RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/218
(gemachtigde: mr. G.P. Wempe),
en
(gemachtigden: mr. B.C. Rots en mr. I. Pijper).
1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiser toegekende schadevergoeding wegens mijnbouwschade aan de panden [adressen]. Eiser is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank die schadevergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de hoogte van de schadevergoeding onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van schadevergoeding wegens mijnbouwschade aan de panden [adressen]. Het Instituut heeft met het besluit van 28 juni 2024 een vergoeding van in totaal € 118.025,03 (inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente) aan eiser toegekend. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij die toekenning gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers dochter, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Instituut.
Beoordeling door de rechtbank
Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak?
4. Eiser is eigenaar van het pand op de adressen [adressen] (het pand).
5. Op 9 juni 2022 heeft Loket Bevingsschade C.V. (het Loket) namens eiser verzocht om toekenning van vergoeding van schade vanwege mijnbouwactiviteiten aan het pand.
6. Op 19 oktober 2023 heeft S. Helmers van CED een adviesrapport uitgebracht. Dat rapport is opgesteld nadat meerdere schadeopnames hebben plaatsgevonden.
7. Bij primair besluit van 28 juni 2024 heeft het Instituut een vergoeding van de schade van in totaal € 118.025,03 (inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente) aan eiser toegekend. Aan eiser is vergoeding voor de volgende bijkomende kosten toegekend:
8. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Eiser heeft onder meer verzocht om vergoeding van kosten voor het inschakelen van het Loket van € 9.075,-, vergoeding van inflatiekosten en vergoeding van fiscale kosten.
9. In het bestreden besluit van 17 december 2024 is het Instituut bij de schadetoekenning uit het primaire besluit gebleven. Eisers bezwaar is ongegrond verklaard.
Zijn de advieskosten van het Loket redelijkerwijs niet vergoed?
10. Eiser betoogt dat het Instituut hem ten onrechte geen vergoeding heeft gegeven van de advieskosten van Loket ter hoogte van drie keer € 3.025,- (inclusief btw). Volgens eiser kan dit soort aanvragen niet door een leek worden gedaan. Zo is onduidelijk hoe een leek moet beoordelen wat aardbevingsschade is. Het proces van de schadebehandeling omvat niet alleen de aanvraag zelf, maar ook de schadeopname en later het controleren van de juistheid van het adviesrapport. Volgens eiser is het als leek onmogelijk om te controleren of alle schade correct is/wordt opgenomen en om het adviesrapport te begrijpen. Dit vanwege de technische en juridische inhoud van zo’n rapport, het jargon en de omvang van zo’n rapport. Volgens eiser heeft het Loket hem geholpen om een juiste beoordeling van de adviesrapporten te geven. Ook heeft dat Loket de medewerkers van het Instituut er heel vaak op moeten wijzen dat zij bepaalde schades oversloegen en erop moeten aandringen om die schades in het rapport op te nemen. Eiser wijst er daarbij op dat hij in 2019 zelf het schadeproces deed en € 3.825,40 aan schadevergoeding toegekend kreeg, terwijl in 2023 het Loket het schadeproces begeleidde en € 105.146,88 aan schadevergoeding is toegekend. Alle schades bleken veel hoger uit te vallen nadat het Loket was ingeschakeld. Eiser meent dat hij daarom in redelijkheid in deze zaak een deskundige heeft ingeschakeld, wiens kosten vergoed zouden moeten worden. Artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevat niet enige beperking ten aanzien van het moment van inschakelen van een deskundige. Alleen al de belangentegenstelling bij schadeclaims bij het Instituut rechtvaardigt het inschakelen van een eigen deskundige door de aanvrager. Volgens eiser gebeurt het in de schadeverzekeringspraktijk vaak dat de opname gezamenlijk wordt gedaan. In relatie tot het totale schadebedrag is het bedrag aan deskundigenkosten ook redelijk te noemen. Met het Loket was een fixed fee overeengekomen op basis van no cure no pay, namelijk 10% van het schadebedrag met een maximum van € 2.500,- per pand exclusief btw, aldus inclusief btw € 3.025,-. Hierdoor zijn de uren niet geregistreerd. Volgens eiser was de contra-expert van het Loket van begin tot eind bij de schadeopnames aanwezig. Eiser stelt dat het Instituut inzicht heeft in de kosten en tijdsbesteding van de eigen deskundige en zo een inschatting kan maken van de kosten van de contra-expert. Zonder een dergelijke vergelijking is een betwisting van de kosten onvoldoende gemotiveerd. Er is daarmee geen sprake geweest van equality of arms als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus eiser.
Het Instituut voert aan dat advieskosten voor het indienen van de aanvraag in principe niet worden vergoedt. Dit staat in de toelichting bij artikel 2.6 van de Procedure en werkwijze van het Instituut (de Procedure en werkwijze). Volgens het Instituut is het aanvraagproces zo ingericht om aanvragers te ontzorgen, waardoor de hulp van een intermediair niet noodzakelijk is om het proces te doorlopen. Dit ligt (uiteraard) anders wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat er wel degelijk redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn gemaakt. Volgens het Instituut is eisers standpunt dat hij niet bij machte was om de aanvraagprocedure zelf te doen, niet met bewijsstukken onderbouwd. In dit geval heeft een zeer uitgebreide schadeopname plaatsgevonden die heeft geleid tot een (ruime) schadevergoeding. Het Instituut ziet geen reden om aan te nemen dat zonder het inschakelen van het Loket geen volledige schadeopname plaats had kunnen vinden. Ook valt niet vast te stellen op welke wijze de werkzaamheden van het Loket hebben bijgedragen aan de vaststelling van de schade of aansprakelijkheid. In de door eiser overgelegde factuur van het Loket worden de verrichtte werkzaamheden niet genoemd. Volgens het Instituut blijkt verder uit de processtukken enkel dat het Loket de aanvraag heeft ingediend. Welke andere werkzaamheden het Loket heeft verricht, valt niet objectief vast te stellen. Nergens blijkt uit dat het Loket bij de schadeopnames was, of anderszins zelf de schade heeft opgenomen. Het Instituut volgt eiser niet in zijn betoog dat het beginsel van equality of arms met zich brengt dat de kosten van het Loket moeten worden vergoed. De besluiten zijn gebaseerd op advisering van onafhankelijke en onpartijdige deskundigen, die zelf geen belang hebben bij de uitkomst van de zaak. Daar kom bij dat eiser in de zienswijze, bezwaarfase en beroepsfase voldoende gelegenheid heeft gehad om de bevindingen van de deskundige door middel van een contra-expertise te weerspreken, aldus het Instituut.
11. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW redelijke kosten ter vaststelling van de schade mede als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van die gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Dit betekent niet dat de kosten onbeperkt moeten worden vergoed, maar deze zijn onderworpen aan een dubbele redelijkheidstoets. Zowel het maken van de kosten als zodanig als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn. Of en in hoeverre aan deze eisen is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook de redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of het redelijk was de kosten te maken en of de kosten redelijk zijn. Beoordeling vindt plaats naar het moment van het maken van de kosten. De benadeelde dient de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat hij schade heeft geleden. De tekst en de strekking van artikel 6:96, tweede lid, van het BW stellen geen eisen aan de wijze van berekening van de kosten. Uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling is niet af te leiden dat is beoogd kosten uit te sluiten van vergoeding op de grond dat zij zijn gemaakt op basis van een no-cure-no-pay-overeenkomst. Daarnaast is niet van belang of uiteindelijk komt vast te staan dat er daadwerkelijk schade is geleden.
Aan het bestreden besluit heeft het Instituut ten grondslag gelegd dat op grond van de Procedure en werkwijze kosten voorafgaand aan het adviesrapport in principe niet worden vergoed. De rechtbank overweegt dat dat standpunt echter niet wegneemt dat in rechte getoetst moet worden of in het kader van de hiervoor genoemde redelijkheidstoets de gemaakte kosten al dan niet voor vergoeding in aanmerking komen en het niet-vergoeden onevenredige gevolgen voor eiser oplevert. De kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het adviesrapport van 19 oktober 2023 betreffen in dit geval advies en begeleiding door het Loket per adres op basis van een no-cure-no-pay-afspraak. De rechtbank ziet niet in waarom de door het Loket gemaakte kosten voorafgaand aan het adviesrapport in dit geval geen kosten ter vaststelling van de schade zouden kunnen zijn. Het gaat om het soort werk dat het Loket heeft uitgevoerd. Daarbij is niet van doorslaggevend belang in welke periode de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Anders dan het Instituut stelt, kan de vergoeding van deze kosten daarom niet enkel worden afgewezen omdat de werkzaamheden voorafgaand aan het adviesrapport hebben plaatsgevonden. Het Instituut heeft dit ten onrechte niet onderkend.
12. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in het kader van finale geschilbeslechting op dit punt aanleiding bestaat om zelf in deze zaak te voorzien en deze uitspraak op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de plaats van het vernietigde besluit te laten treden. De rechtbank ziet die aanleiding niet en overweegt daartoe het volgende.
In dit geval houdt de no-cure-no-pay-afspraak in dat eiser 10% van het schadebedrag met een maximum van € 2.500,- per adres aan het Loket verschuldigd is, als een schadebedrag aan hem wordt toegekend. De rechtbank is in het kader van de hiervoor genoemde redelijkheidstoets van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden waarom in dit geval het gebruik van een dergelijke afspraak voor eiser noodzakelijk was. Eiser heeft die noodzaak niet toegelicht. Dit lag wel op zijn weg omdat ter zake van deze gevorderde schade op hem de stelplicht en bewijslast rust. Het Instituut heeft die noodzaak ook niet onderzocht. Ter zitting is namens eiser geen gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden gelegenheid om die toelichting alsnog te geven. De no-cure-no-pay-afspraak kan daarom niet dienen als basis voor deze vordering.
De rechtbank kan de werkelijke schade in dit geval niet zelf vaststellen, al dan niet door een schatting. Dit komt omdat de rechtbank onvoldoende inzicht heeft gekregen in de hoeveelheid werk die het Loket heeft verricht en zodoende onvoldoende inzicht in het feitelijk aantal bestede uren en het gehanteerde uurtarief. Eiser heeft zijn stelling dat de contra-expert van het Loket bij alle schadeopnames aanwezig was, niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Uit de gedingstukken blijkt slechts dat het Loket per adres namens eiser een aanvraag heeft ingediend en enkele keren contact met het Instituut heeft gehad over de voortgang van de procedure. Met zijn stelling dat het Instituut een inschatting moet kunnen maken van de kosten en tijdsbesteding van de contra-expert, miskent eiser dat het op zijn weg ligt om de kosten te onderbouwen. Eiser dient daartoe stukken aan te leveren waaruit blijkt welke werkzaamheden door het Loket zijn verricht, wanneer die werkzaamheden zijn verricht en hoeveel tijd deze werkzaamheden in beslag hebben genomen. Dergelijke stukken en een beoordeling daarvan door het Instituut, ontbreken in dit geval. Dit betekent dat de rechtbank ook in dit stadium zelf niet kan vaststellen of de werkelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De rechtbank kan op dit punt dan ook niet zelf in de zaak voorzien en geeft het Instituut de opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
13. Deze beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb.
Zijn overige kosten redelijkerwijs niet vergoed?
14. Eiser betoogt dat het Instituut ten onrechte geen inflatiecorrectie heeft toegepast op de toegekende schadevergoeding. Ook heeft het Instituut ten onrechte geen vergoeding van fiscale gevolgschade toegekend, aldus eiser.
Het Instituut voert aan dat uitgegaan moet worden van een prijspeil in het verleden. De vertraging in de voldoening van die geldsom wordt gecompenseerd door uitkering van de wettelijke rente. Verder stelt het Instituut zich op het standpunt dat fiscale gevolgschade geen onderdeel uitmaakt van deze beroepsprocedure, omdat die schade niet is beoordeeld in het bestreden besluit op bezwaar. Eiser kan daarvoor een aanvraag indienen, aldus het Instituut.
15. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. Namens eiser is ter zitting aangegeven dat het eiser in deze beroepsprocedure uiteindelijk gaat om de afgewezen deskundigenkosten – zoals hiervoor in overwegingen 11. en 12. besproken – en dat eiser geen opmerkingen heeft naar aanleiding van het verweer van het Instituut. In dat licht bezien concludeert de rechtbank dat eiser zich kan vinden in dat verweer. Dat verweer komt de rechtbank ook niet onjuist voor. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
16. Gelet op eisers betoog ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige door eiser ingediende beroepsgronden nader te bespreken.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voorzover dat gaat over afwijzing van vergoeding van de kosten van het Loket. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand te laten of om zelf in deze zaak te voorzien, gelet op wat in 12.1. is overwogen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Instituut een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Instituut moet deze vergoeding betalen. De procesvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De rechtbank stelt vast dat eiser zelf beroep heeft ingesteld, zonder hulp van een gemachtigde. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde tijdens het vervolg van de beroepsprocedure krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 17 december 2024 voor zover dat gaat over afwijzing van vergoeding van de kosten van het Loket Bevingsschade C.V.;
- draagt het Instituut op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Instituut tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Tijdelijke wet Groningen (TwG)
Artikel 2 […]
6. Het Instituut voert deze taken en bevoegdheden uit met toepassing van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10
1. Het Instituut stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, een procedure en een werkwijze vast voor de behandeling van aanvragen.
2. De procedure en werkwijze van het Instituut kennen een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt.
3. Het Instituut publiceert zijn procedure en werkwijze op zijn website.
Burgerlijk wetboek (BW)
Artikel 6:96
1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst. 2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
Procedure en werkwijze van het Instituut (Procedure en werkwijze)
Artikel 2.6 Bijkomende kosten
Artikel 2.7 Overlastvergoeding