RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2625
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, verweerder, (gemachtigde: H. Smit).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft de Oekraïense nationaliteit. Hij is in oktober 2024 vanuit Oekraïne in Nederland aangekomen en heeft zich gevestigd op Terschelling. Op 22 mei 2026 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend om op Terschelling te verblijven onder de RTB, en de daarop gebaseerde Nederlandse wetgeving.
2. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 is aan verzoeker opvang geweigerd in de gemeentelijke opvanglocatie voor Oekraïense ontheemden in de gemeente Terschelling.
Op 14 augustus 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat aan verzoeker opvang moet worden geboden.
Verweerder heeft op 20 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 25 augustus 2026 heeft verzoeker een reactie gegeven op het verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter beoordeelt in een voorlopige voorzieningsprocedure hangende bezwaar of er sprake is van een spoedeisend belang en of het bezwaar van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft dan een voorlopig oordeel over de zaak. Het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Verzoeker voert aan dat hem ten onrechte opvangvoorzieningen zijn ontzegd. Verzoeker heeft vanaf 16 oktober 2024 een vakantiewoning kunnen huren op Terschelling en staat sinds die datum ook ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Verzoeker kan in de wintermaanden in de vakantiewoning verblijven, maar dient in het hoogseizoen de woning te verlaten en moet noodgedwongen in zijn auto slapen. Hij voert aan dat, hoewel hij nog steeds staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, dit niet betekent dat hij ook feitelijk opvang geniet.
6. Ter zitting is komen vast te staan dat verzoeker zich, na binnenkomst in Nederland, niet voor bescherming op basis van de onder 1 genoemde regelgeving heeft gemeld. Hij heeft zich eigenstandig in Nederland weten te handhaven. Zijn verzoek om opvang d.d. 22 mei 2026 is zijn eerste aanmelding. Verweerder is niet aan dit verzoek tegemoetgekomen.
7. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen feitelijke opvang geniet op grond waarvan een voorlopige voorziening getroffen zou moeten worden. Op de zitting is gebleken dat verzoeker nog steeds staat ingeschreven op het adres van de vakantiewoning; er is dus sprake is van een formeel adres. Ook uit de tekst van de huurovereenkomst blijkt niet dat de huur na verloop van bepaalde tijd zou zijn geëindigd. Niet is gebleken dat verzoeker of verhuurder woning de huur na verloop van de overeengekomen huurperiode van vijf maanden heeft opgezegd; blijkens de tekst van de overeenkomst volgt dan verlenging. Evenmin heeft verzoeker aangetoond dat de verhuurder de woning nodig heeft voor eigen gebruik. De voorzieningenrechter concludeert op grond van bovenstaande dat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt. Aan een inhoudelijke beoordeling van onder meer de juridische basis van het besluit komt hij niet toe.
8. Het verzoek moet vanwege het ontbreken van spoedeisend belang worden afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: