ECLI:NL:RBNNE:2026:3867

ECLI:NL:RBNNE:2026:3867

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer LEE 26/2385 en LEE 26/2386
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Kortsluiting. Vernietiging, maar rechtsgevolgen blijven in stand. Het college heeft de verleende omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen. Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is niet onverbindend, omdat de regel zelf de begrenzing aangeeft. Uitleg goothoogte. De woning bestaat uit twee delen, die qua uiterlijk enigszins afwijkend zijn. Er is geen sprake van een aanbouw; het linkerdeel, dat lager is en een andere kleur heeft, maakt onderdeel uit van het hoofdgebouw. Er is geen onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld en ook niet van de (feitelijke) gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres. Het college heeft zich op het gegeven welstandsadvies mogen baseren en heeft kunnen concluderen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 26/2385 en 26/2386

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. S. Maakal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college

(gemachtigde: mr. M.R. van der Velde).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde] uit [woonplaats] (vergunninghouder).

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het vergroten en verbouwen van een woning op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (het perceel). Eiseres woont daarnaast en zij is het niet eens met de vergunning. Zij heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom beslist de voorzieningenrechter ook op het beroep van verzoeker (LEE 26/2386).

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Omdat het college pas in verweer deugdelijk gemotiveerd heeft dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres, is het beroep van eiseres wel gegrond. Nu het college het motiveringsgebrek hersteld heeft, laat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 21 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen en vergroten van een bestaande woning, het na-isoleren van de buitenschil en de afwerking met steenstrips/felsplaten op het perceel. Het college heeft deze vergunning op 5 augustus 2025 verleend. In het bestreden besluit van 8 juli 2026 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is het college bij de verlening van de vergunning gebleven. Op 27 juli 2026 (bestreden besluit II) heeft het college het bestreden besluit I aangevuld, waarbij als bijlage een aangepaste bouwtekening is gevoegd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank beschouwt het bestreden besluit II als een wijziging van het bestreden besluit I als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal dit bestreden besluit II ook beoordelen.

Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Partijen hebben daar ter zitting ook om verzocht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres woont aan [adres 2] te [woonplaats] . De vergunning is verleend voor de verbouw van de woning naast haar.

Ter plaatse geldt het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Súdwest-Fryslân (het Omgevingsplan), het bestemmingsplan ‘Duinterpen – Sneek’ (het bestemmingsplan). Op het perceel rust, voor zover hier relevant, de bestemming ‘Wonen’.

Het vergunde bouwplan wijkt in twee opzichten af van de regels van dat bestemmingsplan; de goothoogte is 6,135 meter, terwijl de goothoogte volgens het bestemmingsplan maximaal 6 meter mag zijn. De bouwhoogte is 10,305 meter, terwijl het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 9 meter voorschrijft. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning heeft het college gebruikgemaakt van de algemene afwijkingsbevoegdheid van artikel 21, sub a, onder 1, van de planregels. Daarin staat dat het college bij omgevingsvergunning mag afwijken van de bij recht toegestane maten tot niet meer dan 15% van die maten. Van die bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt voor hoofdgebouwen en als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van – voor zover hier relevant – het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid onverbindend

4. Eiseres stelt dat de algemene afwijkingsbevoegdheid van artikel 21 van het bestemmingsplan zo algemeen omschreven is dat deze bepaling onvoldoende objectief is begrensd. De afwijkingsbevoegdheid is daarom onverbindend.

Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijkingsbevoegdheid wel objectief begrensd is.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planregel slechts plaats is, als een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige beperking. Daarvan is hier geen sprake, omdat artikel 21, onder a, onder 1, van de planregels het college slechts de bevoegdheid geeft om af te wijken in het geval het aangevraagde niet meer dan 15% afwijkt van de in de planregels gegeven maten, afmetingen of percentages. De afwijkingsbevoegdheid is daarmee begrensd tot die gevallen waarin de afwijking maximaal 15% bedraagt. Ook zijn in artikel 21, onder b, van de planregels voorwaarden gesteld waaraan moet zijn voldaan, wil het college de vergunning verlenen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de afwijkingsbevoegdheid buiten toepassing te laten.

Goothoogte

5. Eiseres stelt dat in het besluit tot vergunningverlening alleen voor de bouwhoogte gebruik is gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, maar niet voor de goothoogte, terwijl de goothoogte ook hoger is dan het omgevingsplan toestaat. Eiseres vindt daarnaast dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet toegepast kan worden voor wat zij de derde goot noemt. Dat is volgens eiseres de nok van het dak (aan de bovenzijde van het lessenaarsdak). Deze is veel hoger dan 6,90 meter (15% meer dan de maximale goothoogte) en kan dus niet via de binnenplanse afwijking van artikel 21 van het bestemmingsplan worden vergund.

Het college erkent dat in het primaire besluit alleen de overschrijding van de bouwhoogte expliciet genoemd is. Het college stelt zich op het standpunt dat in bezwaar een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en dat deze omissie in het bestreden besluit hersteld is. Het college stelt zich verder op het standpunt dat er geen sprake is van een derde goot aan de bovenzijde van het linkerdeel van de woning. Daartoe verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018 waarin de Afdeling heeft beoordeeld hoe het begrip ‘goothoogte’ moet worden uitgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat het door eiser bedoelde punt geen goot(hoogte) is in de zin van de meetbepalingen van het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter overweegt dat het begrip goothoogte niet nader omschreven is in het bestemmingsplan. Wel staat in artikel 2 van het bestemmingsplan hoe de goothoogte moet worden gemeten. Deze wordt gemeten ‘vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel’. Voor de duiding van de in dit artikel genoemde begrippen kan aangesloten worden bij de omschrijvingen uit de Van Dale, zoals volgt uit de door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling. Eiseres heeft er op gewezen dat die Afdelingsuitspraak ziet op een andersoortige zaak, namelijk een planschadezaak, en dat in het bestemmingsplan in die zaak, anders dan in het onderhavige omgevingsplan, geen sprake was van een maximale bouw- of nokhoogte. Dat zijn inderdaad verschillen, maar niet valt in te zien waarom die verschillen relevant zouden zijn voor de in die Afdelingsuitspraak geformuleerde uitleg over het vaststellen van de goothoogte. Gelet op deze uitleg voldoet het door eiser aangewezen punt niet aan de definitie van goothoogte. Er is geen sprake van een goot, druiplijn, boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, omdat op dit punt geen sprake is van afwatering. De voorzieningenrechter is dan ook met het college van oordeel dat er geen sprake is van drie goten, maar van twee goten.

De goothoogte van deze beide goten is 6,135 m, zoals blijkt uit de bouwtekening die het college heeft overgelegd bij het bestreden besluit II. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de bestreden besluiten, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, voldoende duidelijk wordt omschreven dat de afwijking niet alleen op de bouwhoogte, maar ook op de goothoogte, ziet.

Hoofdgebouw of aan-/uitbouw

6. Eiseres stelt dat het lagere linkergedeelte van de woning geen onderdeel is van het hoofdgebouw, maar als aan- of uitbouw beschouwd moet worden. De nieuwe voorgevel aan de linkerzijde wijkt in bouwkundig opzicht namelijk sterk af van de rest van het (bestaande) hoofdgebouw en steekt daar ook bij af door de afwijkende kleurstelling. Omdat sprake is van een aan- of uitbouw kon het college geen gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Die geldt namelijk alleen voor hoofdgebouwen.

Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een hoofdgebouw met aangebouwde garage. Deze garage is een aanbouw, omdat deze in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De dakopbouw wordt gerealiseerd op het bestaande hoofdgebouw en vergroot dat hoofdgebouw. De uitbreiding leidt niet tot een afzonderlijk gebouwdeel dat naar aard, positionering en verschijningsvorm als aanbouw of uitbouw kan worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het linkerdeel van de woning onderdeel is van het hoofdgebouw en dat dit deel geen aan- of uitbouw is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de twee schuine daken bovenop het bestaande hoofdgebouw worden geplaatst. Weliswaar ligt het linkerdeel van de woning verder naar achter en heeft het ook een andere kleur dan het rechterdeel, maar dit maakt niet dat geen sprake is van een architectonische eenheid. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het niet ongebruikelijk is dat een hoofdgebouw uit verschillende onderdelen bestaat. Zoals ter zitting is besproken bestaat bijvoorbeeld ook de woning van eiseres uit verschillende te onderscheiden bouwdelen, maar is dat, ook volgens eiseres, toch één hoofdgebouw.

De voorzieningenrechter kan het college daarom volgen in het standpunt dat er sprake is van een hoofdgebouw (linkerdeel en rechterdeel) met een aangebouwde garage. Het college mocht voor dat gehele hoofdgebouw gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Belangenafweging en motivering binnenplanse afwijkingen

7. Eiseres stelt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom toepassing kon worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid en dat het college bij het toepassen daarvan haar belangen onvoldoende heeft meegenomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college een omgevingsvergunning via een binnenplanse afwijking kan verlenen als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college heeft gebruikgemaakt van de (algemene) afwijkingsbevoegdheid van artikel 21 van het bestemmingsplan. Bij toepassing van dit artikel mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de sociale en externe veiligheid. Het college heeft beleidsruimte om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het omgevingsplan. Dat betekent dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij de afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Straat- en bebouwingsbeeld

Eiseres stelt dat het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. De nieuwe woning zal aan de rechterzijde twee keer zo hoog worden. Die bouwhoogte past niet in het straatbeeld, omdat de bebouwing in de omgeving in overwegende mate bestaat uit twee bouwlagen en zeker niet uit drie. Ook is er verder in de omgeving geen woning die ‘opgetopt’ is. De woning voegt zich naar de mening van eiseres op geen enkele wijze in het straatbeeld en wijkt daar zelfs zodanig van af dat sprake is van een ontsierende dissonant.

Het college onderkent dat het bouwplan zichtbaar is in het straatbeeld en dat de verschijningsvorm van de woning wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. Dit betekent echter niet automatisch dat daarom sprake is van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. Daarvan is volgens het college geen sprake. Het college wijst op de diversiteit aan woningtypen, hoofdvormen en kapvormen in de straat. Ook de bouwhoogte varieert. De bestaande woning op het perceel wijkt juist af van het straatbeeld omdat dit de enige woning is met een plat dak. Met het bouwplan wordt de woning voorzien van een dakopbouw met een lessenaarskap. Deze kapvorm komt op meer plaatsen in de straat voor. Hetzelfde geldt voor hogere bouwmassa’s en woningen met gedeeltelijk twee bouwlagen en een kap. Gelet op de aanwezige diversiteit, stelt het college zich op het standpunt dat de uitbreiding van de woning aansluit bij kenmerken die reeds aanwezig zijn in de straat en wordt tegelijkertijd recht gedaan aan de bestaande variatie binnen de woonomgeving. Van een zodanige afwijking van het bestaande beeld dat de ruimtelijke samenhang verloren gaat, is daarom geen sprake.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld omdat de dakophoging zorgvuldig wordt ingepast in de bestaande bouwstructuur en qua vormgeving, materiaal en schaal aansluit bij het karakter van de omliggende bebouwing. Dit standpunt heeft het college in het verweer verder aangevuld. Ter zitting heeft het college aangegeven dat daarvoor advies is gevraagd aan de gemeentelijke stedenbouwkundige. Gelet op de motivering in het bestreden besluit en de aanvullende motivering in het verweerschrift, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. Dat de woning hoger wordt dan de andere woningen in de straat klopt, maar betekent anders dan eiseres stelt, nog niet dat daarom sprake is van een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld.

Gebruiksmogelijkheden aangrenzende gronden; belangenafweging

Eiseres stelt dat haar belangen in de bestreden besluiten onvoldoende meegewogen zijn. Als deze belangen op de juiste wijze meegenomen waren, had dit moeten leiden tot een weigering van de vergunning omdat het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Eiseres heeft gewezen op de bijzondere indeling van haar onder architectuur gebouwde woning, namelijk met de woonkamer op de eerste verdieping. Daardoor leidt het bouwplan tot een onaanvaardbare aantasting van haar privacy en uitzicht. Door de verbouw zal de woning naast haar uitkomen boven het door eiseres geplaatste scherm. De buren kunnen dan recht in haar woonkamer kijken. In die woonkamer staat haar vleugel. Zij wil daar ongestoord kunnen musiceren en rustig een boek kunnen lezen. Dat zal na de realisatie van de nieuwbouw niet meer ontspannen kunnen. Ook haar uitzicht zal onevenredig aangetast worden, terwijl het kenmerkende aan het ontwerp van haar woning juist het fraaie uitzicht was, onder andere vanwege de woonkamer op de eerste verdieping. Daarnaast zal er sprake zijn van verlies aan zonlicht en lucht.

Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres en ook niet van de gebruiksmogelijkheden van haar perceel. Daarbij acht het college van belang dat niet de bestaande situatie, maar de planologisch toegestane situatie het uitgangspunt vormt. De beoordeling ziet uitsluitend op de gevolgen van de extra bouw- en goothoogte als gevolg van de binnenplanse afwijkingen, te weten een bouwhoogte van 10,305 meter en een goothoogte van 6,135 meter. De bouwhoogte wordt overschreden met 1,305 meter en de goothoogte met 13,5 cm. Ten aanzien van de bezonning stelt het college zich op het standpunt dat slechts een gedeelte van het bouwwerk de maximale bouwhoogte overschrijdt, waarbij dit deel van de woning bovendien niet aan de meest noordelijke rand van het bouwvlak – direct grenzend aan het perceel van eiseres – gerealiseerd wordt maar meer centraal binnen het bouwvlak. Hierdoor is de afstand tussen het hoogste bouwdeel en de woning van eiseres groter dan wanneer de maximale bouwhoogte direct langs de perceelsgrens zou zijn gerealiseerd. De eventuele extra schaduwwerking als gevolg van de beperkte verhoging is daardoor beperkt. Over het verlies van uitzicht stelt het college zich op het standpunt dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Ten aanzien van de aantasting van de privacy stelt het college zich op het standpunt dat de afstand tussen de woningen gelijk blijft en voldaan wordt aan de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen afstandseisen. De persoonlijke omstandigheden van eiseres maken niet dat aan haar belangen doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Het college heeft deze belangen afgewogen tegen het belang van vergunninghouder bij uitbreiding van zijn woning. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, afgezet tegen wat bij recht op het perceel gebouwd mag worden, de beperkte overschrijding van de maximaal toegestane bouw- en goothoogte niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van eiseres.

De voorzieningenrechter overweegt dat, zoals het college terecht stelt, bepaald moet worden of de toegestane afwijking van de bouw- en goothoogte (respectievelijk met 1,305 en 0,135 meter) leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres. De voorzieningenrechter volgt niet het ter zitting door eiseres ingenomen standpunt dat de feitelijke afwijking de hele bovenste bouwlaag betreft, omdat bij toepassing van de maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 9 meter deze bouwlaag niet gerealiseerd had kunnen worden en dit ook de bedoeling is geweest van de planwetgever. De voorzieningenrechter ziet hiervoor geen aanwijzingen in het bestemmingsplan en ziet ook niet in waarom een extra bouwlaag van drie meter (met een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 9 meter) niet realiseerbaar zou zijn. De voorzieningenrechter zal dan ook hieronder beoordelen of, met name, de afwijking van de bouwhoogte leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de vraag of sprake is van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet alleen de planologische gebruiksmogelijkheden van het perceel in aanmerking moeten worden genomen. Er moet gekeken worden naar alle feitelijke ruimtelijke gevolgen die het met die afwijkingsbevoegdheid toegestane gebruik met zich kan brengen. Ten aanzien van de door eiseres gestelde beperkingen voor de bezonning en daglichttoetreding van haar woning wordt in het bestreden besluit alleen verwezen naar de afweging die de planwetgever heeft gemaakt bij het opnemen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarmee heeft het college nog niet gemotiveerd waarom in dit specifieke geval geen sprake is van een onevenredige aantasting. Over het uitzicht van eiseres is in het bestreden besluit niets opgenomen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. In het verweerschrift heeft het college dit gebrek hersteld met de aanvullende motivering. Ten aanzien van de privacy heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd dat aan de privaatrechtelijke afstandseisen voor vensters en muuropeningen tussen buurpercelen ruimschoots wordt voldaan en dat, gezien de toegestane afwijking en de afweging van belangen, de aantasting van de privacy niet zodanig is dat sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat met het bouwplan aan de zijde van eiseres geen nieuwe ramen of openingen worden gerealiseerd waaruit rechtstreeks zicht op de woning van eiseres is.

De voorzieningenrechter is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van eiseres. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat en waarom het college haar woonwensen zwaarder moet wegen dan die van haar buurman. Dat zij er al woont en de buurman in zijn bouwplan nog rekening kan houden met haar wensen op het gebied van uitzicht, privacy en daglichttoetreding is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het college, met de aanvullende motivering in het verweerschrift, het bestreden besluit op dit punt deugdelijk gemotiveerd heeft. Omdat deze aanvullende motivering pas in het verweerschrift is gegeven, is het beroep van eiseres gegrond. De voorzieningenrechter zal bestreden besluit I vernietigen, maar laat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand.

Redelijke eisen van welstand

8. Eiseres stelt dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria voor het welstandsgebied ‘Recente woonbuurten’. Dit blijkt ook uit het feit dat de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (Hûs en Hiem, hierna Adviescommissie) op 12 mei 2025 het bouwplan negatief beoordeeld heeft. Het is eiseres niet duidelijk hoe de bouwtekening aangepast is, zodat het welstandsadvies op 14 juli 2025 wel positief is beoordeeld. Daarbij stelt eiseres bovendien dat er geen aangepaste bouwtekening is voorgelegd aan de Adviescommissie en dat deze ook geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, terwijl de commissie bezwaarschriften dit wel geadviseerd had.

Het college stelt zich op het standpunt dat, voor zover sprake was van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek, dit is hersteld in bestreden besluit II waarbij de aangepaste bouwtekening ook onderdeel van de besluitvorming is gemaakt. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de Adviescommissie positief heeft geadviseerd op het bouwplan en dat eiseres geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd waaruit blijkt dat het welstandsadvies inhoudelijk onjuist is. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de Adviescommissie bij haar beoordeling van onjuiste feiten of uitgangspunten is uitgegaan.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college op een welstandsadvies af mag gaan nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van dit advies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college in deze procedure een uitgebreide ‘nadere toelichting op het eerdere advies’ van 28 juli 2026 van de Adviescommissie heeft overgelegd en ook de vier eerdere adviezen van de Adviescommissie. Hieruit blijkt dat een eerste advies op 12 mei 2025 is aangehouden in afwachting van nadere informatie. Vervolgens heeft de adviescommissie het bouwplan op 16 juni 2025 onder voorbehoud goedgekeurd, waarbij de eis werd gesteld dat een gewijzigd voorstel opnieuw moest worden voorgelegd. Op 14 juli 2025 heeft de Adviescommissie het gewijzigde bouwplan weer onder voorbehoud goedgekeurd en heeft daarbij opgemerkt dat het college zelf kon zorgen voor de vervolgtoetsing op het voorbehoud. Dat voorbehoud had te maken met de uitvoering van de gevelpanelen. De voorzieningenrechter is, onder die omstandigheden van oordeel, dat het niet nodig was de aangepaste tekening opnieuw aan de Adviescommissie voor te leggen.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het bestreden besluit I op dit punt deugdelijk gemotiveerd is. De welstandscommissie heeft op 14 juli 2025 positief geoordeeld over het bouwplan en het college mocht van dit advies uitgaan. Eiseres vindt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand en de gestelde gebiedsgerichte criteria, maar onderbouwt niet waarom de conclusie van de Adviescommissie niet juist zou zijn en evenmin heeft zij zich beroepen op een andersluidend deskundig welstandsadvies. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de Adviescommissie zich in de vier adviezen en de toelichting daarop in de brief van 28 juli 2026 heeft gebaseerd op onjuiste feiten of uitgangspunten.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit I is gegrond omdat bestreden besluit I in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom bestreden besluit I. De voorzieningenrechter laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het college het motiveringsgebrek in deze procedure hersteld heeft. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik kan blijven maken van de vergunning. Omdat het beroep gegrond is en de rechtsgevolgen in stand worden gelaten, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (drie punten á € 934,- per punt). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.

Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand