ECLI:NL:RBNNE:2026:4024

ECLI:NL:RBNNE:2026:4024

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 18-110934-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van een patiënte binnen de zorginstelling waarvan hij mede-eigenaar is. Het slachtoffer verbleef in de instelling vanwege psychische problematiek en haar onvermogen om zelfstandig te wonen. Verdachte heeft orale en anale seks gehad met het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding, ook uitgevoerd ten tijde van het verrichten van zijn werkzaamheden in de zorg. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, een contact- en gebiedsverbod in de zin van artikel 38v Sr en een beroepsverbod. De vorderingen van de benadeelde partijen worden (gedeeltelijk) toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18-110934-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 9 januari 2026 te [plaats] , althans in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, te weten [instelling 2] te [vestigingsplaats] , althans werkzaam was in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met een aan zijn gezag onderworpen en/of aan zijn waakzaamheid toevertrouwde persoon die in voornoemde inrichting of instelling was opgenomen of werd behandeld, dan wel met een persoon die zich voor hulp en/of zorg tot hem, verdachte, had gewend, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

2

hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de (blote) schouders en/of rug en/of borsten van die [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde, waarbij bij beide feiten sprake is van opzet.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er kanttekeningen geplaatst dienen te worden bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . De raadsman heeft gewezen op opmerkelijkheden, zoals dat de tongzoen waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard niet in haar mail aan de zorginstelling wordt genoemd. Ook over het moment dat verdachte volgens haar heeft gedoucht, heeft zij wisselend verklaard. Uit de Whatsappberichten achteraf van [slachtoffer 1] naar verdachte blijkt niet dat zij de ervaring onprettig vond. Daarnaast bestaat het eventuele steunbewijs in het dossier slechts uit informatie uit een en dezelfde bron. Over de wetenschap

van het ontbreken van de wil bij [slachtoffer 1] , heeft de raadsman aangevoerd dat het voor verdachte niet op elk moment kenbaar was dat zij de handelingen niet wenste. Naast dat haar beperkingen niet vanaf de buitenkant zichtbaar waren en [slachtoffer 1] nog maar net in de instelling verbleef, heeft de raadsman erop gewezen dat [slachtoffer 1] zelf ook initiatief tot seks toonde en dat zij zelf beschrijft de handelingen te hebben toegelaten. De functionele relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] was niet van dien aard dat de wilsvrijheid van [slachtoffer 1] daadwerkelijk werd beperkt. Verdachte was immers niet de persoonlijk begeleider en had ook geen zeggenschap over de voortzetting van haar proefplaatsing.

De raadsman heeft daarnaast bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster behoedzaam moeten worden bekeken. Tussen de dag van het delict en haar eerste politiecontact zit vijf weken. Dat is van belang omdat zij inmiddels was afgewezen voor de functie waarnaar ze solliciteerde. Over de afwijzing was zij duidelijk ontstemd, blijkt uit de Whatsappberichten achteraf. Daarnaast bestaat het eventuele steunbewijs in het dossier slechts uit informatie uit dezelfde bron.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 8 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 9 januari 2026 moest ik de sleutel van het appartement, van onze instelling [instelling 2] in [vestigingsplaats] , overhandigen aan [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] vertelde dat zij eerder seks had gehad en dat zij dat niet prettig vond. Ik vroeg of zij gemasseerd wilde worden. Zij ging eerst mij masseren en daarna ik haar. Ik ben uiteindelijk weggegaan en later die dag weer teruggekomen. [slachtoffer 1] vroeg of ik naar het matras kwam kijken. Zij trok mij op bed. Vervolgens ging ik naar beneden om schoenen aan te trekken en toen kwam zij bij mij op schoot zitten. We hebben getongzoend en zij heeft mij gepijpt. Het klopt dat ik daarna met haar staand tegen de muur anale seks heb gehad.

Tijdens de seks heb ik haar borsten aangeraakt. Na de seks vroeg zij mij of zij in het appartement mocht blijven wonen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2026, opgenomen op pagina 135 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026011226 d.d. 2 juni 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

A: Op 9 januari 2026 zat ik net bij [instelling 2] voor twee weken proefwonen. De dag ervoor was de intake. [verdachte] is degene waar het om gaat. En die zou bij mij een matras en een kussen komen ophalen. Toen op bed. Hij heeft daar nog niet seks gehad met mij, alleen wel aanraken en zoenen.

O: De getuige wrijft met beide handen over haar borsten en buik terwijl ze bovenstaande zegt.

A: Toen zijn we gestopt en is hij weggegaan. Tussen half 5 en half 6 is hij teruggekomen. En

ik had een bureaustoel, en hij ging daarop zitten. Hij zei: “Kom even op mijn schoot zitten." Dus ik deed dat. En hij zei: “jij ziet eruit alsof je seks wilt”. Hij wist het verhaal dat ik van achter ben verkracht door een andere man. Ik heb dat aan hem laten lezen. Dus uiteindelijk heb ik hem gepijpt. En moest ik het goed natmaken voor hem. En daarna heeft hij mij staand tegen de muur genomen van achteren. Totdat hij

klaarkwam.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 april 2026, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam]:

Ik ben samen met mijn partner [verdachte] eigenaar van het bedrijf [afkorting instelling 2] (de rechtbank begrijpt: [instelling 2] te [vestigingsplaats] ) waar we begeleiding geven aan mensen met een verstandelijke beperking, soms gecombineerd met psychische problematiek.

Bewijsoverweging

Nieuwe wetgeving

Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven (WSM) in werking getreden. Deze wet vervangt in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de tot die datum geldende Titel XIV Misdrijven tegen de zeden door een nieuwe Titel XIV Seksuele misdrijven. Hierin is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw vastgesteld en begrensd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld (aanranding en verkrachting) is uitgebreid en gemoderniseerd. Waar onder de oude zedenwet het doorbreken van de wil het fundament van strafrechtelijke aansprakelijkheid vormde, staat in de WSM het ontbreken van de wil met betrekking tot het seksuele contact bij de ander centraal. Hieronder wordt verstaan de afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting.

Het oude delict verkrachting is vervangen door twee delicten met drie verschillende kwalificaties: schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. Bij de schulddelicten ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen worden verricht, terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt.1

Verdachte wordt primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting en subsidiair aan schuldverkrachting. Voor de beantwoording van de vraag of het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen, zal de rechtbank eerst ingaan op de wetsgeschiedenis van opzetaanranding, waarvan de inhoud - wat betreft de invulling van het bestanddeel het ontbreken van de wil- ook geldt ten aanzien van opzetverkrachting.

Wetsgeschiedenis

Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin degene die het delict begaat opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van vol opzet of de ondergrens van de opzetvariant voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft diegene, juridisch geformuleerd, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.

Het ontbreken van de wil kan langs twee sporen worden vastgesteld. Allereerst is het ontbreken van die wil bewezen wanneer wordt vastgesteld dat die ander ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dat op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht. Het tweede bewijsspoor ziet op uitzonderlijke gevallen waarin de ander ten tijde van de seksuele handelingen daarmee feitelijk instemt, maar die positieve wilsuiting niet in vrijheid tot stand is gekomen.

Deze onvolkomen wilsvorming kan bijvoorbeeld verband houden met een situatie van lichamelijke of geestelijke onmacht waarin die ander verkeert, bij misleiding of in de situatie dat seksueel contact plaatsheeft in het kader van een functionele afhankelijkheidsrelatie.

Binnen de hiervoor genoemde twee sporen, zijn in de wetsgeschiedenis meer specifiek vijf gevalstypen uitgelicht waarin het bestaan van wetenschap van het ontbreken van de wil, en daarmee opzet, aan de orde kan zijn. Eén van die gevalstypen doet zich voor als sprake is van een functionele afhankelijkheidsrelatie die meebrengt dat de betrokkenen zich zeer ongelijkwaardig tot elkaar verhouden. Zon verhouding legt op de bovengeschikte persoon de verantwoordelijkheid om zich bij voorgenomen seksueel contact met een ondergeschikte persoon ervan rekenschap te geven dat de keuzevrijheid van de ondergeschikte persoon kan zijn beperkt door de afhankelijkheidspositie waarin deze verkeert. Dit geeft uitdrukking aan de sociale norm dat seks vrijwillig en gelijkwaardig behoort te zijn.

Bij seksueel contact in de context van een juridisch geformaliseerde gezagsrelatie dan wel een professionele hulpverlenings- of zorgrelatie als bedoeld in artikel 254, eerste lid en onder b, Sr is een ontbrekende vrije wil bij de ondergeschikte ten aanzien van seksueel verkeer in beginsel gegeven, omdat kort gezegd de vrijheid van handelen van die persoon tegenover de bovengeschikte wezenlijk is beperkt door het gezag of het psychisch overwicht dat die laatste aan diens functie ontleent.2 Als gevolg daarvan wordt de wilsbepaling bij die ander in belangrijke mate beïnvloed, hetgeen de initiator in zijn hoedanigheid van professional in de regel zal hebben geweten. Dan is sprake van opzetaanranding.

Het antwoord op de vraag of de functionele afhankelijkheidsrelatie zodanig is dat daardoor de wilsbepaling bij de ondergeschikte ten aanzien van seksueel contact met een bovengeschikte niet in vrijheid tot stand is gekomen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij is onder andere van belang de aard en mate van functionele ongelijkwaardigheid tussen de betrokkenen, de mate waarin de bovengeschikte zeggenschap heeft over het functioneren van de ondergeschikte en daaraan consequenties kan verbinden alsmede de mate waarin en wijze waarop die bovengeschikte door psychische druk of andersoortige beïnvloeding de ondergeschikte heeft bewogen tot seksueel contact. Opzetaanranding (en in geval van seksueel binnendringen, opzetverkrachting) komt in beeld wanneer de afhankelijkheidsrelatie zodanig is dat het in beginsel niet anders kan zijn dan dat de bovengeschikte die het seksueel contact initieert op zijn minst bewust de mogelijkheid op de koop toeneemt dat de ander dermate door die afhankelijkheidsrelatie wordt beïnvloed dat deze niet of onvoldoende in staat is een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet verrichten van seksuele handelingen met de initiator.3

Feitenvaststelling

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Op 9 januari 2026 werd [slachtoffer 1] ondergebracht bij zorginstelling [instelling 2] . Zij ging daar twee weken proef-wonen, met de bedoeling om uiteindelijk een vaste plek te krijgen. [instelling 2] biedt begeleid wonen aan mensen met een verstandelijke beperking en/of psychische problematiek. Verdachte is mede-eigenaar van [instelling 2] en heeft [slachtoffer 1] in die hoedanigheid bij het intakegesprek op 8 januari 2026 leren kennen. [slachtoffer 1] lijdt aan CPTSS, borderline, is psychotisch (geweest) en heeft een licht verstandelijke beperking. Deze problematiek was de aanleiding voor een vorm van begeleid wonen.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en verdachte gelijkluidend hebben verklaard over welke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in het appartement van de zorginstelling op 9 januari 2026. Zij hebben getongzoend, verdachte heeft de borsten en het bovenbeen van [slachtoffer 1] aangeraakt, [slachtoffer 1] heeft verdachte gepijpt en zij hebben anale seks met elkaar gehad. Weliswaar verschillen

de verklaringen over de volgorde van de handelingen en wie wat initieerde, maar het staat niet ter discussie dat deze seksuele handelingen die dag hebben plaatsgevonden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij [slachtoffer 1] de wil tot die seksuele handelingen ontbrak. In het geval verdachte wist dat bij [slachtoffer 1] de wil tot die seksuele handelingen ontbrak is er sprake van opzetverkrachting en in het geval verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat bij [slachtoffer 1] de wil tot die seksuele handelingen ontbrak is er sprake van schuldverkrachting.

Ontbreken van de wil bij [slachtoffer 1]

Tussen verdachte en [slachtoffer 1] was sprake van een functionele afhankelijkheidsrelatie. Zij was patiënte en kwam als zorgbehoevende binnen bij de instelling waarvan verdachte mede-eigenaar is. Het bestaan van een zodanige afhankelijkheidsrelatie is niet slechts een strafverzwarende grond. Zoals volgt uit de hierboven beschreven wetsgeschiedenis is het bestaan daarvan ook van belang voor de vraag of de wil, als bestandsdeel van artikel 241 Sr, ontbreekt.

In een functionele afhankelijkheidsrelatie wordt in beginsel verondersteld dat bij de ondergeschikte, in dit geval [slachtoffer 1] , de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt. Of sprake was van een zodanige functionele afhankelijkheidsrelatie dat daardoor de wilsbepaling bij het slachtoffer ten aanzien van het seksuele contact met de verdachte niet in vrijheid tot stand is gekomen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Daarbij betrekt de rechtbank in het bijzonder de kwetsbaarheid van [slachtoffer 1] , te weten dat zij kampt met ernstige psychische problematiek en een licht verstandelijke beperking. [slachtoffer 1] heeft op verschillende gebieden hulp en begeleiding nodig en kan niet zelfstandig wonen. Dat verdachte [slachtoffer 1] nog maar relatief kort kende, staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van haar beperkingen. [slachtoffer 1] werd immers als patiënt ondergebracht in zijn zorginstelling die zich richt op personen met psychische problematiek en/of een licht verstandelijke beperking. Verdachte had als mede-eigenaar van de zorginstelling bovendien de hoogste vorm van zeggenschap over de (on)mogelijkheden met betrekking tot het verblijf van [slachtoffer 1] .

Er was op basis van al deze omstandigheden sprake van een dusdanige functionele afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] waardoor de wilsbepaling bij [slachtoffer 1] zodanig werd beïnvloed, dat zij onvoldoende in staat was een vrije keuze te maken of zij het seksuele contact met verdachte wilde.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht, terwijl hij wist dat bij [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak. De rechtbank acht opzetverkrachting dan ook bewezen.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 8 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 29 augustus 2025 de schouders van mevrouw [slachtoffer 2] gemasseerd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026011226 d.d. 2 juni 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:

V: Wanneer had jij het sollicitatiegesprek? A: 29 augustus 2025.

V: Met wie voerde jij dat sollicitatiegesprek? A: Met [naam] en [verdachte] .

V: Je hebt een sollicitatiegesprek gehad bij [instelling 2] in [vestigingsplaats] . Vanaf daar willen we graag dat jij ons gaat vertellen hoe het toen verder is gegaan.

A: Toen waren wij voor de tweede keer in hetzelfde appartement. Ik hoorde dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) de deur op slot deed. Hij zei tegen mij dat ik kon zitten op het tweezits-bankje twee zitbankje. Nadat hij het sigaretje had gerookt zei hij, je ziet er nog steeds gestrest uit. Hij stelde daarop voor om hem te gaan masseren. Ik heb hem gemasseerd. Hij vond dat ik er nog steeds gestrest bij zat. Hij zei toen zal ik jou anders masseren. Ik zei dat hoeft niet. Ik vind dat niet zo prettig. Voor dat ik het wist zat hij al achter mij en begon hij al. Hij heeft heel vaak gezegd, ik ga geen dingen doen die jij niet wilt. Ik heb toen gezegd, "Maar je doet al dingen die ik niet wil". Hij ging door en reageerde daar niet op. Hij ging verder met mijn schouders masseren. Hij zakt wat verder met zijn hand op mijn rug. Tijdens het masseren heb ik ook wel gezegd dat hij moest stoppen. Dat ik hier niet relaxter van werd. Dat dit mij niet ging helpen. Hij zei dan, "dan moet ik beter mijn best doen". Toen hij dit een tijdje aan het doen was. Ik ben toen even anders gaan zitten. Ik voelde toen ook dat hij erg opgewonden was. Ik voelde dat hij een harde lul had. Ik voelde dat tegen mijn rug aan. Het was eerst de achterkant masseren, mijn schouders en mijn rug. Hij deed afwisselend over mijn kleding en onder mijn kleding. Hij ging op den duur ook naar de voorkant. Hij ging dan aan mijn borsten zitten. Hij kneep hier dan in. Dit was onder mijn kleding over mijn BH. Hij maakte er ook geluid bij. Het klonk als genotsgeluiden. Het ging een tijdje door. Als hij onder mijn shirt vandaan was hield ik mijn armen dicht tegen mijn lichaam aan. Ik hoopte dat hij daardoor niet onder mijn kleding kwam. Maar dat gebeurde nog wel. Hij begon ook dingen te vragen over hoe ik het liefste seks had. Ik ben toen naar de wc gegaan. Ik liep terug en zei dat ik moest gaan. Hij had toen toch weer gezegd dat ik nog even wilde zitten. Ik ben toen toch weer gaan zitten. Hij had me toen ook weer even gemasseerd.

Bewijsoverweging

Juridisch kader

In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Ook in deze zaak is dit het geval. Volgens artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, niet uitsluitend aannemen op basis van de verklaring van één getuige (het slachtoffer). Er moet, met andere woorden, ander bewijsmateriaal zijn dat de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteunt. Indien dit steunbewijs ontbreekt, zal de rechter de verdachte moeten vrijspreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is evenwel niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Voorwaarde hierbij is wel dat dit steunbewijs afkomstig is van een andere bron dan het slachtoffer en dat er niet een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van het slachtoffer en het steunbewijs. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in

algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2]

De vraag die de rechtbank eerst zal beantwoorden is of de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als uitgangspunt te kunnen dienen voor het bewijs in deze zaak. Deze verklaringen moeten kritisch, zorgvuldig en behoedzaam worden bezien.

Aangeefster heeft op twee momenten een belastende verklaring afgelegd, namelijk tijdens het informatief gesprek zeden en tijdens haar aangifte. Zij verklaart in haar aangifte weliswaar uitgebreider dan tijdens het informatief gesprek zeden, maar de rechtbank is van oordeel dat zij consistent heeft verklaard over hetgeen haar is overkomen. De verklaringen zijn bovendien gedetailleerd. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij de erectie van verdachte tegen haar rug aan voelde tijdens de massage, dat zij haar armen dicht tegen haar lichaam hield in de hoop dat verdachte dan niet onder haar kleding kwam, dat verdachte genotsgeluiden maakte en wat er over en weer precies is gezegd.

De rechtbank acht de door aangeefster afgelegde verklaringen betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het scenario dat aangeefster een valse verklaring heeft afgelegd, omdat zij is afgewezen voor de functie waarvoor zij solliciteerde. Aangeefster heeft die afwijzing gescheiden gehouden van de gebeurtenissen van 29 augustus 2025, in zowel haar contacten met [instelling 2] over de afwijzing als in haar aangifte. Uit haar aangifte blijkt bovendien dat aangeefster juist terughoudend was met het doen van aangifte vanwege die afwijzing, omdat zij bang was dat zij niet serieus zou worden genomen.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door haar betrouwbaar geachte verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier genoeg steunbewijs biedt voor de verklaringen van aangeefster. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in de verklaring van verdachte. Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat verdachte die dag aanwezig was bij een sollicitatie van aangeefster, dat hij haar een van de appartementen wilde laten zien, hij haar een massage heeft aangeboden en dat hij vervolgens haar schouders heeft gemasseerd. Pas vanaf dat punt lopen de verklaringen uiteen. Zoals in het juridisch kader is beschreven, is voor een bewezenverklaring niet vereist dat alle ten laste gelegde handelingen bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster op voldoende specifieke punten wordt bevestigd door de verklaring van verdachte. De rechtbank is in tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard bovendien van oordeel dat het masseren van de schouders in deze context een seksuele lading had. Verdachte bevond zich immers alleen met een voor hem onbekende vrouw in een ruimte, waarbij er geen enkele aanleiding was om fysiek contact op te zoeken. Op de vraag wat de aanleiding was om een sollicitant een massage aan te bieden, heeft verdachte geen navolgbaar antwoord kunnen geven.

Gelet op het voorgaande kan een bewezenverklaring volgen, ook voor het aanraken van de rug en borsten van aangeefster.

Opzetaanranding

Aangeefster heeft meerdere keren verbaal kenbaar gemaakt dat zij wilde dat de aanrakingen stopte. Zij heeft onder andere gezegd: “Je doet al dingen die ik niet wil". Daarmee was het voor verdachte duidelijk dat zij de seksuele handelingen niet wilde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van opzet, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 9 januari 2026 te [plaats] , terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor maatschappelijke zorg, te weten [instelling 2] te [vestigingsplaats] , met een aan zijn gezag onderworpen persoon die in voornoemde instelling was opgenomen, te weten [slachtoffer 1] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak;

2

hij op 29 augustus 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de blote schouders, de rug en de borsten van die [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar. Er is niet gebleken van enige strafuitsluitingsgrond.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod met de slachtoffers, een gebiedsverbod in de zin van artikel 38v Sr en een beroepsverbod voor de duur van acht jaren gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit om aan verdachte een straf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk is, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de maatregelen als bedoeld in artikel 38v Sr en het gevorderde beroepsverbod heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, waaronder in het bijzonder de rapportage die Reclassering Nederland ten behoeve van de terechtzitting heeft opgesteld d.d. 22 juli 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 augustus 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van een patiënte binnen de zorginstelling waarvan hij mede-eigenaar is. Het slachtoffer verbleef in de instelling vanwege psychische problematiek en haar onvermogen om zelfstandig te wonen. Verdachte heeft orale en anale seks gehad met het slachtoffer, terwijl het slachtoffer hem kort daarvoor had verteld dat zij eerder anaal was verkracht. Verdachte heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie en alleen gedacht aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Door zo te handelen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De wetsbepalingen van artikel 243 en 254, eerste lid, sub b en onder 3°, Sr zijn juist in het leven geroepen ter bescherming van kwetsbare personen die afhankelijk zijn van zorg en die moeite hebben met het bewaken van hun eigen grenzen. Verdachte, als mede-eigenaar

van de zorginstelling, had hierin een bijzondere verantwoordelijkheid. Verdachte heeft daarnaast het vertrouwen dat een ieder moet kunnen hebben in de instelling waarvan verdachte mede-eigenaar was, in het bijzonder vanwege de kwetsbare personen die in de instelling verblijven, ernstig geschaad.

Verdachte heeft zich ten tweede schuldig gemaakt aan opzetaanranding, ook uitgevoerd ten tijde van het verrichten van zijn werkzaamheden in de zorg. Het slachtoffer kwam voor een sollicitatie bij de zorginstelling waarvan verdachte mede-eigenaar is. Verdachte heeft haar blote borsten, haar rug en haar schouders betast, terwijl het slachtoffer meermalen heeft opgemerkt zich daar niet prettig bij te voelen en dat niet te willen. Ook in deze situatie heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn bovengeschikte rol. De rechtbank ziet in de verklaring van verdachte, waarin hij de massage presenteert als goedbedoeld en onschuldig, geen blijk van schuldbesef. Hij heeft bovendien de angstgevoelens van het slachtoffer miskend.

Uit de onderbouwing van de vorderingen van beide slachtoffers en de voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat de impact bij de slachtoffers groot is. Er is sprake van seksuele traumas waarvoor in beide gevallen EMDR-therapie is geïndiceerd en ingezet.

Persoon van verdachte

De reclassering heeft een rapport over verdachte opgemaakt en daarin kort samengevat het volgende vermeld. Verdachte had tot de aanhouding zijn leven ogenschijnlijk op de rit. Gelet op de ontkennende houding van verdachte is een delictanalyse niet mogelijk en kunnen de risicos op herhaling niet volledig worden ingeschat. Hoewel verdachte de indruk wekt mee te willen werken aan eventuele bijzondere voorwaarden, is er bij de reclassering geen zekerheid dat verdachte ook echt gedragsverandering beoogt. De motivatie van verdachte is door de reclassering moeilijk te duiden.

De straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor een opzetverkrachting zonder strafverzwarende omstandigheid uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting met de strafverzwarende omstandigheid deze verkrachting te hebben gepleegd met een aan zijn gezag onderworpen persoon die was opgenomen in de zorginstelling waarvan verdachte mede-eigenaar is. Hier komt de bewezenverklaarde opzetaanranding nog bij.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet af van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, nu zij onvoldoende overtuigd is van de motivatie van verdachte om de bijzondere voorwaarden na te leven.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet de rechtbank voorts aanleiding om aan verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregelen houden in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen met slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1991, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1991. Daarnaast houden de maatregelen in dat verdachte zich

gedurende vijf jaren niet bevindt in Emmer-Compascuum en Nieuw-Balinge. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat verdachte (een van de) voornoemde maatregelen overtreedt 14 (veertien) dagen vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van 6 (zes) maanden.

Beroepsverbod

In artikel 254a Sr is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor dit feit kan worden uitgesproken, indien verdachte het feit in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Verdachte was tijdens de bewezen verklaarde feiten werkzaam in zijn eigen zorginstelling. De rechtbank ziet op grond van alle omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding om de ontzetting van het recht om het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te spreken. De rechtbank acht het van groot belang dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet in aanraking zal komen met afhankelijke en kwetsbare personen. De rechtbank zal deze bijkomende straf opleggen voor de duur van 8 (acht) jaren. Deze duur is in overeenstemming met artikel 31, eerste lid, onder 2°, Sr.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Feit 1:

1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

Feit 2:

2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 8.100,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide vorderingen primair verzocht om beide benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] aangevoerd dat er geen geweldselement ten laste is gelegd, zodat zowel de inschaling binnen de brandbreedte ernstig van de Rotterdamse Schaal als de daarbij opgetelde opslag dient te worden bijgesteld. Daarnaast is het causaal verband als aandachtspunt benoemd, omdat al sprake was van psychische problematiek bij benadeelde.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman subsidiair bepleit dat deze dient te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De nadelige gevolgen voor de benadeelde liggen voor de hand, gelet op de aard en de ernst van de normschending. Er is daarom sprake van een persoonsaantasting.

Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Uit de brief van psychiater Van Marle blijkt immers dat er een forse toename is in de psychische klachten sinds de gebeurtenissen bij [instelling 2] te [vestigingsplaats] en dat daar EMDR-therapie voor is gestart.

Bij het bepalen van de hoogte van het te vergoeden bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de tot nu toe bekende gevolgen ervan voor de benadeelde. De rechtbank heeft voorts aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat aansluiting moet worden gezocht bij de categorie 14.2 onder b (PTSS, ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de

16.000,00 en 41.000,00. De rechtbank volgt de benadeelde partij in de begroting op de ondergrens van 16.000,00. Dit bedrag moet worden vermeerderd met een opslag ter grootte van 25%, omdat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte de verkrachting opzettelijk heeft gepleegd.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de aard en ernst van de bewezen verklaarde handelingen en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van 20.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade inclusief de wettelijke rente zal vergoeden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW een vergoeding voor

immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Uit de brief van GZ-psycholoog M. Kuijper blijkt dat EMDR-behandeling is geïndiceerd en gestart voor de psychische klachten die benadeelde ervaart.

Bij het bepalen van de hoogte van het te vergoeden bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de tot nu toe bekende gevolgen ervan voor de benadeelde. De rechtbank heeft voorts aansluiting gezocht bij voornoemde Rotterdamse schaal.

De rechtbank is van oordeel dat aansluiting moet worden gezocht bij de categorie 14.2 onder c (PTSS, middelzwaar) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de 5.500 en 16.000,00. De rechtbank volgt de benadeelde partij in de begroting van het geestelijk letsel op 6.000,00, vanwege de onzekerheid over de ernst en de duur van het uiteindelijke herstel van de benadeelde partij. Dit bedrag moet worden vermeerderd met een opslag ter grootte van 25%, omdat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte de aanranding opzettelijk heeft gepleegd.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de aard en ernst van de bewezen verklaarde handelingen en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van 7.500,00 billijk. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel en veroordeling in de kosten

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade, inclusief de wettelijke rente, zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte verder veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 28, 31, 36f, 38v, 38w, 57, 241, 243 en 254 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:

De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden in het gebied Emmer-Compascuum en Nieuw-Balinge.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (een van) de maatregelen wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan (een van) de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.

Een ontzetting uit het recht tot de uitoefening van het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 8 (acht) jaren.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

- het bedrag van 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro);

- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 125 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. H.M. Lenting en mr. L.E. Ettema, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.

Mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 3, 15, 76.

2 Vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0645.

3 Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 81-83 en 86.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Brinksma
  • mr. H.M. Lenting
  • mr. L.E. Ettema

Griffier

  • mr. N.J. Aarts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand