ECLI:NL:RBNNE:2026:3926

ECLI:NL:RBNNE:2026:3926

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 18-070577-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[verzoeker] ,

Strafrecht

Zittingsplaats Assen

parketnummer : 18-070577-23

raadkamernummer : 24-011385 en 24-011386

beslissing van de meervoudige raadkamer van 16 september 2026 op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] ,

hierna te noemen: de verzoeker.

Advocaat: mr. R.G. Knegt, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Verzoeker is op 17 april 2023 in verband met een verdenking van (onder meer) moord, meermalen gepleegd, in verzekering gesteld. De voorlopige hechtenis van verzoeker is op 1 juni 2023 opgeheven.

Het Openbaar Ministerie heeft op 11 april 2024 de strafzaak tegen verzoeker geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

Op 29 juli 2024 is een klacht bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingediend op grond van artikel 12 Sv, gericht tegen het niet vervolgen van verzoeker.

Bij beslissing van 21 oktober 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht, nu zij hadden aangegeven geen vervolging meer te wensen van beklaagde (verzoeker). Daarmee is de strafzaak van verzoeker definitief tot een einde gekomen.

Op 7 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van het Openbaar Ministerie van 1 augustus 2024 en het strafdossier.

Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de meervoudige raadkamer op

2 september 2026. Daarbij zijn verzoeker, zijn advocaat en de officier van justitie

mr. D. Homans-de Boer gehoord.

Het verzoek

Het verzoek strekt tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden. Daarbij is gevraagd een verhogingsfactor van 10 maal de forfaitaire vergoeding toe te passen, nu de detentie voor verzoeker aanzienlijk veel belastender is geweest dan normaal al het geval is. Kort samengevat is daartoe in het verzoekschrift en ter zitting gewezen op de uitzonderlijke ernst van de verdenking, de daaruit voortvloeiende aandacht van de (inter)nationale media, het optreden van en de communicatie door het Openbaar Ministerie over de zaak, de verergering van de reeds bestaande mentale klachten bij verzoeker als gevolg van de detentie, en de negatieve gevolgen die de verdenking voor zijn persoonlijk leven heeft gehad. Daarbij weegt extra verzwarend, aldus verzoeker, dat de behandeling van het verzoek onnodig lang op zich heeft laten wachten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis op zijn plaats is. Nu voorstelbaar is dat de detentie voor verzoeker - gelet op de specifieke aard en ernst van de verdenking en de media-aandacht - grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere gedetineerde verdachten, alsmede gelet op de lange tijd die verzoeker heeft moeten wachten op een vergoeding, is in de visie van het Openbaar Ministerie een verhoging op zijn plaats van tweemaal de forfaitaire vergoeding. Een verhoging met een factor 10 is echter buitenproportioneel. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat op grond van artikel 533 Sv enkel een schadevergoeding kan worden toegekend voor schade die een rechtstreeks gevolg is van de detentie. Schade ten gevolge van de verdenking komt in de onderhavige procedure niet voor vergoeding in aanmerking. Een groot deel van de aangevoerde feiten en omstandigheden zijn echter het gevolg van de verdenking en de strafzaak als geheel en kunnen dus niet leiden tot een hogere vergoeding.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 533 Sv heeft verzoeker derhalve recht op vergoeding van de schade die hij ten gevolge van zijn vrijheidsbeneming heeft geleden, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker van 17 april 2023 tot en met 1 juni 2023 van zijn vrijheid ontnomen is geweest. Verzoeker is op 17 april 2023 in verzekering gesteld en op 20 april 2023 in bewaring gesteld, waarbij verzoeker in volledige beperkingen is geplaatst. Deze beperkingen hebben voortgeduurd tot en met 4 mei 2023. Op 1 juni 2023 is de voorlopige hechtenis van verzoeker opgeheven.

De rechtbank merkt als eerste het volgende op. Verzocht wordt de forfaitaire vergoeding conform de LOVS-Oriëntatiepunten van € 130,- per dag dat verzoeker in verzekering gesteld is geweest en voor de dagen die verzoeker in beperkingen heeft doorgebracht en € 100,- per dag voor de dagen die verzoeker zonder beperkingen in een Huis van Bewaring heeft doorgebracht.

Dit zijn de tarieven zoals die golden tot 1 januari 2026. De rechtbank acht echter gronden aanwezig om uit te gaan van de tarieven zoals die met ingang van 1 januari 2026 gelden. De strafzaak is immers pas definitief geëindigd op 21 oktober 2025 met de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de klacht ex artikel 12 Sv. Vanaf dat moment is de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 533 lid 3 Sv formeel gaan lopen. Derhalve had het - prematuur ingediende - verzoekschrift ook na 1 januari 2026 ingediend kunnen worden zodat de rechtbank het in dit geval passend acht om bij de berekening van de vergoeding uit te gaan van de tarieven die sindsdien gelden.

Dat betekent dat de dagen die verzoeker in verzekering gesteld is geweest voor vergoeding in aanmerking komen tegen een bedrag van € 160,- per dag. Dit betreffen 3 dagen. De dagen die verzoeker in een Huis van Bewaring in beperkingen heeft doorgebracht komen voor vergoeding in aanmerking tegen een bedrag van € 155,- per dag. Dit betreffen 15 dagen. En de dagen die verzoeker zonder beperkingen in een Huis van Bewaring heeft doorgebracht komen voor vergoeding in aanmerking tegen een bedrag van € 130,- per dag. Dit betreffen 28 dagen.

De forfaitaire vergoeding komt derhalve neer op € 6.445,-.

Vervolgens is de vraag aan de orde of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor een verhoging van het aan verzoeker toe te kennen schadevergoedingsbedrag, zoals gevraagd door verzoeker. De rechtbank stelt daarbij voorop dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van de forfaitaire bedragen kan worden afgeweken. Hierbij is van belang dat op grond van artikel 533 Sv enkel schade geleden ten gevolge het ondergane voorarrest voor vergoeding in aanmerking komt. Schade geleden als gevolg van de verdenking en de vervolging kan niet tot (een hogere) vergoeding leiden.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval wel aanleiding om de forfaitaire vergoeding te verhogen, maar niet met de gevraagde factor 10. De door verzoeker omschreven immateriële schade bestaat namelijk voor een belangrijk deel uit schade die niet het gevolg is van het ondergane voorarrest maar van politieoptreden, het handelen van medewerkers van de GGZ en communicatie door het Openbaar Ministerie. Hoe invoelbaar het ook is dat deze omstandigheden veel impact op verzoeker hebben gehad en nog steeds hebben, komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking in onderhavige procedure.

De rechtbank dient zich dan ook te beperken tot schade geleden ten gevolge van het voorarrest en ziet zich voor de vraag gesteld of een verhoging van de hiervoor vastgestelde forfaitaire vergoeding billijk is.

De rechtbank acht bij de beoordeling van deze vraag het volgende van belang. Verzoeker werd ervan verdacht vanuit zijn beroep als verpleegkundige een twintigtal mensen om het leven te hebben gebracht op de palliatieve covid-afdeling van het [ziekenhuis] . Een verdenking van deze aard en omvang is ongeëvenaard in Nederland. Daarnaast had verzoeker reeds voor zijn aanhouding ernstige psychische klachten ontwikkeld. Aannemelijk is dat de combinatie van de zwaarte van de verdenking, de zeer grote media-aandacht voor de zaak en de toch al broze mentale toestand van verzoeker hebben gemaakt dat de gevolgen van de detentie veel zwaarder op verzoeker hebben gedrukt dan normaal het geval is. De rechtbank heeft ook oog voor het aanzienlijke tijdsverloop tussen de sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie en de behandeling van het verzoek op zitting, met overigens de kanttekening dat een deel van dit tijdsverloop het gevolg is geweest van de artikel 12-procedure.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om de forfaitaire vergoeding te verhogen met een factor 4.

De rechtbank kent derhalve een immateriële schadevergoeding toe van € 25.780,-.

De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen en hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van toepassing van de tarieven die met ingang van 1 januari 2026 gelden, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van € 825,-.

Beslissing

De rechtbank:

- kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 26.605,-

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. J. van Bruggen, voorzitter,

mr. G. Eelsing en mr. G.H. Boekaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers-Peters, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Mr. van Bruggen en mr. Boekaar zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van € 26.605,- (zegge: zesentwintigduizendzeshonderdvijf euro), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Anker & Anker Advocaten onder vermelding van dossiernummer “ [nummer] ”.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. van Bruggen
  • mr. G. Eelsing
  • mr. G.H. Boekaar

Griffier

  • mr. L. Lamers-Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand