[naam] uit Groningen, eiseres
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
de Dienst Toeslagen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat Dienst Toeslagen niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 31 oktober 2024 om aanvullende compensatie voor haar werkelijke schade in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen krijgt bij de aanvragen advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS). CWS is een onafhankelijke commissie en heeft tot taak het toetsen van en adviseren over aanvragen tot toekenning van aanvullende compensatie.
De wettelijke beslistermijn bij aanvragen om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bedraagt zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Dienst Toeslagen heeft de mogelijkheid om de beslistermijn met zes maanden te verlengen.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Eiseres heeft een verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de CWS ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn inmiddels is verstreken. Eiseres heeft Dienst Toeslagen rechtsgeldig in gebreke gesteld en gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dienst Toeslagen heeft dit niet gedaan en eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
De uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026
5. In de uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling uiteengezet dat het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om compensatie voor werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie toeslagen geen effect meer heeft. De dwangsommen leiden er niet toe dat de Dienst Toeslagen sneller gaat beslissen. De besluitvorming door de Dienst Toeslagen over deze aanvragen is volledig vastgelopen en zal nog verder vastlopen als de beschikbare capaciteit niet kan worden besteed aan inhoudelijke besluitvorming, omdat deze in toenemende mate moet worden besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
6. De Afdeling heeft in de uitspraak uitgelegd waarom zij geen mogelijkheid ziet om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarom valt de Afdeling terug op de standaard wettelijke beslistermijn van twee weken. De Afdeling is verder van oordeel dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan de overschrijding van deze beslistermijn wordt verbonden het komende jaar op nul moet worden gesteld. De Afdeling wijst erop dat een dwangsom niet een vorm van schadevergoeding is, maar een financiële prikkel om snellere besluitvorming te bewerkstelligen. Deze doelstelling wordt in dit geval echter niet bereikt en een dwangsom werkt bij de huidige stand van zaken juist contraproductief.
7. De rechtbank volgt de Afdeling in dit oordeel. De rechtbank snapt heel goed dat dit het gevoel van onmacht en frustratie bij gedupeerde ouders vergroot. Een besluit op de aanvraag komt niet sneller en de onzekerheid duurt voort. Dat zou echter ook het geval zijn als de bestuursrechter andere keuzes zou maken en wel dwangsommen blijft verbinden aan het niet tijdig beslissen in dit soort zaken. Het voeren van procedures over het niet tijdig beslissen in dit soort zaken leidt dan tot hogere maatschappelijke kosten en een nog grotere belasting van de Dienst Toeslagen terwijl het niet leidt tot snellere besluitvorming. De rechtbank ziet gelet op alle omstandigheden geen andere mogelijkheid dan deze. Het is aan de wetgever om ongewenste gevolgen van wetgeving en keuzes met betrekking tot het uitvoeringsapparaat onder ogen te zien en tot passende oplossingen te komen.
Toepassing op deze zaak
8. In dit beroep betekent dit het volgende. Dienst Toeslagen had uiterlijk op 31 oktober 2025 moeten beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie. De rechtbank bepaalt dat Dienst Toeslagen binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
9. De rechtbank bepaalt dat de aan deze beslistermijn verbonden dwangsom op nihil wordt gesteld.
Bestuurlijke dwangsom
10. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
Dienst Toeslagen heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De maximale bestuurlijke dwangsom is in dit geval bereikt en bedraagt € 1.442,-.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, Dienst Toeslagen de onder 8 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen. De aan deze termijn verbonden dwangsom wordt op nihil gesteld. De rechtbank stelt ook de door de Dienst Toeslagen al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 10 en 10.1 berekend.
Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt volgens vaste rechtspraak € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt de door Dienst Toeslagen te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.