ECLI:NL:RBNNE:2026:3933

ECLI:NL:RBNNE:2026:3933

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer LEE 24/3512
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek om schadevergoeding omdat door handhaving een pand later is verkocht dan oorspronkelijk de bedoeling was van de eigenaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

ODG Vastgoed B.V., uit Groningen, verzoekster

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. A.A. Westers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Bos).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft bij brief van 22 augustus 2024 de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Bij brief van 4 juni 2026 heeft de rechtbank aan verweerder een vraag gesteld. Bij brief van 3 juli 2026 heeft verweerder geantwoord.

De rechtbank heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster de gemachtigde en [naam] en namens verweerder de gemachtigde en W. Linker.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 29 december 2021 heeft verzoekster het eigendom verkregen van het pand op het [adres] . In februari 2022 heeft verzoekster het pand te koop aangeboden als woning voor de vraagprijs van € 169.000.

Op 1 maart 2022 heeft het nieuwsbedrijf Sikkom bericht over het te koop staan van de woning. Op 7 maart 2022 heeft een inspecteur vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen een inspectie uitgevoerd in het pand. In een rapport van 22 april 2022 heeft de inspecteur gesteld dat er sprake is van strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder b en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Deze bepalingen betreffen de verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren bestaande uit het uitvoeren van werkzaamheden en het gebruik van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan.

Naar aanleiding van de inspectie heeft verzoekster in een e-mailbericht van 9 maart 2022 aan verweerder onder meer het volgende geschreven: “Tijd is nogal schaars in deze, dit aangezien het gehele verkoop-/verhuurproces stil ligt. Tevens vervalt na 6 maanden de teruggave van de overdrachtsbelasting. Iedere dag kost nu weer simpelweg geld”. In de maanden maart en april 2022 hebben partijen elkaar meerdere berichten gestuurd. In een e-mailbericht van 22 april 2022 heeft de inspecteur onder meer, met verwijzing naar een eerder e-mailbericht, geschreven: “Op basis van het onderzoek dat ik tot nu toe heb gedaan en de gegevens die ik tot nu toe nu in mijn onderzoek heb opgevraagd, acht ik de kans aanwezig dat er door ons handhavend opgetreden kan worden tegen de bestaande situatie. Daarom heb ik u in mijn e-mail van 7 april uw cliënt geadviseerd nog niet over te gaan tot verkoop. Als uw cliënt toch gaat verkopen, dan zou volledige openheid over het voorgaande naar de koper volgens ons minimaal nodig zijn”.

Vanaf 5 mei 2022 heeft verzoekster het pand verhuurd als woning. De huurovereenkomst vermeldt een huurprijs van € 763 per maand.

Bij brief van 12 mei 2022 heeft verweerder aan verzoekster een vooraankondiging van handhaving toegezonden. Hierop heeft verzoekster haar zienswijze gegeven. Bij primair besluit van 21 juli 2022 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, waarbij onder meer is gelast om het gebruik als woning te staken en gestaakt te houden en om de ruimte zodanig aan te passen dat deze niet meer geschikt is voor het gebruik als woonruimte.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is behandeld op de hoorzitting van 6 december 2022 van de Adviescommissie bezwaarschriften. Bij besluit van 23 december 2022 heeft verweerder het primaire besluit herroepen met toekenning van een proceskostenvergoeding. Dit besluit vermeldt onder meer: “Naar aanleiding van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting en de vragen vanuit de Adviescommissie bezwaarschriften tijdens deze hoorzitting, zien wij thans aanleiding om de last onder dwangsom in te trekken”.

Bij brief van 7 maart 2023 heeft verzoekster verweerder aansprakelijk gesteld voor schade die zij zou hebben geleden. Dit heeft geleid tot een correspondentie tussen verzoekster en de aansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder. Hierbij heeft verzoekster onder meer twee taxatierapporten van het bureau Hoving Taxaties B.V. (Hoving) overgelegd. In het eerste taxatierapport taxeert Hoving de waarde van het pand op de waardepeildatum van 1 februari 2022 op € 175.000, in het tweede taxatierapport taxeert Hoving de waarde van het pand op de waardepeildatum van 24 augustus 2023 op € 130.000.

Op 30 augustus 2024 heeft verzoekster het pand voor een bedrag van € 160.001 verkocht.

Bij verzoek van 22 augustus 2024 heeft verzoekster de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van het primaire besluit van 21 juli 2022. Verzoekster vraagt vergoeding tot een bedrag van € 25.000.

Toetsingskader

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Op grond daarvan is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) wordt in het kader van het bestuursrecht, voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

Het is aan de verzoeker om schadevergoeding om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van het bestaan van de schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden.

Uit artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat voor vergoeding van de gestelde schade onder meer is vereist dat er een verband is tussen de gestelde schadeoorzaak en de gestelde schade. De hoofdregel is dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van het oorzakelijk verband op de benadeelde rusten.

Uit het toetsingskader vloeit voort dat eerst vastgesteld wordt of sprake is van een onrechtmatig besluit, dat bij een bevestigend antwoord vervolgens beoordeeld wordt of en in hoeverre schade is geleden en dat ten slotte beoordeeld wordt of er een oorzakelijk verband is tussen het onrechtmatige besluit en de schade.

Onrechtmatig besluit?

Zoals vermeld in 2.6., heeft verweerder bij besluit van 23 december 2022 het besluit van 21 juli 2022 herroepen. Desgevraagd heeft verweerder in de brief van 3 juli 2026 (1.1.) de volgende toelichting gegeven: ‘Het college concludeert na de hoorzitting dat de gehele [flat] , en dus ook het appartement, in het voornoemde bestemmingsplan een woonbestemming heeft gekregen’. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat tot intrekking is overgegaan omdat achteraf geconcludeerd is dat het besluit niet zo genomen had moeten worden. Uit vaste rechtspraak volgt, aldus verweerder, dat het besluit dan onrechtmatig is.

De rechtbank stelt vast dat de onrechtmatigheid van het besluit van 21 juli 2022 niet (meer) in geschil is.

Verweerder heeft gesteld dat de voorbereidingshandelingen van het besluit van 21 juli 2022 niet onrechtmatig zijn omdat het, in het kader van een zorgvuldige voorbereiding, is gegaan om het onderzoek of zich de verplichting tot handhaven voordeed.

De rechtbank overweegt dat verweerder bij het besluit van 21 juli 2022 en bij de relevante voorbereidingshandelingen daarvan (zie bijvoorbeeld in 2.3.) is uitgegaan van dezelfde aanname, te weten dat het bestemmingsplan bewoning van het pand niet toestond. In de onjuistheid van deze aanname ligt de onrechtmatigheid van het besluit én van de voorbereidingshandelingen. Dit is van belang omdat verzoekster stelt dat juist het advies van de behandelend ambtenaar om niet te verkopen, heeft geleid tot de gestelde schade.

Schade en oorzakelijk verband?

In het verzoekschrift stelt verzoekster dat de schade bestaat uit gederfde opbrengst van een tijdige verkoop als woning. Wat betreft de hoogte van de schade noemt verzoekster in het verzoekschrift meerdere mogelijkheden om de schade te berekenen. Deze leiden tot verschillende bedragen, te weten € 45.000, € 55.068,48 en € 56.344,24.

Ter zitting heeft verzoekster primair gesteld dat het schadebedrag in ieder geval hoger is dan € 25.000. Na bespreking van de verschillende berekeningsmethoden en relevante bedragen heeft verzoekster het subsidiaire standpunt ingenomen dat de schade een bedrag van € 15.000 is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster geen deugdelijke onderbouwing aangeleverd voor de stelling dat de schade meer dan € 25.000 (bijvoorbeeld een van de bedragen genoemd in 5.1.) bedraagt. Om die reden bespreekt de rechtbank het primaire standpunt niet verder. Wel is ter zitting in voldoende mate inzichtelijk geworden wat de onderbouwing van het subsidiaire standpunt is.

Over het subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank dat, zoals ter zitting is besproken en uit de stukken volgt, voor verzoekster de kosten van aankoop en renovatie van het pand € 138.724,24 bedroegen. Verzoekster stelt dat het pand begin 2022 voor een hoger bedrag dan € 160.001 verkocht had kunnen worden. Volgens verzoekster zou zonder het onrechtmatige besluit de verkoop een bedrag van € 175.000 hebben opgeleverd. Hiertoe verwijst verzoekster naar het eerste taxatierapport van Hoving (2.7.). De schade bestaat dan uit een gederfde opbrengst van € 14.999.

Naar het oordeel van de rechtbank is er een oorzakelijk verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Verzoekster had het voornemen het pand te verkopen, maar zag zich door het handhavingstraject (leidende tot het onrechtmatige besluit) genoodzaakt op dit voornemen terug te komen (zie 2.1. en 2.3.).

De rechtbank acht het eerste taxatierapport van Hoving van belang voor de bepaling van de hoogte van de schade. Anders dan verweerder betoogt, is de daarin gehanteerde waardepeildatum van 1 februari 2022 wel relevant omdat verzoekster rond deze datum de woning te koop aanbood en omdat deze datum kort vóór het handhavingstraject is gelegen.

Zonder af te doen aan de deskundigheid van de taxateur, geeft de taxatie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijke basis voor de aanname dat de verkoop begin 2022, zonder de onrechtmatige besluitvorming, daadwerkelijk tot een verkoopbedrag van € 175.000 zou hebben geleid. Wel leidt de rechtbank uit deze taxatie af dat de vraagprijs van € 169.000 reëel was. Er is daarom voldoende basis voor het vaststellen van de gederfde opbrengst op een bedrag van € 8.999 (€ 169.000 minus € 160.001).

Om de schade vast te stellen, moeten de huurinkomsten (2.4.) in mindering worden gebracht op genoemde gederfde opbrengst. Zoals ter zitting is besproken, zijn deze huurinkomsten ruim € 19.000 geweest.

Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat de bruto huuropbrengsten inderdaad

€ 19.000 waren, maar dat na aftrek van alle kosten per maand netto slechts een bedrag van

€ 30,84 overbleef. De rechtbank begrijpt dat er enige kosten zijn gemaakt in verband met de verhuur, maar de hoogte van die kosten blijkt niet uit de stukken. Verzoekster heeft ter zitting aangeboden hiervan alsnog een onderbouwing te geven. Ter zitting heeft de rechtbank dit bewijsaanbod afgewezen omdat dit strijdig is met de goede procesorde. Verzoekster heeft, ook na het verzoek van 22 augustus 2024, voldoende tijd en gelegenheid gehad om de gestelde schade te specificeren en van een deugdelijke onderbouwing te voorzien.

De conclusie is dat verzoekster niet aannemelijk gemaakt heeft dat zij schade heeft geleden.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank wijst het verzoek af. Dat betekent dat verweerder aan verzoekster geen schadevergoeding hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetgeving

Artikel 8:88 Awb

1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; (…)

Artikel 8:89

1. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd.

2. In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.

(…)

Artikel 8:90

1. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.

2. Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand