RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/935
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. H.J. de Jong),
en
Deze uitspraak gaat over de vraag of belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) (de waardebeschikking) en de aan belanghebbende opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023 (de aanslag). De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar nietontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de waardebeschikking en de aanslag in stand blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 25 februari 2023 de waardebeschikking en de aanslag aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De inspecteur heeft op het beroep van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar, [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbende en haar gemachtigde waren – zonder bericht van verhindering – niet aanwezig. De griffier van de rechtbank heeft op 2 juni 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende onder vermelding van datum, tijd en plaats is uitgenodigd p, ter zitting te verschijnen. Omdat de gemachtigde van belanghebbende niet digitaal procedeert heeft de griffier op 2 juni 2026 een afschrift van dit bericht aangetekend verstuurd naar het adres van de gemachtigde. Uit informatie uit het track & trace-systeem van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 4 juni 2026 op het adres van de gemachtigde is uitgereikt en dat is getekend voor ontvangst. Belanghebbende is dus op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom doorgang laten vinden.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 13 augustus 2026 een brief aan de rechtbank gestuurd. Deze brief is ontvangen op 18 augustus 2026. Hierin staat dat hij de zittingsdatum niet goed had geagendeerd, maar dat hij anders ook niet had kunnen komen vanwege ziekte. De rechtbank ziet in dit bericht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten partijen
3. Belanghebbende stelt dat haar gemachtigde het bezwaarschrift op 6 april 2023 heeft verzonden. Als bewijs voor het tijdig op de post doen van het bezwaarschrift heeft belanghebbende een foto overgelegd. Hierop zijn een envelop gericht aan het Noordelijk Belastingkantoor en een brievenbus te zien.
4. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt op 16 juli 2024 voor het eerst het bezwaar te hebben ontvangen. Op of rond 6 april 2023 is volgens de heffingsambtenaar geen bezwaar per postontvangen. De heffingsambtenaar is van mening dat de foto geen bewijs van verzending is, omdat hier geen datum uit af te leiden valt.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5. De rechtbank overweegt dat gelet op de dagtekening van de waardebeschikking en de aanslag de bezwaartermijn eindigde op 11 april 2023.
6. De bewijslast dat tijdig bezwaar is ingesteld rust op belanghebbende. Dat wil zeggen dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat zij het bezwaar tijdig heeft verzonden. De gemachtigde van belanghebbende heeft verklaard dat hij de brief met daarin het bezwaarschrift op 6 april 2023 in de brievenbus heeft gedaan. In de overgelegde foto ziet de rechtbank onvoldoende steun voor deze verklaring. De door de gemachtigde gemaakte foto waarop onder meer een aan de heffingsambtenaar geadresseerde envelop en een brievenbus te zien zijn, toont geen datum. Er zijn ook geen andere stukken overgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt op welke datum de bewuste foto is gemaakt, dan wel op welke datum de op de envelop zichtbare digitale postzegel is aangeschaft en gebruikt.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is alleen de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende dat hij de brief met daarin het bezwaarschrift tijdig in de brievenbus heeft gedaan, tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaar tijdig verzonden is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de regel post die in de brievenbus is gedaan, en correct geadresseerd is, ook daadwerkelijk binnen een paar dagen wordt bezorgd bij de geadresseerde. Hiervan is in dit geval echter geen sprake: de heffingsambtenaar heeft het bezwaar, naar hij onweersproken heeft gesteld, niet op of rond 6 april 2023 ontvangen. Hij is niet eerder dan op 16 juli 2024 op de hoogte geraakt van het bezwaar, doordat dit is meegestuurd met het bezwaarschrift met betrekking tot het volgende belastingjaar. Dit draagt bij aan het vermoeden dat van (tijdige) verzending van de brief geen sprake is.
8. Aangezien belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de termijnoverschrijding voor het instellen van bezwaar verschoonbaar moet worden geacht, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat aan een inhoudelijke behandeling van de waardebeschikking en de aanslag niet wordt toegekomen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de waardebeschikking en de aanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid vanmr.R. Schultinga, griffier.
Uitgesproken op 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.