ECLI:NL:RBNNE:2026:3911

ECLI:NL:RBNNE:2026:3911

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer K/4302/12294703
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

verzetzaak in kort geding, loonvordering, geen sprake van beëindiging met wederzijds goedvinden, geen opzegging door werkgever

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: 12294703 \ VV EXPL 26-78

Verzetvonnis in kort geding van 3 september 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap

Autobedrijf VDL B.V.,

gevestigd te Nieuwe Pekela,

eisende partij in het verzet (opposante),

hierna te noemen: VDL,

gemachtigde: mr. B.M.J. Pelzer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in het verzet (geopposeerde),

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. A.O. de Vries.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van [gedaagde] (met producties), door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 12129351 \ VV EXPL 26-27;

- de mondelinge behandeling in die zaak van 7 april 2026, waar namens VDL niemand is verschenen;

- het verstekvonnis in kort geding van 21 april 2026;

- de verzetdagvaarding van VDL;

- de akte overlegging producties van VDL; - de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waar namens VDL is verschenen mevrouw [naam], bijgestaan door mr. B.M.J. Pelzer. Daarnaast is [gedaagde] verschenen, bijgestaan door mr. A.O. de Vries. VDL heeft op de zitting een pleitnota en een nadere productie overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde], geboren op [geboortedatum] 2005, werkte sinds 17 januari 2024 op basis van een (leer-)arbeidsovereenkomst bij VDL. [gedaagde] was daar werkzaam in de functie van medewerker belteam en (leerling) autoverkoper.

In het aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk verbonden is met de Praktijkovereenkomst Noorderpoort. Zodra de praktijkovereenkomst eindigt, stopt ook de arbeidsovereenkomst.

[gedaagde] verdiende het minimumloon. In de periode tot en met 14 maart 2026 was dat € 2.040,13 bruto per maand. Vanaf 15 maart 2026 was dat € 2.549,54 bruto per maand.

Op 5 januari 2026 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld.

VDL is vanaf januari 2026 gestopt met het betalen van loon.

In een e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] VDL verzocht om het loon van januari 2026 te betalen en loonstroken te verstrekken. De gemachtigde heeft daarnaast een voorstel tot beëindiging van het dienstverband gedaan. Dit voorstel luidde als volgt:

“(…)

- Einddatum van 1 april 2026;

- Hersteldmelding per datum ondertekening/overeenstemming;

- Vrijstelling van werk tot de einddatum;

- Reguliere eindafrekening uiterlijk op 1 mei 2026*;

- Voldoening van een beëindigingsvergoeding van € 2.026,51 bruto (de wettelijke

transitievergoeding, zie bijlage);

- Verstrekking van een positief geredigeerd getuigschrift;

- Vergoeding van juridische kosten tot maximaal €500,- (excl. BTW incl.

kantoorkosten).

(…)

Het hiervoor opgetekende voorstel geldt tot en met 27 februari 2026 16:59 uur, waarna

het komt te vervallen en het niet meer voor acceptatie vatbaar is.”

Omdat VDL ook het loon van februari 2026 niet betaalde, heeft [gedaagde] een kort geding tegen haar aangespannen. In die procedure vorderde [gedaagde] onder andere betaling van achterstallig loon.

Op 30 maart 2026 heeft [gedaagde] drie betalingen van VDL ontvangen. Het gaat om een nettobedrag van € 1.910,19 met als omschrijving ‘eindafrekening einde leerovereenkomst januari’, een nettobedrag van € 1.893,55 met als omschrijving ‘eindafrekening einde leerovereenkomst februari’ en een nettobedrag van € 4.167,99 met als omschrijving ‘eindafrekening einde leerovereenkomst maart inclusief vakantiegeld en transitievergoeding’.

3. De oorspronkelijke vordering

In zijn inleidende dagvaarding vorderde [gedaagde] (samengevat) om VDL, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot:

betaling van het loon van januari 2026 en februari 2026 van € 4.080,26 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag;

betaling van de ongematigde wettelijke verhoging daarover;

doorbetaling van het loon tot en met 3 januari 2027;

verstrekking van deugdelijke loonstroken, op straffe van een dwangsom;

betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 533,03;

ongedaanmaking van de afmelding voor de WIA-hiaatverzekering, op straffe van een dwangsom;

betaling van de proceskosten.

VDL is niet in de procedure verschenen, waarna verstek tegen haar is verleend. De kantonrechter heeft vervolgens bij verstekvonnis in kort geding van 21 april 2026 de vorderingen als genoemd onder iii. tot en met vii. (enigszins gewijzigd) toegewezen. De vorderingen als genoemd onder i. en ii. zijn afgewezen, omdat de kantonrechter de door VDL op 30 maart 2026 verrichte betalingen daarop in mindering heeft gebracht waardoor uiteindelijk geen vordering meer resteerde.

4. De vordering in de verzetzaak

VDL is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis in kort geding van 21 april 2026. VDL vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar te ontheffen van de hiervoor genoemde veroordelingen en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de verzetprocedure.

5. De beoordeling

VDL is tijdig in verzet gekomen

VDL heeft onweersproken gesteld dat zij met de betekening op 20 mei 2026 voor het eerst kennis heeft genomen van het verstekvonnis. Aangezien VDL haar verzetdagvaarding binnen vier weken nadien heeft uitgebracht, is VDL tijdig in verzet gekomen (artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De procedure wordt voortgezet

Op grond van artikel 147 lid 1 Rv wordt de oorspronkelijke procedure tussen [gedaagde] als eiser en VDL als gedaagde door het uitbrengen van de verzetdagvaarding voortgezet. De verzetdagvaarding geldt daarbij als conclusie van antwoord.

Er is sprake van een spoedeisend belang

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen van [gedaagde] is nodig dat hij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is hier het geval. Het spoedeisend belang volgt alleen al uit de aard van de vordering (achterstallig loon).

Toetsingskader in kort geding

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder (nader) onderzoek, worden beoordeeld of de vorderingen van [gedaagde] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorzieningen nu alvast gerechtvaardigd is. Daarnaast geldt dat bij een geldvordering in kort geding, waarvan hier onder meer sprake is, terughoudendheid op zijn plaats is. De kantonrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen (het restitutierisico).

De arbeidsovereenkomst is niet met wederzijds goedvinden beëindigd

De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2026 met wederzijds goedvinden is beëindigd. VDL stelt zich namelijk primair op het standpunt dat dit het geval is en dat zij het loon tot die datum heeft betaald, zodat de vorderingen van [gedaagde] moeten worden afgewezen.

[gedaagde] daarentegen betwist dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Volgens [gedaagde] heeft hij weliswaar een aanbod tot beëindiging van het dienstverband gedaan, maar is dit aanbod niet tijdig door VDL aanvaard waarna het is komen te vervallen.

De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:670b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, slechts geldig is indien deze schriftelijk is aangegaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is niet voldaan aan dit schriftelijkheidsvereiste. Een door beide partijen ondertekende beëindigingsovereenkomst ontbreekt. Ook is niet gebleken dat partijen op een andere manier schriftelijke overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De gemachtigde van [gedaagde] heeft VDL op 11 februari 2026 weliswaar een schriftelijk aanbod tot beëindiging van het dienstverband gedaan, maar niet gesteld of gebleken is dat VDL dit aanbod binnen de daarvoor gestelde termijn (27 februari 2026 16:59 uur) schriftelijk heeft aanvaard. VDL heeft op de zitting slechts naar voren gebracht dat zij het aanbod van [gedaagde] op of omstreeks 6 maart 2026 telefonisch heeft aanvaard. Nog daargelaten dat [gedaagde] dit gemotiveerd heeft betwist en het aanbod op dat moment reeds was vervallen, is een dergelijke mondelinge instemming in het licht van artikel 7:670b lid 1 BW onvoldoende voor de totstandkoming van een beëindigingsovereenkomst.

Ook de stelling van VDL dat zij uit de wijze waarop partijen zich na 1 april 2026 hebben gedragen mocht afleiden dat [gedaagde] instemde met beëindiging van het dienstverband kan haar niet baten. Artikel 7:670b lid 1 BW laat immers geen ruimte voor het aannemen van een rechtsgeldige beëindiging met wederzijds goedvinden op basis van andere gedragingen of uitlatingen dan schriftelijke overeenstemming.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande voorshands van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden per 1 april 2026 is beëindigd.

De arbeidsovereenkomst is ook niet door VDL opgezegd

Subsidiair, voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd, voert VDL aan dat zij de arbeidsovereenkomst (al dan niet rechtsgeldig) heeft opgezegd. Volgens VDL ligt deze opzegging besloten in de betalingen die zij op 30 maart 2026 aan [gedaagde] heeft verricht. Wanneer [gedaagde] van mening was dat deze opzegging niet rechtsgeldig was, had het gelet op de geldende vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW op zijn weg gelegen om binnen twee maanden na de opzegging een procedure tot vernietiging van die opzegging te starten. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten staat de opzegging van de arbeidsovereenkomst vast, aldus VDL.

[gedaagde] betwist dat de aan hem verrichte betalingen kwalificeren als een opzegging en dat er een vervaltermijn van toepassing is. Volgens [gedaagde] liep de arbeidsovereenkomst na 30 maart 2026 gewoon door.

Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling. Voor de gebondenheid aan een opzegging is beslissend of de wederpartij ([gedaagde]) de verklaring of gedraging van de opzeggende partij (VDL) heeft beschouwd en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht beschouwen als opzegging (artikel 3:33 en 3:35 BW).

Dat is naar het voorshands oordeel van de kantonrechter niet het geval. [gedaagde] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij de betalingen die hij op 30 maart 2026 van VDL heeft ontvangen met de omschrijvingen ‘eindafrekening einde leerovereenkomst januari’, ‘eindafrekening einde leerovereenkomst februari’ en ‘eindafrekening einde leerovereenkomst maart inclusief vakantiegeld en transitievergoeding’ niet heeft opgevat als een opzegging. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter hoefde [gedaagde] dit ook redelijkerwijs niet als een opzegging te begrijpen. Uit de betalingen komt namelijk niet duidelijk en ondubbelzinnig naar voren dat sprake was van een opzegging door VDL. Mede in het licht van de stellingen van VDL lijkt het er veel meer op dat VDL met de verrichte betalingen (slechts) uitvoering heeft willen geven aan de volgens haar tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter is op voorhand van oordeel dat een dergelijke onduidelijke en dubbelzinnige wilsverklaring van VDL niet aan [gedaagde] kan worden tegengeworpen. [gedaagde] mag immers niet de dupe worden van onduidelijke mededelingen van VDL over het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit geldt temeer vanwege de korte vervaltermijnen die gelden voor het inroepen van de vernietiging van een opzegging.

Dat [gedaagde] niet meer is opgeroepen om te komen werken, dat er geen verdere betalingen aan hem zijn verricht en dat [gedaagde] niet (meer) is opgeroepen voor de bedrijfsarts maakt dit niet anders. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] daadwerkelijk heeft begrepen of moest begrijpen dat VDL de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

De conclusie is dan ook dat de kantonrechter het voorshands niet aannemelijk acht dat VDL de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Dit betekent dat eveneens onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW is gaan lopen.

De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 augustus 2026 geëindigd

Wat wel voldoende aannemelijk is geworden, is dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2026 is geëindigd. In het aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst is namelijk bepaald dat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de Praktijkovereenkomst Noorderpoort. Deze praktijkovereenkomst is op 1 september 2025 tussen Noorderpoort, [gedaagde] en VDL tot stand gekomen en liep tot en met 31 juli 2026. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat met het eindigen van de praktijkovereenkomst per 1 augustus 2026 ook de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

[gedaagde] heeft recht op achterstallig loon

Omdat de arbeidsovereenkomst tot en met 31 juli 2026 heeft voortgeduurd, heeft [gedaagde] tot en met die datum recht op loon (7:629 BW). Aangezien VDL het loon van januari 2026 en februari 2026 niet tijdig aan [gedaagde] heeft betaald, is zij ook wettelijke verhoging verschuldigd over het te laat betaalde loon (artikel 7:625 BW). De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. VDL heeft namelijk geen omstandigheden naar voren gebracht die matiging rechtvaardigen.

Net als de kantonrechter in het verstekvonnis van 21 april 2026 heeft geoordeeld, zal de kantonrechter de door VDL op 30 maart 2026 verrichte (netto) betalingen van € 1.910,19, € 1.893,55 en € 4.167,99 aanmerken als loonbetalingen voor in ieder geval de maanden januari 2026 en februari 2026 en als betaling van de wettelijke verhoging. Partijen hebben hiertegen immers geen bezwaar gemaakt. Met de door VDL verrichte betalingen van in totaal € 7.971,73 is het loon van januari 2026 en februari 2026 en de daarover verschuldigde wettelijke verhoging in ieder geval voldaan. De kantonrechter wijst deze vorderingen van [gedaagde] daarom af.

Voor wat betreft het loon van maart 2026 tot en met juli 2026 handhaaft de kantonrechter het oordeel dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre VDL met de betalingen op 30 maart 2026 het loon over die periode (gedeeltelijk) heeft voldaan. De betalingen betreffen immers nettobedragen en zijn ook in de verzetprocedure niet gespecificeerd. De kantonrechter zal het loon van maart 2026 tot en met juli 2026 daarom toewijzen, voor zover VDL dit loon niet reeds heeft betaald. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en dat niet is gebleken van een restitutieriscio.

Nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd, kan [gedaagde] eveneens aanspraak maken op betaling van de transitievergoeding (7:673 BW) en afgifte van een deugdelijke eindafrekening. Nu [gedaagde] echter geen daarop gerichte vordering heeft ingesteld, kan de kantonrechter VDL hiertoe niet veroordelen. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat partijen de arbeidsovereenkomst op een deugdelijke wijze zullen afwikkelen.

[gedaagde] heeft geen belang meer bij afgifte van deugdelijke loonstroken

[gedaagde] heeft eveneens afgifte van deugdelijke loonstroken gevorderd. Op de zitting heeft VDL toegelicht dat zij inmiddels pro forma loonstroken tot en met juli 2026 aan [gedaagde] heeft verstrekt. [gedaagde] heeft dit bevestigd en kenbaar gemaakt dat hij onder die omstandigheden geen belang meer heeft bij zijn vordering tot afgifte van deugdelijke loonstroken. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

[gedaagde] heeft recht op buitengerechtelijke incassokosten

Zoals de kantonrechter ook in het verstekvonnis heeft overwogen, heeft [gedaagde] voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten bovendien in lijn zijn met het voorgeschreven tarief in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zal het gevorderde bedrag van € 533,03 worden toegewezen.

[gedaagde] heeft geen belang meer bij ongedaanmaking van de afmelding voor de WIA-hiaatverzekering

[gedaagde] heeft tot slot gevorderd dat VDL wordt veroordeeld tot ongedaanmaking van de afmelding voor de WIA-hiaatverzekering. Op de zitting heeft [gedaagde] echter toegelicht dat hij ook bij deze vordering geen belang meer heeft, nu de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2026 is geëindigd. Deze vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

Het verstekvonnis wordt vernietigd

Weliswaar blijven een aantal veroordelingen uit het verstekvonnis overeind, maar om misverstanden te voorkomen zal de kantonrechter het verstekvonnis helemaal vernietigen en opnieuw op de vorderingen van [gedaagde] beslissen.

De proceskosten

Hoewel een aantal vorderingen van [gedaagde] wordt afgewezen, wordt VDL veroordeeld in de proceskosten van zowel de verstek- als verzetprocedure. [gedaagde] heeft VDL namelijk terecht gedagvaard voor het achterstallige loon van januari 2026 en februari 2026 en de daarmee samenhangende vorderingen. Weliswaar zijn het loon van januari 2026 en februari 2026 en de wettelijke verhoging inmiddels betaald, maar deze betalingen zijn pas verricht na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en dus nadat [gedaagde] kosten heeft moeten maken. Ook de loonstroken zijn door VDL pas verstrekt nadat het verstekvonnis is gewezen. Daarnaast heeft VDL (een deel van) het loon van maart 2026 tot en met juli 2026 en de buitengerechtelijke incassokosten tot op heden niet betaald. De kantonrechter acht het daarom redelijk dat VDL de proceskosten van beide procedures draagt.

De proceskosten van [gedaagde] van de verstekprocedure worden als volgt begroot:

- explootkosten

155,67

- griffierecht

93,00

- salaris gemachtigde

577,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

totaal

969,67

De proceskosten van [gedaagde] van de verzetprocedure worden als volgt begroot:

- salaris gemachtigde

288,50

(0,5 punt x tarief salaris kort geding)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

totaal

432,50

6. De beslissing

De kantonrechter

vernietigt het op 21 april 2026 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 12129351 \ VV EXPL 26-27;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt VDL om aan [gedaagde] te betalen het loon (tot en met 14 maart 2026 van € 2.040,13 bruto en vanaf 15 maart 2026 van € 2.549,54 bruto), te vermeerderen met vakantietoeslag, vanaf 1 maart 2026 tot en met 31 juli 2026, voor zover VDL dit loon niet reeds heeft betaald;

veroordeelt VDL om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 533,03 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt VDL in de proceskosten van de verstekprocedure van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening wanneer VDL niet tijdig aan de veroordelingen heeft voldaan en het vonnis daarna is betekend;

veroordeelt VDL in de proceskosten van de verzetprocedure van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als VDL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart de onder 6.2. tot en met 6.5. genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.

59522

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand