ECLI:NL:RBNNE:2026:3841

ECLI:NL:RBNNE:2026:3841

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer 18/081738-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen afpersing en bedreiging. Herkenningen door verbalisanten betrouwbaar. Eendaadse samenloop (art. 55 lid 1 Sr).

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/081738-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

10. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2026. Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een pinpas en/of pincode en/of tweehonderd vijftig euro en/of airpods en/of twintig euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk op die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

1. subsidiair

hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgiften van een pinpas en/of pincode en/of tweehonderd vijftig euro en/of airpods en/of twintig euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) door

2

hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je steken als je niet goed meewerkt” en/of “ik ga je doodschieten” en/of “geef me jullie pap”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 voor de 250 euro en de 20 euro veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde en voor de pinpas, pincode en airpods voor het subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daarnaast veroordeling gevorderd voor feit 2, met dien verstande dat er sprake is van meerdaadse samenloop.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, omdat onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte één van de twee daders was.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de pinpas (met pincode), geldbedragen en airpods niet weggenomen; de goederen zijn door de aangevers onder dwang aan verdachte en zijn medeverdachte afgegeven. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de diefstal met (bedreiging met) geweld.

Veroordeling feiten 1 subsidiair en 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2024, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024187869 d.d. 3 maart 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Groningen 13 juli 2024. Ik was buiten samen met [slachtoffer 2] . Rond 21:15 uur kwamen er twee mannen naar ons toe. Een van de mannen liet ons een mes zien. Man 1: een donkere man in het zwart gekleed, hij had dreads, met donker bedoel ik Afrikaans, een hele dunne man. Man 2: de man met het mes, Marokkaans. Man 1 zei dat hij ons wilde doodschieten. De Marokkaanse man zei “geef me jullie pap”. Dat is straattaal voor geef me jullie geld. Het mes werd tegen mijn buik gehouden. Ik schrok en werd bang. De Marokkaanse man zei dat ik mijn pinpas en pincode moest geven. Dat heb ik gedaan. De Afrikaanse man ging toen weg om het geld te pinnen, richting de Albert Heijn. Ik moest mijn bankieren app openen van de Marokkaanse man. Ik heb mijn bankieren app geopend en gezegd dat er 250 euro op mijn rekening stond. De Marokkaanse man riep dat ik 250 euro moest overmaken. Ik heb geld overgeboekt naar mijn lopende rekening. De Afrikaanse man was op dat moment aan het einde van de straat. De Marokkaanse man riep toen nog heel hard '250 euro!'. Er is 250 euro van mijn rekening afgeschreven. Bij [slachtoffer 2] hebben ze 20 euro meegenomen. Ik heb ook mijn airpods gegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2024, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Groningen 13 juli 2024 rond 21.00 a 21.30 uur. Ik was met mijn vriend [slachtoffer 1] in [adres] . Er kwamen twee mannen. Man 1 had een zwarte huidskleur, dreads, hij was dun. Ik denk ongeveer 25 a 30 jaar oud. Zijn ogen, hij leek heel moe. Man 2 was een Marokkaan. Ze begonnen te bedreigen en lieten een mes zien. Ze zeiden dat we alle waardevolle spullen op een elektriciteitskastjes moesten leggen. We legden onze spullen hierop. Ze zeiden “ik ga je steken als je niet goed meewerkt”. Daardoor voelde ik mij wel bedreigd. [slachtoffer 1] kreeg een mes bij zijn buik. De Marokkaanse man zag 20,- euro in het

hoesje van mijn telefoon. Dit geld heeft hij gepakt. [slachtoffer 1] zijn bankpas en airpods zijn gestolen. Mijn vriend moest zijn pinpas afgeven. Ze vroegen hoeveel erop stond. [slachtoffer 1] zei '50' maar ze wilden meer. [slachtoffer 1] zei dat hij 200,- ging overboeken van zijn spaar naar zijn lopende. Ze vroegen zijn pincode. [slachtoffer 1] gaf zijn pincode. Hierna ging die zwarte man gelijk weg met die bankpas. Die Marokkaanse man moest bij ons blijven zodat we niet weggingen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Via de mobielbankieren app van aangever [slachtoffer 1] werd gekeken naar het tijdstip van overboeken en het opnemen van geld op 13 juli 2024. Uit deze gegevens bleek dat er een bedrag van

tweehonderd euro van de Oranjerekening naar de Betaalrekening werd overgeboekt. Op 13 juli 2024 om 21:30 uur was gepind bij de pinautomaat aan [adres] . Er werd een bedrag van tweehonderd euro opgenomen. Vervolgens werd er om 21:31 uur weer gepind bij deze pinautomaat. Er werd toen een bedrag van vijftig euro opgenomen.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten de vordering verstrekking beelden van beveiligingscameras aan de Albert Heijn Eikenlaan 39 Groningen d.d. 15 juli 2024, opgenomen op pagina 82 van voornoemd dossier.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2024, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Bekeek ik beelden welke na vordering ter beschikking zijn gesteld. Ik zag de datum- en tijdsweergave 2024-07-13 21:25:14 uur. Het gaat om een geldopname met een ING bankpas. Ik zag dat een persoon, nader te noemen verdachte, welke voldeed aan het signalement uit de

aangifte, voor het eerst in beeld kwam om 21:30:17 uur. Ik zag dat hij vervolgens de winkel in liep en rechtstreeks naar de geldmaat toe liep. Ik zag dat de verdachte een oranje pas in zijn linkerhand vasthield. Verdachte stond vanaf 21:30:26 uur tot 21:32:03 uur bij de geldmaat. Ik zag dat er gedurende die tijd geen andere personen bij hem of bij de geldmaat stonden. Ik zag vervolgens dat de verdachte naar de servicebalie liep met een oranje pas in

zijn handen. Ook zag ik dat hij een geldbiljet in zijn rechterhand vasthield. Van het moment dat de verdachte bij de service balie stond zijn meerdere screenshots gemaakt. Ik zag dat de verdachte de winkel om 21:32:26 uur verliet.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2024, opgenomen op pagina 52 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 7 augustus 2024 bekeek ik, verbalisant [verbalisant] , de beelden die gemaakt zijn van verdachte binnen het onderzoek. Ik bekeek hierbij de afbeelding 'Printscreen 6'. Ik herken vanaf bovengenoemde afbeelding met zekerheid [verdachte] , [geboortedatum] -1996. Ik heb op 5 augustus met [verdachte] in verhoor gezeten. Hierbij had [verdachte] exact dezelfde haar toedracht en gezicht beharing. Tevens herken ik [verdachte] door middel van zijn huidskleur, grotere neus en hangende oogleden.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2024, opgenomen op pagina 54 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 7 augustus 2024 bekeek ik, verbalisant [verbalisant] , de printscreens van de camerabeelden van de Albert Heijn. Ik herkende deze man gelijk. Het gelaat, de huidskleur, haardracht, de gezichtsuitdrukking, de ogen, de neus en de mond komt overeen met de man die ik op 5 augustus 2024 als verdachte voor een andere zaak hoorde. De naam van deze verdachte is

[verdachte] , [geboortedatum] -1996.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 5 september 2024, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende. Ik zag een 3tal fotos gepresenteerd. Ik zag een manspersoon bij een kassa staan. De persoon herken ik als [verdachte] . Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als politieagent werkzaam in de stad Groningen en heb de genoemde persoon een keer

aangehouden. Ik heb de persoon een drietal keren gezien op verschillende dagen. Ik heb de genoemde persoon toen van dichtbij gezien. Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. De lichaamslengte, houding en schedelvormen. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij:

Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de stills zag.

De betrokkenheid van verdachte

De rechtbank komt op basis van de hierboven weergeven wettige bewijsmiddelen tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die bij de Albert Heijn aan [adres] geld heeft gepind van de rekening van aangever [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft een oranje pinpas afgegeven. Een man die voldoet aan het signalement dat door beide aangevers is opgegeven pint met een oranje pinpas geld bij de pinautomaat bij de Albert Heijn aan [adres] , op een tijdstip dat overeenkomst met het tijdstip waarop geld van de bankrekening van [slachtoffer 1] is afgeschreven. Van dezelfde zelfde man zijn stills van de camerabeelden in het betreffende Albert Heijnfiliaal verspreid binnen de politie. Op deze beelden is een man te zien vanaf de voorkant. Op deze stills zijn gezichtskenmerken te onderscheiden. Drie verbalisanten hebben afzonderlijk van elkaar op basis van een van de stills de man herkend als verdachte. Twee van deze verbalisanten hebben de verdachte twee dagen voor de herkenning nog verhoord in verband met een andere verdenking. De derde verbalisant heeft verdachte in zijn functie als politieagent drie maal gezien waarvan een tweetal keren van dichtbij. Gelet op de wijze waarop de herkenning tot stand in gekomen (afzonderlijk van elkaar), de kwaliteit van de still en het recente contact dat twee van de verbalisanten hadden met verdachte voordat zij hem herkenden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de herkenningen betrouwbaar.

Medeplegen

De rechtbank acht wettig en overtuigd bewezen dat verdachte en de (onbekend gebleven) medeverdachte de afpersing hebben gepleegd. De twee mannen komen samen aangefietst bij de twee aangevers en spreken samen de twee aangevers aan. Tegen beide aangevers worden bedreigingen geuit. Vervolgens houdt de medeverdachte een mes tegen aangever [slachtoffer 1] aan en eist geld (pap). Aangever [slachtoffer 1] geeft vervolgens zijn pinpas en pincode af waarna de verdachte wegfietst om de buit binnen te halen. De medeverdachte blijft achter bij de aangevers om ervoor te zorgen dat de aangevers er niet vandoor gaan en zo begrijpt de rechtbank, mogelijk alarm slaan. Dit handelen van de verdachten gezamenlijk kan niet anders worden uitgelegd dan dat zij bewust en nauw hebben samengewerkt om beide aangevers te dwingen goederen af te geven. Daarmee zijn ook de handelingen het dwingen van aangever [slachtoffer 2] tot afgifte van 20 euro - die in afwezigheid van verdachte door de medeverdachte zijn verricht in dit geval aan verdachte toe te rekenen.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 13 juli 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en pincode en tweehonderd vijftig euro en airpods en twintig euro, die geheel aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorden door

2

hij op 13 juli 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je steken als je niet goed meewerkt” en “ik ga je doodschieten” en “geef me jullie pap”.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de oplegging van de straf rekening te houden met het tijdsverloop en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gepleit voor de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering

d.d. 28 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan afpersing. Ze hebben, als twee volwassen mannen, twee jongens van respectievelijk 13 en 14 jaar oud onder dreiging van een mes gedwongen om hun goederen af te geven. De jongens zijn daarbij ook woordelijk bedreigd. Dit is een zeer ernstig feit. Verdachte heeft weinig respect getoond voor de eigendommen van anderen en heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten zich nog lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden. Dat de slachtoffers tot op heden last hebben van spanning en angst blijkt ook uit de slachtofferverklaringen. Het feit vond bovendien plaats in het openbaar en draagt daarmee bij aan versterking van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte bovenstaande ten zeerste aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemde reclasseringsrapport. De reclassering concludeert dat er sprake is van problemen op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte is veelpleger en is al jarenlang bekend bij de reclassering. Het lukt de reclassering niet om duurzaam in contact met hem te komen en een vorm van stabiliteit te vinden. De afgelopen jaren zijn er verschillende trajecten ingezet. De trajecten eindigen negatief wegens het niet in beeld zijn van verdachte. De afhankelijkheid van cannabis en cocaïne speelt een rol in het ontstaan van delictgedrag. Daarnaast zijn er al van jongs af aan gedragsproblemen; verdachte groeide op in een kwetsbaar milieu waardoor er sprake zou kunnen zijn van ontwikkelingsproblematiek. De reclassering vermoedt dat er sprake is van een licht verstandelijke beperking die de impulsiviteit en het gebrek aan juiste copingvaardigheden zou kunnen verklaren. De reclassering schat het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden in als hoog en ziet geen mogelijkheid om binnen de beschikbare kaders tot gedragsverandering te komen middels justitiële interventies. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Gelet op de eendaadse samenloop, zal de rechtbank de in vereniging gepleegde afpersing als vertrekpunt nemen voor de op te leggen straf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin uitgangspunten voor strafoplegging voor soortgelijke strafbare feiten zijn opgenomen. Volgens de oriëntatiepunten is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 6 en 10 maanden passend en geboden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf tevens het volgende in aanmerking genomen. Uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Bovendien liep verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd van een andere veroordeling. Verdachte was dus een gewaarschuwd mens. Daarnaast kent de rechtbank, in strafmatigende zin, gewicht toe aan het tijdsverloop en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18/081738-25 feit 1 subsidiair

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juli 2024.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom

bepalen dat verdachte de schadevergoedingen niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vordering benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18/081738-25 feit 1 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.772,90 (zegge: duizend zevenhonderd tweeënzeventig euro en negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 772,90 aan materiële schade en 1.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18/081738-25 feit 1 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.020,00 (zegge: duizend twintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 20,00 aan materiële schade en 1.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. H.H. Kielman en

mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2026.

Mr. A. Nieuwenhuis is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.W. Janssen
  • mr. H.H. Kielman
  • mr. A. Nieuwenhuis

Griffier

  • mr. M.M. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand