RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.330238.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 17 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Polstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 30 november 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 november 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, altans in Nederland [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind;
2
hij in of omstreeks de periode 22 juli 2024 tot en met 2 december 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal [slachtoffer] , heeft mishandeld en/of opzettelijk de (geestelijke) gezondheid van die [slachtoffer] heeft benadeeld, door die [slachtoffer]
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en feit 2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het procesdossier voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om de mishandelingen in de ten laste gelegde periode wettig en overtuigend te kunnen bewijzen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de hals/nek/keel een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, waar zich onder andere slagaderen en de luchtpijp bevinden. Naar algemene ervaringsregels brengt het dichtknijpen van die slagaderen/luchtpijp een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich mee. Omdat op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] door verdachte in zijn keel is geknepen, is sprake van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde fysieke mishandelingen vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijsmiddel te kunnen dienen. [getuige 1] is slechts getuige van hetgeen zij heeft gehoord en heeft naar aanleiding daarvan haar eigen conclusies getrokken. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat hij wist van de geluidsopnamen die [getuige 1] heeft gemaakt en uit het taalgebruik van [slachtoffer] ontstaat de indruk dat [slachtoffer] mogelijk door [getuige 1] in zijn verklaring is beïnvloed. Daar komt bij dat er geen medische verklaringen in het procesdossier zitten waaruit enig letsel bij [slachtoffer] blijkt. Evenmin heeft de omgeving letsel bij [slachtoffer] gezien. Als [slachtoffer] bij zijn keel zou zijn gepakt, zouden daar zeker sporen van te zien zijn geweest op zijn hals.
Ten aanzien van het schreeuwen en schelden heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het schreeuwen en schelden volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:1005) niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling.
Oordeel van de rechtbank
Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
De raadsvrouw heeft gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt. De rechtbank deelt dit standpunt niet en zal dit eerst toelichten voordat zij overgaat tot de bespreking van de verwijten.
[slachtoffer] was ten tijde van het afleggen van zijn verklaring 9 jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen in het algemeen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld, gelet op hun leeftijd en de daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid en wijze van herinneren en het verwoorden van herinneringen. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] tijdens het studioverhoor op 22 december 2025 uitgebreid, consistent en gedetailleerd is. [slachtoffer] heeft in de periode voorafgaand aan het studioverhoor, uit eigen beweging, meerdere keren in vertrouwen bij onafhankelijke derden, zoals de juf
en Veilig Thuis, over de gedragingen van verdachte verklaard. De inhoud van al deze verklaringen is consistent en komt overeen met hetgeen door [slachtoffer] is verklaard tijdens het studioverhoor. De rechtbank merkt daarbij op dat [slachtoffer] in eerste instantie geen verklaring bij de politie wilde afleggen omdat hij bang was dat verdachte de gevangenis in zou moeten. Aan zijn juf heeft [slachtoffer] na het verklaren over de gedragingen van verdachte gevraagd of zij het niet aan zijn vader en moeder wilde vertellen, omdat hij wilde dat het gezin bij elkaar bleef. De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat [slachtoffer] altijd een open en eerlijk kind is.
Gelet op bovenstaande, maakt de door [slachtoffer] afgelegde verklaring op de rechtbank een geloofwaardige en betrouwbare indruk en ziet de rechtbank geen concrete aanwijzingen dat de verklaring(en) van [slachtoffer] door sturing, suggestie, of anderszins zijn beïnvloed. Anders dan door de verdediging bepleit, heeft de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, aldus geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. De rechtbank zal de door [slachtoffer] afgelegde verklaring van 22 december 2025 dan ook gebruiken voor het bewijs en als uitgangspunt nemen bij de beoordelingen van de ten laste gelegde feiten.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair
1. De door verdachte ter zitting van 3 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
[slachtoffer] is mijn zoon. Op 30 november 2025 was ik boos op [slachtoffer] . Ik heb hem toen bij zijn armen gepakt en op zijn bed gezet.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van studioverhoor d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 182 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025325829
d.d. 2 februari 2026 inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Papa (de rechtbank begrijpt: verdachte) was op zondag 30 november 2025 heel boos en toen kneep hij in mijn keel. Dit was bij ons thuis in [plaats] . Hij had zijn twee handen en toen kneep hij mij zo (opmerking verbalisant: [slachtoffer] doet beide handen om zijn keel met de duimen op zijn ademsappel). Zijn handen zaten heel strak om mijn keel. Ik kon bijna niet ademen. Ik stikte bijna.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2025, opgenomen op pagina 154 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik hoorde op 30 november 2025 eerst dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) boos naar boven stormde. Ik heb [slachtoffer] 'nee horen roepen en ik hoorde [slachtoffer] hard schreeuwen. Toen [verdachte] weer naar beneden kwam zag ik dat dat hij boos en opgefokt was. Hij kwam gespannen beneden, ook zijn armen en vuisten waren gespannen. Hij vertelde mij dat hij [slachtoffer] bij de keel had geknepen. [slachtoffer] kwam bij mij en zei: ik dacht dat ik doodging. Ik zag aan [slachtoffer] dat hij bang was. Dit zag ik aan zijn ogen, en ik hoorde hem snikken. Hij was toen echt heel verdrietig.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 december 2025, opgenomen op pagina 166 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Ik vroeg op 1 december 2025 aan [slachtoffer] hoe het ging. [slachtoffer] vertelde dat het niet zo goed was thuis want papa (de rechtbank begrijpt: verdachte) was weer boos geweest. Hij (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) vertelde dat papa hem bij de keel had gegrepen. Daarop liet [slachtoffer] zien hoe papa beide handen om zijn nek deed.
Ten aanzien van feit 2
1. De door verdachte ter zitting van 17 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
[slachtoffer] is mijn zoon. Het klopt dat ik op meerdere momenten naar [slachtoffer] heb gescholden en geschreeuwd zoals te horen is op de geluidsopnamen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van studioverhoor d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 182 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025325829
d.d. 2 februari 2026 inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Papa (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft mij vaker een klap gegeven. Meestal als ik een klein dingetje fout doe, dan geeft papa mij meestal een trap. Papa slaat mij bijna overal. Papa slaat met zijn hand (opmerking verbalisant: [slachtoffer] doet het voor met zijn linkerhand en slaat op zijn rechterarm met een open hand).
Soms slaat hij ook wel eens zo (opmerking verbalisant: [slachtoffer] laat een vuist zien). Als papa mij trapt dan slaat hij mij meestal hier (opmerking verbalisant: [slachtoffer] tikt op zijn rechterbil met zijn rechterhand). Papa trapt mij ook niet zachtjes hoor.Hij trapt echt zo (opmerking verbalisant: [slachtoffer] doet voor hoe zijn vader hem trapt. Hij slingert zijn been de lucht in). Het hefstigste vind ik dat papa mij vaker in de keel knijpt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 december 2025, opgenomen op pagina 146 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) knijpt [slachtoffer] s luchtpijp wel eens dicht. [verdachte] heeft ook een keer in de keuken [slachtoffer] bij de keel gegrepen. Het gebeurde meestal dat verdachte [slachtoffer] in zijn gezicht/hals sloeg en/of een stomp in de maag gaf. De mishandelingen van [slachtoffer] zijn begonnen van jongs af aan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2025, opgenomen op pagina 154 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) deed verslag' van wat hij heeft gedaan. Hij zegt dan tegen mij dingen als: ik heb hem bij zijn keel gepakt, ik had hem zo vast, 'ik heb hem op zijn bek geslagen die niksnut. De datum van de geluidsopname Nieuwe opname 18 klap is 18 september 2025.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2025, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Nieuwe opname 18 [bestandsnaam]
Hierop zijn een mannenstem en kinderstem te horen. Vanuit de verklaring van getuige [getuige 1] betreffen dit verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] . Op de opname hoorde ik het volgende:
Huilend kind
Verdachte: Oh, je hebt gewoon gehoord wat ik zei? Geluid als zijnde een klap
Vader: De volgende is op je bek.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2025, opgenomen op pagina 46 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
In verband met een aangifte van kindermishandeling zijn drieëntwintig geluidsfragmenten aangeleverd door [getuige 1] ter ondersteuning van haar verklaring. Ik, verbalisant [verbalisant] , heb de drieëntwintig aangeleverde geluidsfragmenten beluisterd en beschreven.
Audiofragment 8:
Naam: Nieuwe opname 13
Tekst: Zo sukkel. Als ik jou nog één keer gordijnen zie aanraken hé, dan krijg je een pets over je vingers. Audiofragment 14:
Naam: Nieuwe opname 19 boos
Tekst: Kijk mij, handen weg! Handen van je kop af! Jij, jij moet doen wat jij moet doen! En niet (onverstaanbaar) potje laten vallen, begrepen! Tijdens het hele audiofragment werd er met zeer luide stem gesproken en was er het geluid van een krijsend kind te horen.
7. Een schriftelijk bescheid te weten Startbrief PMTO [slachtoffer] , d.d. 25 november 2025, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [therapeut ] (PMTO-therapeut) en [gedragswetenschapper] (gedragswetenschapper), beiden werkzaam bij [bedrijf] :
Op 17 oktober 2025 is er een startgesprek geweest waarbij vader en stiefmoeder, [therapeut ] (PMTO-therapeut) en [gedragswetenschapper] (gedragswetenschapper/PMTO supervisor) aanwezig waren. Als vader zijn emoties niet onder controle heeft, schreeuwt hij naar [slachtoffer] of geeft hem een tik. We hebben gezamenlijk geconstateerd dat er aandacht besteed en onderzocht wordt aan wat er voor het schreeuwen, een klap geven of schop onder [slachtoffer] 's kont in de plaats kan komen.
Bewijsoverwegingen
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal het steunbewijs hieronder per feit bespreken.
Ten aanzien van feit 1
De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de verklaring van [getuige 1] , de stiefmoeder van [slachtoffer] . Zij heeft gezien dat verdachte boos naar de slaapkamer van [slachtoffer] stormde en heeft gehoord dat [slachtoffer] nee riep. Dit komt overeen met de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte erg boos was op dat moment. Na het incident heeft [getuige 1] waargenomen dat verdachte boos en opgefokt met gespannen armen en vuisten naar beneden kwam. Deze houding is naar het oordeel van de rechtbank passend in de context van de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank benadrukt dat verdachte vervolgens kort na het incident uit zichzelf aan [getuige 1] heeft verteld dat hij [slachtoffer] in zijn keel had geknepen. [slachtoffer] is kort na het incident snikkend naar [getuige 1] toegekomen en heeft haar verteld dat hij dacht dat hij doodging. [getuige 1] zag in de ogen van [slachtoffer] dat hij bang was. De waarnemingen van [getuige 1] van de gemoedstoestand van [slachtoffer] na het incident, passen naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van [slachtoffer] . Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door de verklaring van zijn juf, aan wie [slachtoffer] op 1 december 2025 uit eigen beweging heeft verteld dat verdachte hem in het weekend bij zijn keel had gegrepen.
Op basis van voorgaande overweging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op specifieke punten voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal zodat aan het bewijsminimum is voldaan. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door zijn keel dicht te knijpen.
Vrijspraak ten aanzien van poging opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze mishandeling een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals onder feit 1 primair ten laste gelegd, oplevert. De rechtbank overweegt dat zij niet kan vaststellen met welke kracht, intensiteit en duur de keel van [slachtoffer] door verdachte is dichtgeknepen. Omdat deze informatie ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen of de kans op zwaar lichamelijk letsel reëel is geweest. De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem vaker slaat, schopt en zijn keel dichtknijpt. Zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Zij heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] een keer bij de keel heeft gegrepen in de keuken. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat verdachte [slachtoffer] meestal in zijn gezicht/hals slaat en dat verdachte soms achteraf bij haar verslag doet. Zij heeft hem horen zeggen ik heb hem bij zijn keel gepakt, ik had hem zo vast, 'ik heb hem op zijn bek geslagen die niksnut.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de diverse geluidsfragmenten steun bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] dat sprake is geweest van fysiek geweld. Op één van de geluidsfragmenten is daadwerkelijk een klap te horen en op een ander fragment dreigt verdachte met fysiek geweld. Verder is te horen dat verdachte tegen [slachtoffer] roept dat hij zijn handen van zijn hoofd moet halen. Ook uit het hiervoor aangehaalde verslag van het startgesprek bij [bedrijf] van 25 november 2025 blijkt dat verdachte, op het moment dat hij zijn emoties niet onder controle heeft, naar [slachtoffer] schreeuwt of hem een tik geeft. In het gesprek met [bedrijf] is bovendien gezamenlijk geconstateerd dat er aandacht besteed en onderzocht moet worden wat er voor het schreeuwen, een klap geven of schop onder [slachtoffer] 's kont in de plaats kan komen.
Op basis van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op specifieke punten voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal zodat aan het bewijsminimum is voldaan. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.
Partiële vrijspraak
Aan verdachte is onder feit 2 mishandeling en/of de opzettelijke benadeling van de (geestelijke) gezondheid van [slachtoffer] ten laste gelegd, hetgeen is vormgegeven in een aantal gedragingen in de gedachtestreepjes, onder andere in de vorm van het gebruik van scheldwoorden en een bedreiging jegens [slachtoffer] .
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de opzettelijke benadeling van de (geestelijke) gezondheid en de geuite scheldwoorden en bedreiging. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Het schelden, schreeuwen en maken van denigrerende opmerkingen jegens [slachtoffer] leveren geen fysieke mishandeling op volgens de Hoge Raad, omdat een fysiek component ontbreekt (ECLI:NL:HR:2026:1005). De rechtbank kan daarmee niet bewijzen dat sprake is van opzettelijke benadeling van de gezondheid van [slachtoffer] . Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit onderdeel, alsmede de nader omschreven gedragingen die zien op de benadeling van de geestelijke
gezondheid.
Ten aanzien van de ten laste gelegde periode
De rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten de periode van 22 juli 2024 tot en met 29 november 2025. De rechtbank ziet in het dossier geen concrete aanknopingspunten dat na het incident op 30 november 2025 (feit 1) nog mishandelingen zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom uitgaan van een kortere bewezen verklaarde periode, van 22 juli 2024 tot en met 29 november 2025, en verdachte voor de overige ten laste gelegde periode vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 30 november 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
2
hij in de periode 22 juli 2024 tot en met 29 november 2025 te [plaats] , gemeente Emmen, meermalen, althans eenmaal [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contact- en locatieverbod. Voorts vordert de officier van justitie dit verbod in de vorm van een 38v maatregel met dadelijke uitvoerbaarheid.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair gepleit voor vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht bij een bewezenverklaring een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 2 juni 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 augustus 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van zijn zoon [slachtoffer] . Deze fysieke mishandelingen gingen gepaard met schreeuwen, schelden en denigrerende opmerkingen jegens [slachtoffer] . De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Verdachte heeft met zijn gedragingen de lichamelijke integriteit van zijn kind ernstig geschonden. De rechtbank weegt verder mee dat de mishandelingen thuis hebben plaatsgevonden over een langere periode, terwijl een kind zich juist op deze plek bij zijn vader geborgen en veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen en dat hij niet in een eerder stadium hulp heeft ingeschakeld toen hij merkte dat hij zichzelf en de thuissituatie op momenten niet meer onder controle had (mede) als gevolg van stress en lichamelijke klachten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van de Reclassering Nederland van 3 juni 2026. De reclassering heeft in de rapportage beschreven dat het niet mogelijk is een relatie te leggen tussen de ten laste gelegde feiten en de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, omdat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft ontkend. De reclassering vermoedt dat aan de mishandelingen mogelijk niet toereikende copingvaardigheden ten grondslag liggen waarbij stress mogelijk van invloed is geweest. Verdachte heeft over het algemeen zijn leven op orde en is niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen. Hij heeft een vaste baan, een gezonde financiële situatie en stabiele huisvesting. Er is geen sprake van een crimineel sociaal netwerk of excessief middelengebruik. De reclassering schat, mede gelet op het feit dat [slachtoffer] momenteel elders woonachtig is, het herhalingsgevaar in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Ter terechtzitting is gebleken dat civiele procedures aanhangig zijn omtrent het gezag over [slachtoffer] (en zijn zusje
[naam] ). Verdachte heeft momenteel twee keer in de week contact met zijn dochter. Eventueel contact met [slachtoffer] is tot op heden nog niet opgestart, maar hier wordt wel over gesproken.
De straf
Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De rechtbank overweegt voorts dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de kans op contactherstel tussen verdachte en zijn kinderen negatief zal beïnvloeden. Daarnaast is de kans groot dat verdachte zijn baan en zijn huis zal kwijtraken wanneer hij wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, gelet op de ernst van de feiten, de periode van mishandelingen en de relatie van verdachte tot het slachtoffer.
Anders dan de reclassering heeft geadviseerd in haar rapport, ziet de rechtbank wel aanleiding bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf te verbinden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte de behandeling bij de AFPN voor zijn emotieregulatieproblematiek (waarvoor hij naar eigen zeggen op de wachtlijst staat) daadwerkelijk ondergaat, omdat juist deze problematiek de aanleiding van de ten laste gelegde feiten lijkt te zijn. Verdachte heeft ter zitting ook aangegeven dat hij wil werken aan zijn problematiek en daar hulp bij nodig heeft. Verder acht de rechtbank ook een meldplicht op zijn plaats.
Alles afwegende, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht en verplichte behandeling bij de AFPN, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren is verricht, passend en geboden. Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de gevolgen die de feiten voor [slachtoffer] hebben gehad. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stevige stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten en geeft verdachte daarnaast de mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling te volgen.
Contact- en locatieverbod
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] en [getuige 1] en/of een contactverbod met [slachtoffer] op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er in overleg met de betrokken instanties wordt gekeken naar mogelijkheden om te komen tot contactherstel tussen verdachte en zijn kinderen. Oplegging van een contactverbod en/of locatieverbod zou dit proces verstoren. Het dossier bevat bovendien onvoldoende aanwijzingen dat verdachte met [slachtoffer] of [getuige 1] op
ongeoorloofde wijze contact zal gaan zoeken of dat er anderszins gevaar is voor [slachtoffer] en/of [getuige 1] . De rechtbank merkt hierbij op dat het opgelegde contact- en locatieverbod als onderdeel van de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis goed is verlopen.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18-330238-25, feit 1 en feit 2
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 6.250 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de benadeelde partij is primair verzocht de vordering toe te wijzen. Subsidiair is namens de benadeelde partij verzocht de behandeling van de vordering aan te houden totdat mr. S. Vermeulen tot bijzonder curator is benoemd en bevoegd is tot indiening van de vordering benadeelde partij namens [slachtoffer] . De Jeugdbescherming Noord heeft op 2 september 2026 het verzoekschrift tot benoeming bijzonder curator bij de rechtbank ingediend. Op dit moment is nog niet op dit verzoek beslist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij voor vergoeding in aanmerking komt en vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag van de vordering refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt primair de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze niet is ingediend door een bevoegd persoon. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de vordering van de benadeelde partij af te wijzen omdat [slachtoffer] al beschadigd was en niet kan worden vastgesteld dat de (verergerde) problemen bij [slachtoffer] te wijten zijn aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat mr. S. Vermeulen zich op 11 april 2026 als raadsvrouw voor de benadeelde partij heeft gesteld in onderhavige zaak. Het verzoekschrift om haar als bijzonder curator te benoemen is pas ingediend op 2 september 2026 en het is niet bekend wanneer een beslissing zal worden genomen op dit verzoek. Aanhouding van de strafzaak om een eventuele benoeming van mr. S. Vermeulen tot bijzonder curator af te wachten, is naar het oordeel van de rechtbank onredelijk belastend voor het strafproces. De rechtbank wijst daarom het aanhoudingsverzoek af en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat deze niet is ingediend door een bevoegd persoon.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, [adres] .
2. dat de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling bij de AFPN of soortgelijke instelling, dit ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij in parketnummer 18-330238-25, feit 1 subsidiair en feit 2
Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en
mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door mr. B.A. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2026.