RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[naam], [naam], [naam], [naam], [naam],
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest Fryslân
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2888
[naam] en [naam], allen uit Sneek, eisers
en
(gemachtigden: E.E. van der Pal, E.M. van der Molen en L.J. Wesselius).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Zenzo MV VOF uit Houten (gemachtigde T. Rijs) en Stichting Bewaarder Apollo Zorgvastgoedfonds (gemachtigde J.S.J. Kuijer).
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een gezondheidscentrum op het perceel kadastraal bekend gemeente Sneek, sectie [letter], perceelnummer [nummer] en [nummer], plaatselijk bekend als [adres] te Sneek (het perceel). Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 16 januari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een gezondheidscentrum op het perceel.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Zij hebben ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Op 4 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de omgevingsvergunning geschorst tot zes weken na de beslissing op de bezwaren. Op 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening opgeheven.
Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college, onder aanvulling van de motivering, bij de omgevingsvergunning gebleven. Dit is het bestreden besluit.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers [naam] en [naam], de gemachtigden van het college, namens derde-partij Zenzo MV VOF de gemachtigde en [naam] en namens derde-partij Stichting Bewaarder Apollo Zorgvastgoedfonds de gemachtigde en [naam]
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
Onzorgvuldigheid en onvolledigheid bezwaarprocedure
3. Volgens eisers is het bestreden besluit genomen zeer kort nadat de bezwarencommissie advies heeft uitgebracht, ten koste van de zorgvuldigheid en motivering. Eisers stellen dat tot nu toe geen eerlijk proces is gevoerd. Veel argumenten zijn niet voldoende besproken en betrokken bij de besluitvorming, zeker wat betreft parkeren en het parkeerbeleid. Eisers vragen al het voorgaande uit de bezwaar- en voorzieningenprocedures als herhaald en ingelast te beschouwen en in de uitspraak te reageren op alle punten en alle uitspraken die zij hebben aangehaald.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van haastige of onzorgvuldige besluitvorming. Het college heeft het advies van de bezwarencommissie zorgvuldig bij de besluitvorming betrokken, ook al is het bestreden besluit genomen kort nadat het advies is uitgebracht. Het college merkt op dat eisers niet aangeven op welke bezwaargronden niet zou zijn ingegaan.
5. De rechtbank ziet in de snelheid waarmee het bestreden besluit is genomen geen reden om onzorgvuldigheid aan te nemen. Het college heeft bij de heroverweging van de omgevingsvergunning het advies van de bezwarencommissie kenbaar betrokken en dat advies overgenomen. Er is geen rechtsregel die eraan in de weg staat dat een besluit op bezwaar wordt genomen kort na ontvangst van het advies van een bezwarencommissie. Verder valt uit de algemene opmerkingen dat het bestreden besluit onvolledig is en dat al het voorgaande als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, niet af te leiden waarom het bestreden besluit onvolledig of onjuist zou zijn en evenmin waarom tot nu toe geen eerlijk proces zou zijn gevoerd. Dat in het bestreden besluit (en de uitspraken van de voorzieningenrechter) niet expliciet is ingegaan op alle door eisers genoemde uitspraken, wat daar verder ook van zij, is op zichzelf geen reden om aan te nemen dat het besluit onvolledig of onjuist zou zijn of dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het is aan eisers om in het beroepschrift expliciet aan te geven wát uit al het voorgaande volgens hen van belang is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat in deze zaak de aanvraag na 1 januari 2024 is ingediend zijn de Omgevingswet en (onder meer) het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing.
Voor het perceel geldt het omgevingsplan gemeente Súdwest-Fryslân (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waren voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan Sneek - De loten (De loten) en het facetbestemmingsplan Parapluplan parkeernormen SWF (Parapluplan) van kracht.
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van de regels van het omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De afwijking van het omgevingsplan betreft het plandeel De loten.
Met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in combinatie met de begripsomschrijving van de 'buitenplanse omgevingsplan activiteit' in de bijlage van de Omgevingswet, beschikt het college over de bevoegdheid om op grondslag van een aanvraag een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan en die niet met toepassing van de beoordelingsregels van het omgevingsplan kan worden verleend. Het college kan de omgevingsvergunning, gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij de beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De rechtbank oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Is het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte van de juiste norm uitgegaan?
7. Het college is bij het bepalen van de parkeernorm uitgegaan van de Parkeernormennota, waarnaar wordt verwezen in het Parapluplan. Het uitgangspunt in het Parapluplan is dat nieuwe bouwwerken met een verwachte parkeerbehoefte niet zijn toegestaan, wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan onvoldoende parkeergelegenheid wordt verwacht. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 317 - oktober 2012), dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels. De beleidsregels zijn neergelegd in de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018 (Parkeernormennota), waarin voor “zorg (arts/tand/fysio)” een norm van een parkeerplaats per behandelkamer is opgenomen.
8. Eisers stellen dat het college bij de beoordeling van de parkeerbehoefte ten onrechte de norm voor zorg uit de Parkeernormennota heeft toegepast. Er is duidelijk sprake van een andere functie, namelijk een gezondheidscentrum met daarin onder meer een huisartsenpraktijk en een fysiotherapiepraktijk. Voor een gezondheidscentrum geldt op basis van de CROW-publicatie, die volgens eisers deel uitmaakt van de Parkeernormennota, de norm van 1,9 tot 2,4 parkeerplaatsen. Omdat er een gezondheidscentrum is vergund, had die norm moeten worden toegepast en niet de uitgeklede norm voor zorg. De ongemotiveerde afwijking van het beleid is in strijd met het vertrouwensbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel en ook in strijd met het advies van de bezwarencommissie.
Verder voeren eisers aan dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de werkelijke parkeerbehoefte en de evenredigheid in de concrete situatie niet heeft meegewogen. Het berekende aantal van 35 parkeerplaatsen sluit volgens eisers niet aan bij de te verwachten parkeerbehoefte van meer dan 70 werknemers en 7.500 tot 10.000 bezoekers. Daarbij is ook geen rekening gehouden met voor artsen gereserveerde en dus niet vrij beschikbare parkeerplekken.
Volgens eisers moet de Parkeernormennota onverbindend worden verklaard vanwege de onduidelijke, voor meerdere uitleg vatbare formulering. Eisers voeren daarbij aan dat voor een ander gezondheidscentrum in de gemeente een andere norm lijkt te zijn gehanteerd zonder dat duidelijk is waarom. Volgens eisers is sprake van rechtsonzekerheid, (mogelijke) rechtsongelijkheid en willekeur als het college niet bekend kan of wil maken hoe het beleid in een concreet geval wordt toegepast.
9. Het college stelt zich op het standpunt dat de lokale parkeernormen uit Parkeernormennota het uitgangspunt moeten zijn bij bepalen van de parkeerbehoefte. Met de lokale parkeernormen, die zijn vastgesteld aan de hand van de CROW-richtlijnen en eigen ervaringscijfers, heeft de gemeente zelf bepaald wat voldoende parkeergelegenheid is. De lokale norm voor zorg - één parkeerplaats per behandelkamer – acht het college passend en representatief voor het gezondheidscentrum. Het gezondheidscentrum voorziet in 30 behandelkamers voor onder andere artsen, fysiotherapeuten en diëtisten met daarbij een apotheek en een kantoorruimte. Volgens het college kon worden uitgegaan van in totaal 30 parkeerplaatsen voor de behandelkamers (en daarnaast vijf voor de apotheek en kantoorruimte), omdat het individuele zorg op afspraak betreft (eerstelijnszorg), waarbij patiënten doorgaans zelfstandig per auto naar de locatie komen en waarbij een zekere doorloop van bezoekers per dag verwacht wordt.
Volgens het college wordt alleen uitgegaan van de CROW-richtlijn voor functies waarin de Parkeernormennota niet voorziet. Bij dit bouwplan zijn dat de functies apotheek en kantoorruimte. Verder kan van de Parkeernormennota worden afgeweken wanneer een functie daarin wel is beschreven, maar sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een andere norm leiden. Het college stelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die zodanig zijn dat bij toepassing van de norm zorg uit de Parkeernormennota een of meer belanghebbenden onevenredig getroffen zouden worden. Het college verwijst daarbij naar het verkeersonderzoek, op basis waarvan voor het aantal behandelkamers op de erftoegangsweg een toename van maximaal 600 motorvoertuigen per etmaal wordt verwacht.
10. De rechtbank is met eisers van oordeel dat het college bij de beoordeling van de parkeerbehoefte ten onrechte de norm voor zorg uit de Parkeernormennota heeft toegepast. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Met het Parapluplan is beoogd om (nieuwe) parkeernormen in plaats van bestaande regelingen van toepassing te verklaren of te voorzien in gevallen waarin tot dan toe geen parkeernorm van toepassing was. Het Parapluplan is van toepassing op de bestemmingsplannen genoemd in artikel 2 van het Parapluplan, waaronder De loten. De rechtbank overweegt dat de wijze waarop kan worden bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid in het Parapluplan tweeledig is: op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels. Die formulering brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat van de beleidsregels mag worden uitgegaan als duidelijk is voor welke gebruikscategorie een bepaalde norm geldt. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank echter niet duidelijk dat en waarom de brede gebruikscategorie ‘zorg’ met de bijbehorende parkeernorm van toepassing zou zijn op het gezondheidscentrum. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de CROW-richtlijn een specifieke parkeernorm voor een gezondheidscentrum is opgenomen. Bij een gezondheidscentrum gaat het, zoals ter zitting ook is besproken, om de samenhang tussen de individuele vormen van zorg. Bij de beoordeling van de parkeerbehoefte had het college, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank moeten uitgaan van de specifieke norm voor een gezondheidscentrum in de CROW-richtlijn. De rechtbank merkt daarbij wel op dat de CROW-richtlijn een richtlijn is, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Bijvoorbeeld wanneer de werkelijke parkeerbehoefte (juist vanwege de samenhang in zorg, zoals door derde-partij ter zitting is gesteld) lager zou blijken te zijn dan de norm in de CROW-richtlijn, hetgeen zonder reëel parkeeronderzoek niet valt niet uit te sluiten.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan de beoordeling van eisers’ stellingen dat de evenredigheid in de concrete situatie niet is meegewogen en dat de Parkeernota onverbindend zou zijn.
Deze beroepsgrond slaagt.
Op welke punten is het bouwplan in strijd met het De loten?
11. Volgens eisers is het bouwplan in strijd met het De loten omdat de beoogde activiteit niet kleinschalig is, de apotheek een vorm van retail is, het gebouw te groot en te hoog is en omdat niet is onderzocht of de ontwikkeling voorziet in een behoefte. Eisers stellen dat het college het rapport van Invisor ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, zonder de deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de persoon en de organisatie te onderzoeken. Er is ook geen onderzoek gedaan naar een alternatieve locatie.
12. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan alleen in strijd is met De loten vanwege de bouw- en goothoogte en omdat deels buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Het gebruik past volgens het college binnen de aan het perceel toegekende functie Gemengd. Binnen die functie zijn bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan uit milieucategorie 1 en 2. Het gezondheidscentrum valt onder categorie 1. De apotheek is een onderdeel van het vergunde gezondheidscentrum en geldt niet als vorm van retail. Uit het rapport van Invisor, dat volgens het college als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, volgt dat vanwege de beperkte toename van de bedrijfsvloeroppervlakte geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129g van het Bkl en daarnaast dat zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan het gezondheidscentrum bestaat.
13. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het gezondheidscentrum alleen wat betreft de bouw- en goothoogte en de gedeeltelijke situering buiten het bouwvlak in strijd is met De loten. Binnen de bestemming Gemengd zijn bedrijven en maatschappelijke voorzieningen toegestaan die behoren tot de zogenaamde milieucategorie 1 en 2. Dergelijke bedrijven gelden blijkens de toelichting op het bestemmingsplan als kleinschalige bedrijven, maar kleinschaligheid – wat daar verder ook van zij – is niet als zelfstandige voorwaarde in de planregels opgenomen. Een gezondheidscentrum is een categorie-1 bedrijf en past binnen de bestemming. De daarin te vestigen apotheek is naar het oordeel van de rechtbank onderdeel van dat gezondheidscentrum en kwalificeert niet als vorm van detailhandel.
De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op het rapport van Invisor. Het is vaste rechtspraak dat het college mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan het college had moeten twijfelen aan de onafhankelijkheid en/of deskundigheid van Invisor. Zij hebben ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan dat advies (de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop) of ter onderbouwing van hun stelling een deskundig tegenadvies overgelegd.
De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar een alternatieve locatie. Het is vaste rechtspraak dat moet worden beslist op een aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie, en dat het bestaan van alternatieven alleen tot weigering van de vergunning kan leiden als van tevoren duidelijk is dat daardoor een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Uit wat eisers naar voren hebben gebracht volgt niet dat er van tevoren alternatieve locaties zouden zijn geweest waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kon het college afwijken van de regels van het omgevingsplan?
14. Eisers stellen dat het college de afwijking van het omgevingsplan onvoldoende heeft gemotiveerd en de gevolgen daarvan onvoldoende heeft onderzocht op basis van actuele gegevens. Er heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden en er is onvoldoende rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor de omwonenden en het cumulatief effect daarvan. Als mogelijke gevolgen noemen eisers geluidsoverlast, luchtverontreiniging, verlies van privacy, aantasting van rust, toename van verkeersdrukte, parkeeroverlast, verkeersonveiligheid, aantasting van het straatbeeld en het open karakter van de wijk, schaduwwerking, mogelijke gezondheidsrisico’s, verslechtering van de luchtkwaliteit, meer afval en een verwachte waardedaling van de woning. Volgens hen zijn de gevolgen van het bouwplan voor hen onevenredig groot.
15. Het college stelt zich op het standpunt dat de (beperkte) afwijking van het omgevingsplan voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gaat om een overschrijding van het bouwvlak met circa 1 meter en een beperkte overschrijding van de toegestane bouw- en goothoogte. Beide zijn niet van invloed op daglichttoetreding, privacy of uitzicht van omringende percelen omdat de afstand tot die percelen nog steeds minimaal 25 meter is. Ook de andere belangen die eisers noemen, zoals geluid, luchtkwaliteit, rust, groenruimte en afval, worden volgens het college niet beïnvloed door de beperkte overschrijding van het bouwvlak en de bouw- en goothoogte. Volgens het college past het bouwplan in de stedenbouwkundige omgeving. Verder wijzigt het aantal verkeersbewegingen niet significant als gevolg van de afwijking van het omgevingsplan en blijft het totaal aantal motorvoertuigen, ook met een maximale toename van 600, ruim onder de grens van het toelaatbaar aantal motorvoertuigen per etmaal. Dat volgt uit verkeerstellingen uit 2015 en maart 2026. De wegen zijn voldoende ingericht om het verkeer van en naar het gezondheidscentrum af te wikkelen. Verkeerskundig gezien zijn er volgens het college geen belemmeringen voor het bouwplan. Een eventueel schadebelang vanwege waardevermindering van woningen in de omgeving is volgens het college geen reden om geen medewerking te verlenen aan het bouwplan. Eisers kunnen daarvoor een verzoek om nadeelcompensatie indienen.
16. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de afwijking van het omgevingsplan (plandeel De loten) niet in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat die niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden. De rechtbank is het met het college eens dat de afwijking van de bouwregels beperkt is wat betreft ruimtelijke impact op de omgeving. De (gestelde) gevolgen van het gebruik, zoals geluidsoverlast of verkeerstoename, zijn voor de ruimtelijke beoordeling niet van belang omdat het gebruik van het gezondheidscentrum op grond van het omgevingsplan al is toegestaan. Voor zover de overschrijding van de goot- en bouwhoogte en het bouwvlak kunnen leiden tot enige vermindering van uitzicht en privacy en tot enige schaduwwerking, geldt dat een zekere mate van aantasting inherent is aan het wonen in een bebouwd gebied. Tenslotte is de toename in bouw- en goothoogte en de overschrijding van het bouwvlak ten opzichte van wat reeds bij recht was toegestaan niet dusdanig dat het college onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden had moeten aannemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Welstand
17. Eisers stellen dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan past wat betreft hoogte en grootte niet in de bestaande bebouwde omgeving. De omgevingsvergunning is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Ook blijkt niet dat de omgevingskwaliteit en de belangen van omwonenden zijn meegewogen.
18. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, op grond van het positieve advies van de welstandscommissie. Omdat dat advies volgens het college zorgvuldig tot stand is gekomen en eisers niet met een tegenrapport of anderszins hebben onderbouwd waarom het welstandsadvies ondeugdelijk zou zijn, mocht het college aan het welstandsadvies doorslaggevende betekenis toekennen en kon hij dat zonder nadere toelichting overnemen. Uit de nadere toelichting op het welstandsadvies, naar aanleiding van het beroep, volgt dat sprake is van voldoende samenhang met de reeds gerealiseerde gebouwen.
19. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college het welstandsadvies ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. De welstandscommissie heeft in het advies van 5 augustus 2024 geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Eisers hebben geen contra-expertise aan hun standpunten ten grondslag gelegd. Zij hebben ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van het welstandsadvies. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Stikstof
20. Eisers voeren aan dat niet is ingegaan op de gevolgen van het bouwen en het gebruik van het gezondheidscentrum vanwege stikstof.
21. Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb aan deze beroepsgrond in de weg staat. De afstand tussen het perceel en het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is circa 3,5 kilometer en die afstand is te groot om verwevenheid aan te nemen tussen het belang bij een goed woon- en leefklimaat en het algemene natuurbelang dat de natuurwetgeving beoogt te beschermen. Overigens zijn voor het bouwplan AERIUS-berekeningen gemaakt, waarmee voldoende is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstof op een Natura2000 gebied en dat het aspect stikstof de uitvoerbaarheid niet in de weg staat.
22. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (relativiteitsvereiste).
23. Eisers beroepsgrond over stikstof kan niet slagen vanwege het relativiteitsvereiste omdat eisers daarbij niet in hun belangen worden geschaad. Eisers hebben niet weersproken dar het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van meer dan 3 kilometer van het perceel ligt. Bij een dergelijke afstand kan geen verwevenheid worden aangenomen tussen het algemene natuurbelang dat de natuurwetgeving beoogt te beschermen en eisers’ belang bij hun woon- en leefklimaat.
Conclusie en gevolgen
24. Gelet op hetgeen onder 10 is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank het college niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op het bezwaarschrift moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.