RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/691
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratieve Processen/ kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Deze uitspraak gaat over een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb). Belanghebbende is het niet eens met de motivering in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank beoordeelt of de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, omdat er een verkeerde datum in wordt genoemd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet moet worden vernietigd, omdat er sprake is van een kennelijke verschrijving. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 27 juni 2025 tot en met 12 juli 2025 een naheffingsaanslag mrb opgelegd.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 maart 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft op 6 augustus 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat het verzoek ongemotiveerd is.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbende was niet aanwezig. De griffier van de rechtbank heeft op 17 juni 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende onder vermelding van tijd en plaats is uitgenodigd. Gelet op het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 2.4) heeft belanghebbende de uitnodiging voor de zitting ook daadwerkelijk ontvangen. De rechtbank heeft de zitting daarom door laten gaan.
Feiten
3.
Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) vanaf 18 augustus 2023 houder van het motorrijtuig met kenteken [kenteken] (de auto).
Belanghebbende heeft op 27 juni 2025 een aanvraag bij de RDW gedaan om het kenteken te schorsen. Op 12 juli 2025 heeft belanghebbende deze schorsing opgeheven.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur – voor zover van belang – opgeschreven: “U hebt op 27 juni 2025 een aanvraag gedaan bij de Dienst Wegverkeer om de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. U hebt 23 april 2025 de schorsing opgeheven.”
Beoordeling door de rechtbank
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Volgens hem staat er een verkeerde datum in de uitspraak op bezwaar en is daarom de beoordeling van het bezwaar onzin geworden.
5. De inspecteur stelt dat er sprake is van een kennelijke verschrijving. Bij de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar is volgens hem wel uitgegaan van de juiste datum. Verder voert de inspecteur aan dat belanghebbende door de verschrijving niet in zijn belangen is geschaad. De fout heeft namelijk geen invloed gehad op de vaststelling van de schorsingsperiode en ook niet op de toepassing van de wet- en regelgeving. Er is daarom geen sprake van schending van een rechtsregel of van een algemeen rechtsbeginsel dat tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar zou moeten leiden.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit de gegevens van de RDW blijkt dat belanghebbende het kenteken van de auto heeft geschorst en ontschorst binnen één maand (zie 3.2). De inspecteur heeft daarom terecht op grond van artikel 35a Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 een naheffingsaanslag mrb opgelegd aan belanghebbende.
7. De rechtbank overweegt verder als volgt. In artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat naar aanleiding van een bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit moet plaatsvinden. Verder staat in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dat een uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd moet zijn. Het doel daarvan is dat het belanghebbende duidelijk moet zijn waarom zijn bezwaarschrift precies is afgewezen, zodat een gedegen afweging kan worden gemaakt of, en zo ja, op welke gronden belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar in beroep wil gaan.
In de uitspraak op bezwaar staat een slordige verschrijving met betrekking tot de periode van schorsen (zie 3.3.). Voor zover belanghebbende met zijn beroep bedoeld heeft dat er met deze verschrijving sprake is van schending van het recht, en het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel in het bijzonder, volgt de rechtbank hem niet. De rechtbank is van oordeel dat het om een kennelijke verschrijving gaat. Dit moet belanghebbende hebben begrepen, omdat een datum van ontschorsing logischerwijs niet gelegen kan zijn op een datum voordat een schorsing heeft plaatsgevonden. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat er een heroverweging van de naheffing heeft plaatsgevonden. In zoverre is de uitspraak op bezwaar dan ook niet onjuist of ondeugdelijk gemotiveerd. De periode waarover de naheffing heeft plaatsgevonden is correct toegepast (zie 6.). Belanghebbende is dan ook niet zijn belangen geschaad. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en daarmee ook de naheffingsaanslag mrb in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier.
Uitgesproken op 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.