RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 12339021 \ VV EXPL 26-93
Vonnis in kort geding van 10 september 2026
in de zaak van
1. V.O.F. DGL INVESTMENTS,
te Emmen,2. DGL INVESTMENTS 2 B.V.,
te Agelo,3. DGL INVESTMENTS 3 B.V.,
te Emmen,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: DGL,
gemachtigde: mr. R.P. Wanschers,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.L.S. Verhoog.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van DGL; - de producties van [gedaagde] ;- de mondelinge behandeling van 3 september 2026, waarbij zijn verschenen [naam] namens DGL, bijgestaan door mr. R.P. Wanschers, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. A.L.S. Verhoog. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.- de pleitnota van mr. Verhoog.
2. De feiten
[gedaagde] huurt sinds september 2022 van DGL een woning aan [adres] . De huurovereenkomst is in maart 2023 schriftelijk vastgelegd. De huurprijs bedraagt momenteel € 1.748,53 per maand.
3. Het geschil
DGL vordert ontruiming van de woning aan [adres] . Daarnaast vordert DGL dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, een maandelijkse gebruiksvergoeding tot aan de ontruiming, openstaande kosten, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering tot ontruiming en toewijzing van de op dat dit moment nog resterende geldvordering.
4. De beoordeling
In kort geding kan enkel een voorlopige voorziening worden gegeven als er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Naar het oordeel van de kantonrechter vloeit het spoedeisend belang bij de vorderingen van DGL voort uit de aard van de vorderingen.
Verder overweegt de kantonrechter dat in dit kort geding, op basis van de door partijen gestelde feiten en zonder nader onderzoek, moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure waarschijnlijk zal slagen. Als dat het geval is, kan toewijzing nu al gerechtvaardigd zijn.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Gelet op de omstandigheid dat in kort geding geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en op de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, moet bij de beoordeling grote terughoudendheid worden betracht. Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming van een woning in kort geding, die bijna een definitief karakter heeft, is daarom alleen plaats als het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en de gevorderde ontruiming zal toewijzen.
Daarbij geldt als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming in beginsel kan leiden tot ontbinding van een huurovereenkomst. Dat geldt niet als de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding niet rechtvaardigt. Het is in dat geval aan de huurder die tekort is geschoten om te stellen en te onderbouwen dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Op voorhand is niet te zeggen dat één gezichtspunt doorslaggevend is. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval en het concrete belang van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden.
Een huurachterstand van drie maanden wordt in beginsel als een voldoende ernstige tekortkoming gezien om ontbinding te rechtvaardigen, afhankelijk van de concrete omstandigheden. In dit geval bedroeg de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 8.466,80. Sinds april 2026 werd geen huur meer betaald, waardoor destijds sprake was van een achterstand van vijf maanden, wat [gedaagde] heeft erkend. Twee dagen vóór de zitting heeft de vader van [gedaagde] echter de volledige huurachterstand zoals die ten tijde van de dagvaarding bestond voldaan. Daardoor waren ten tijde van de zitting op 3 september 2026, enkel nog de huur van september en de bijkomende kosten verschuldigd.
Ook heeft DGL ter zitting erkend dat zij heeft nagelaten om bij de gemeente de huurachterstand te melden in het kader van vroeg signalering, hoewel DGL als verhuurder daartoe wel verplicht was, zoals voorgeschreven in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2020.
Gezien de huidige huurachterstand ter hoogte van één maand en het feit dat geen melding bij de gemeente is gedaan, is de kantonrechter van oordeel dat een ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure met onvoldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten is. De kantonrechter is van oordeel dat de eerdere betalingsachterstand dit niet anders maakt. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden afgewezen.
De vordering onder II ziet op de huurachterstand tot en met augustus 2026. Deze achterstand is inmiddels voldaan. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.
De vordering onder III ziet op betaling van de huur vanaf september 2026 tot de datum dat het gehuurde is ontruimd. Deze vordering zal worden afgewezen omdat daar, gelet op de afwijzing van de ontruimingsvordering, geen belang meer bij bestaat. Deze betalingsverplichting vloeit immers al voort uit de huurovereenkomst.
De vordering, onder IV, ziet op betaling van openstaande (deurwaarders)kosten van € 1.583,56 (inclusief btw). [gedaagde] heeft ter zitting toegezegd deze te zullen betalen. Deze vordering is daarom toewijsbaar.
DGL vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een aantal brieven die door of namens DGL zijn verzonden, voldoet aan de wettelijke eisen. In die aanmaningen is het toepasselijke wettelijke tarief vermeld en is een betalingstermijn van meer dan veertien dagen gegeven, zoals vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De vordering zal worden toegewezen op basis van de toegewezen hoofdsom van € 1.583,56 inclusief btw, wat neerkomt op € 237,53 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Hoewel DGL (deels) in het ongelijk is gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het voor DGL noodzakelijk was om deze procedure te starten. [gedaagde] heeft de huurachterstand namelijk pas na dagvaarding voldaan. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld om de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DGL worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,57
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.407,57
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.583,56 (inclusief btw) aan deurwaarderskosten,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 237,53 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.407,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
6978