[belanghebbende ] B.V., uit [vestigingsplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 februari 2026.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag reclamebelasting opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] en [naam 2] en namens de heffingsambtenaar [naam] . Belanghebbende heeft op de zitting een pleitnota overgelegd.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag reclamebelasting ten onrechte is opgelegd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De heffingsambtenaar heeft, op basis van de Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2024 van de gemeente Groningen (de Verordening), aan eiseres voor het jaar 2024 een aanslag reclamebelasting opgelegd voor het object [object] te Groningen.
4. Op grond van de Verordening kan de heffingsambtenaar een aanslag reclamebelasting opleggen als sprake is van een openbare aankondiging of van een reclamevoorwerp. Voor openbare aankondigingen wordt het tarief bepaald aan de hand van de oppervlakte van alle openbare aankondigingen tezamen, waarbij de eerste 2 m² is vrijgesteld. Indien de openbare aankondiging wordt gedaan door middel van een combinatie van verschillende losse voorwerpen of een opschrift met losse letters, cijfers, tekens, logo’s of symbolen, aangebracht op of aan een gebouw of bouwwerk, wordt de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald door de lengte c.q. de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die de voorwerpen of het opschrift omsluit. Reclamevoorwerpen worden per voorwerp gerekend waarbij er een vrijstelling geldt voor het eerste reclamevoorwerp. Uit de tekst van de Verordening volgt verder dat een reclamevoorwerp niet tot de grondslag van een openbare aankondiging wordt gerekend, en dat een reclamevoorwerp een voorwerp is dat niet is aangebracht op of aan een gebouw of bouwwerk.
5. De aanslag reclamebelasting is als volgt gespecificeerd:
6. Uit het dossier blijkt dat de volgende openbare aankondigingen in de heffingsgrondslag zijn betrokken:
De oppervlakte van deze vier openbare aankondigingen tezamen bedraagt volgens het dossier 3,45 m².
7. Het is de rechtbank niet helder geworden op welke wijze de heffingsambtenaar deze gezamenlijke oppervlakte heeft berekend. De rechtbank haalt enkel uit het dossier dat de totale oppervlakte van 3,45 m² is gebaseerd op vier oppervlakten van 0,2 m², 2,5 m², 0,6 m² en 0,15 m². Het blijft echter voor de rechtbank vooral gissen welke oppervlakte volgens de heffingsambtenaar bij welke openbare aankondiging hoort. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar ook geen verdere helderheid hierover kunnen geven. Zoals gezegd kan de rechtbank deze oppervlakten op basis van het dossier niet één op één koppelen aan de vier aankondigingen. Ook de bijgevoegde foto’s verschaffen geen helderheid. De rechtbank vermoedt dat de deur in de [pand] voor 2,5 m² - waarschijnlijk de gehele deur – in aanmerking is genomen. Als dat het geval is dan zou dat berusten op een onjuist uitgangspunt: er staat tekst op de deur en daar zou volgens de Verordening een denkbeeldige rechthoek omheen gezet moeten worden (zie 4.). Uit de Verordening blijkt niet dat in dat geval de gehele oppervlakte van de deur als grondslag moet worden meegenomen. Als de rechtbank conform de Verordening een denkbeeldige rechthoek om de letters op de deur plaatst dan komt zij (bij lange na) niet op het totaal aantal vierkante meters waar de heffingsambtenaar waarschijnlijk vanuit is gegaan. Gelet op dit alles acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het totaaloppervlak van de vier openbare aankondigingen boven de 2 m² uitkomt. Nu volgens de Verordening het tarief € 0 bedraagt zolang de gezamenlijke oppervlakte van de openbare aankondigingen onder de 2 m² blijft, is de aanslag ten aanzien van dit onderdeel ten onrechte opgelegd.
8. Naast deze openbare aankondigingen zijn er ook vier reclamevoorwerpen in de aanslag begrepen. De rechtbank begrijpt niet goed om welke vier reclamevoorwerpen het gaat, omdat deze niet nader toegelicht worden in de aanslag of in het dossier dat door de heffingsambtenaar in deze procedure is ingebracht. Het enige voorwerp dat duidelijk wordt benoemd is de deurmat die voor het hotel ligt met daarop de naam van het hotel. Dit voorwerp kan als reclamevoorwerp in de zin van de Verordening worden gezien. Gelet op de tekst van de Verordening kunnen de overige openbare aankondigingen (zie 6.) in elk geval niet tot een reclamevoorwerp worden gerekend. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat slechts sprake is van één reclamevoorwerp Of en hoe lang de deurmat verder wel of niet voor de deur heeft gelegen, is voor de hoogte van de aanslag niet relevant, omdat het eerste reclamevoorwerp is vrijgesteld. Dit betekent dat de heffingsambtenaar ten onrechte een bedrag van € 300 voor reclamevoorwerpen in de aanslag heeft begrepen. Ook op dit punt is de aanslag ten onrechte opgelegd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de aanslag wordt vernietigd. De heffingsambtenaar moet ook het griffierecht van € 397 aan belanghebbende vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar
- vernietigt de aanslag reclamebelasting;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 397 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. van der Terp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.