten kunnen overhandigen.
Daarnaast zien wij graag nog een specificatie / toelichting hoe u aan dit bedrag komt. Want dit is nú onduidelijk hoe u aan dit opgelegde bedrag bent gekomen. Wij verzoeken u vriendelijk om een bevestiging van de ontvangst van dit bezwaarschrift en de toekenning van het gevraagde uitstel.(..)”.
De inspecteur heeft aan eiseres de onder 1.1. vermelde informatiebeschikking opgelegd en per post verzonden met dagtekening 21 oktober 2024.
Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft mevrouw [naam 3] namens eiseres de inspecteur met betrekking tot het boekenonderzoek en het opleggen van de informatiebeschikking geschreven dat zij zich genoodzaakt ziet om bezwaar te maken tegen de manier waarop het proces tot dan toe is verlopen. Zij schrijft (onder andere) dat er alsnog een officieel bezwaarschrift zal worden ingediend tegen de informatiebeschikking, dat diezelfde dag (op 2 januari 2025) aangetekend zal worden verstuurd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van eiseres tegen de informatiebeschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt eiseres
5. Eiseres stelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eiseres is er namelijk sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres stelt dat haar administrateur de inspecteur ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij tijdelijk niet in de gelegenheid zou zijn om bepaalde zaken op te pakken. Dit vanwege persoonlijke omstandigheden bij de vennoten, bestaande uit een zwangerschap en een bevalling met daaropvolgend medische complicaties bij de baby. Ook voert eiseres aan dat zij, gelet op voorgenoemde persoonlijke omstandigheden, een boekhouder heeft aangesteld om zaken op te pakken. Deze boekhouder heeft echter verzaakt om tijdig bezwaar in te dienen tegen de informatiebeschikking. Eiseres stelt dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden.
6. Eiseres is daarnaast van mening dat de inspecteur actiever had moeten handelen tegenover eiseres. Volgens eiseres heeft de inspecteur geen redelijke herstelmogelijkheid geboden of zorgvuldig gecommuniceerd over de eventuele gevolgen van het uitblijven van een bezwaar tegen de informatiebeschikking.
Standpunt inspecteur
7. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd weersproken.
Juridisch kader
8. Volgens artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend, als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als een bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk. De inspecteur wijst het bezwaar dan in beginsel af zonder inhoudelijke beoordeling.
9. Niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift moet achterwege blijven als een bezwaar is ingediend voor aanvang van de termijn van bezwaar, en het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener van het bezwaar redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de indiener van een bezwaarschrift een concept van of vooraankondiging op een besluit heeft aangezien voor een definitief besluit.
Overwegingen rechtbank
10. De rechtbank stelt vast dat de informatiebeschikking is gedagtekend 21 oktober 2024, zodat de bezwaartermijn aanving op 22 oktober 2024 en eindigde op 2 december 2024. De e-mail van 2 januari 2025 is daarmee buiten de termijn ontvangen.
11. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres (zie 6.) zo, dat zij meent dat de inspecteur haar actief had moeten vragen of haar e-mail van 16 oktober 2024 (zie 2.6.) als bezwaar tegen de informatiebeschikking moest worden opgevat. En zo ja, dat de inspecteur haar de herstelmogelijkheid had moeten bieden dit bezwaar (tijdig) per brief in te dienen. Gelet op het voorgaande, dient de rechtbank te oordelen over de vraag of de e-mail van eiseres op 16 oktober 2024 als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres op 16 oktober 2024 een bezwaarschrift ingediend. Het standpunt van de inspecteur op zitting, dat de e-mail van eiseres op 16 oktober 2024 niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen het opleggen van de informatiebeschikking omdat de eiseres enkel bezwaar maakt tegen de naheffingsaanslag loonheffingen, volgt de rechtbank niet. Alhoewel de reactie van eiseres enerzijds ingaat op hetgeen de inspecteur schrijft over de loonheffingen, geeft de e-mail anderzijds ook een meer omvattende reactie weer op de e-mail van de inspecteur van 8 oktober 2024. De tekst van de e-mail van 16 oktober 2024 luidt namelijk:
“Wij zijn het niet eens met uw conclusie en hebben bewijs en onderbouwingen die onze positie ondersteunen. Wij verzoeken u vriendelijk om ons bezwaar in behandeling te nemen en ons uitstel te verlenen tot januari, of eerder indien mijn herstel dit toelaat, zodat wij de benodigde documenten kunnen overhandigen.”
13. Onder het woord “conclusie” valt volgens de rechtbank ook de conclusie van de inspecteur dat niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht zoals gesteld in artikel 52 van de AWR, met als gevolg dat er een informatiebeschikking wordt opgelegd aan eiseres. In de e-mail van de inspecteur van 8 oktober 2024 (zie 2.5.) is namelijk opgenomen:
“Lopende het boekenonderzoek heb ik geconstateerd dat er niet voldaan is aan de administratie- en bewaarplicht zoals gesteld in artikel 52 van de AWR.
Aangezien ik twijfels heb aan de volledigheid van de opbrengstenverantwoording zal ik een informatiebeschikking uitreiken. Deze zal ik u binnenkort doen toekomen. Indien u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u hiertegen bezwaar maken. In de brief staat wel hoe u dit kunt doen.”
14. Gelet op het voorgaande, is de e-mail van eiseres van 16 oktober 2024 naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking.
15. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ving aan op 22 oktober 2024 (zie 10.), terwijl het bezwaarschrift is ingediend op 16 oktober 2024 (zie 14.). De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een te vroeg ingediend (prematuur) bezwaarschrift.
16. De rechtbank overweegt dat eiseres (als indiener van het bezwaarschrift) redelijkerwijs kon menen dat het besluit, bestaande in het opleggen van een informatiebeschikking, op 8 oktober 2024 al was genomen. De e-mail van de inspecteur van 8 oktober 2024 kondigt namelijk zonder voorbehoud aan dat hij de informatiebeschikking aan eiseres zal uitreiken wegens het niet voldoen aan de administratie- en bezwaarplicht, en dat eiseres hiertegen in bezwaar kan komen. Naar het oordeel van de rechtbank moet niet-ontvankelijkheid van het prematuur bezwaarschrift daarom achterwege blijven.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
18. De rechtbank ziet af van de mogelijkheid om, op grond van 8:72, lid 3, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Eiseres heeft namelijk ter zitting nadrukkelijk aangegeven dat zij wenst dat de inspecteur opnieuw op het bezwaar beslist. De rechtbank draagt daarom de inspecteur op om een nieuwe uitspraak op het bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak.
19. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden.
20. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij geen aanspraak maakt op vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst de zaak terug naar de inspecteur en draagt de inspecteur op om een nieuwe uitspraak op het bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak; en,
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A.M. Geersheuvels, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.