RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-203537-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-248729-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , thans verblijvende in de [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2026 en 8 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-203537-25
1.
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, immers is verdachte met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] gelopen/gerend
en/of heeft verdachte daarbij stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers is verdachte met een (brood)mes, althans met een scherp en/op puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] gelopen/gerend en/of heeft verdachte daarbij stekende bewegingen gemaakt in de
richting van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van die [slachtoffer 1] te lopen/te rennen en/of daarbij stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, immers heeft verdachte een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp gepakt en/of daarmee stekende bewegingen gemaakt
in de richting van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp gepakt en/of daarmee stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te pakken en/of stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 2] .
Parketnummer 18-248729-25
hij op of omstreeks 17 mei 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3] , van het leven te beroven, immers is verdachte met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 3] gelopen/gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 mei 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers is verdachte met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 3] gelopen/gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 mei 2025 te Franeker, althans in de gemeente Waadhoeke, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de
richting van die [slachtoffer 3] te lopen/te rennen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-203537-25
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat vast is komen te staan dat verdachte met een scherp en
gekarteld steakmes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van aangever en dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier blijkt dat verdachte stekende bewegingen in de richting van aangever heeft gemaakt met een broodmes.
Alhoewel verdachtes intentie was gericht op het doodsteken van aangever, is het middel niet deugdelijk omdat het geen scherp mes betrof. Het voorgaande brengt met zich dat gelet op de uiterlijke verschijningsvorm enkel een veroordeling voor het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten bedreiging, kan volgen.
Parketnummer 18-248729-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vol opzet heeft gehad op het doodsteken van aangever, maar dat gelet op de wijze van uitvoering sprake is van een ondeugdelijk middel. Het betrof een broodmes met een stompe punt en aangever heeft verdachte geschopt waardoor hij is gestruikeld. In deze situatie is de uitvoering niet deugdelijk en dient vrijspraak voor zowel het primaire als het subsidiaire feit te volgen.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-203537-25
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een veroordeling kan volgen voor feit 1 primair.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde, gelet op het feit dat uit het dossier blijkt dat verdachte een broodmes in zijn handen had en dat er geen begin van uitvoering heeft plaatsgevonden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm dient een veroordeling voor bedreiging te volgen.
Parketnummer 18-248729-25
De raadsman heeft betoogd dat enkel een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit kan volgen, aangezien verdachte met een broodmes met een stompe punt op aangever is afgelopen. Er heeft geen begin van uitvoering plaatsgevonden.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-203537-25
Feit 1 aangever [slachtoffer 1] Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juli 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025177410 d.d. 7 juli 2025,
inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 3 juli 2025 was ik werkzaam in [naam bedrijfsrestaurant] , dit is het bedrijfsrestaurant op het [organisatie] terrein in Franeker. Ik zag dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) al schreeuwend mijn kant op kwam lopen. Ik zag dat hij al schreeuwend met een mes in zijn rechterhand op mij af kwam lopen. Ik zag dat het een broodmes met gekartelde rand betrof en ik zag dat hij een voorwaartse beweging met zijn rechterhand naar mij maakte. Ik zag dat het mes op ongeveer armlengte van mij verwijderd was.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 juli 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Mijn collega en ik zaten aan tafel en [verdachte] kwam gillend vanuit zijn kamer en al rennend naar de huiskamer toe. Het is ons bekend dat wanneer hij gillend uit zijn kamer komt, hij een broodmes wil pakken en iemand neer wil steken. We hebben hem naar buiten begeleid, zodat hij kon afkoelen. Na ongeveer tien minuten buiten kregen wij een pieper van [naam bedrijfsrestaurant] . Wij zagen dat de kok van [naam bedrijfsrestaurant] [verdachte] in de houdgreep hield. Wij zeiden dat [verdachte] een rondje om de vijver moest lopen om af te koelen. Na overleg besloten we om even te kijken hoe hij erbij zat. Ik vroeg hoe het met hem was. Ik hoorde dat hij zoiets zei als Ik wil iemand vermoorden of ik moet iemand vermoorden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 juli 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Ik hoorde ineens een luid schreeuwende man van mij vanaf links afkomen. Ik zag dat die man een mes in zijn rechterhand hield. Ik zag dat het een broodmes van ongeveer 15 centimeter was. Ik zag dat hij met dat mes met de kartelkant richting Leo (de rechtbank begrijpt: aangever) liep, ik zag dat hij dit mes op schouderhoogte voor zich hield.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 4 juli 2025, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
Toen ik in [naam bedrijfsrestaurant] kwam heb ik een kartelmes voor brood gepakt, deze lag bij een tafel in de hoek waar iedereen zijn bestek en borden weglegt. Met een mes wilde ik de kassière die daar stond neersteken. Met het mes ben ik op de kassière af gaan rennen. Daar heb ik een paar stekende bewegingen gemaakt. Ik wilde de kassière raken.
Om de zoveel paar weken heb ik daar last van. Dan komen die wanen weer naar boven en dan wil ik iemand iets aandoen. Dan zegt een stemmetje: "Kom, we gaan iemand neersteken". Op de één of andere manier kan ik daar dan niet tegen vechten, ik kan mezelf dan niet onder controle krijgen.
P: Wat ik heb begrepen begon het gister allemaal met dat je schreeuwend uit je kamer kwam. Klopt dat? V: Ik was aan het schreeuwen omdat ik de gedachte dat ik iemand wilde vermoorden niet kon stoppen.
Overweging mes
Anders dan hetgeen naar voren is gebracht door de officier van justitie kan op grond van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte een steakmes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn handen heeft gehad. Uit de verklaringen van aangever, getuige [getuige 2] en verdachte blijkt dat verdachte een broodmes met gekartelde rand heeft gepakt en vervolgens met dit broodmes op aangever is afgerend en stekende bewegingen in zijn richting heeft gemaakt. Op 7 juli 2026, vier dagen na het incident, is een verbalisant naar het restaurant van [naam bedrijfsrestaurant] gegaan om onderzoek te doen naar de messen in het restaurant. Alhoewel de verbalisant in de bestekhouder meerdere soortgelijke scherpe steakmessen heeft aangetroffen, kan op grond van de hiervoor genoemde verklaringen van de betrokkenen en het tijdsverloop van vier dagen niet zonder twijfel worden vastgesteld dat verdachte een scherp steakmes heeft gepakt. Bovendien blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij het mes niet uit de bestekhouder heeft gepakt, maar van de tafel in de hoek van het restaurant. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte bij het incident een broodmes heeft gebruikt.
Overwegingen over het bewijs Opzet
De rechtbank buigt zich vervolgens over de vraag of verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij aangever wilde raken en neersteken. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de gedachte had dat hij iemand wilde vermoorden. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij hem heeft horen zeggen dat hij iemand wilde vermoorden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de dood van aangever heeft gewild, en daarmee vol opzet had om hem van het leven te beroven.
Begin van uitvoering
De rechtbank heeft daarnaast stilgestaan bij de vraag of de aanval van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm wel is gericht op de dood van aangever en daarmee een strafbare poging tot doodslag kan opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een begin van uitvoering, doordat verdachte een mes heeft gepakt, daarmee schreeuwend op aangever is afgegaan, waarbij hij het mes op schouderhoogte hield, op een armlengte verwijderd van aangever. Aangever heeft de aanval kunnen afwenden door het mes uit verdachtes handen te slaan.
(On)deugdelijk middel
Verder is van belang of het mes waarmee verdachte aangever heeft willen steken, ten aanzien waarvan de rechtbank eerder heeft vastgesteld dat het een broodmes is, een absoluut ondeugdelijk middel of een relatief ondeugdelijk middel is om het beoogde doel (de dood van aangever) te bereiken. Er is kortgezegd sprake van een absoluut ondeugdelijk middel als verdachte met het mes in geen enkel geval iemand had kunnen doden. Als het gebruikte middel op zich geschikt is om het beoogde misdrijf mee te plegen, maar het in het concrete geval niet is gelukt, dan spreekt men van een relatief ondeugdelijk middel.
Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruikte mes geen absoluut ondeugdelijk middel omdat een mes, ook een broodmes, geschikt is om iemand van het leven te beroven, Het gebruikte mes is evenmin een relatief ondeugdelijk middel omdat door met een broodmes krachtig in te steken op het hoofd, de nek en/of hals er dodelijke verwondingen hadden kunnen ontstaan. In de hals bevinden zich namelijk relatief dicht onder de huidlaag halsslagaders en door met kracht een mes op de hals te drukken of in te steken kan er een levensbedreigende slagaderlijke bloeding ontstaan. Daarnaast kunnen bij het met kracht met een mes insteken op het hoofd vitale organen, zoals de hersenen, worden geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een strafbare poging tot doodslag. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm had deze poging namelijk wel tot een voltooid levensdelict kunnen leiden.
De rechtbank acht aldus het primair ten laste gelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2 aangever [slachtoffer 2] Primair: poging tot doodslag Vrijspraak
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat poging tot doodslag op basis van het dossier niet kan worden bewezen, zodat verdachte van feit 2 primair zal worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat verdachte zich niets meer kan herinneren van het incident en op basis van de verklaringen van betrokkenen niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangever van het leven wilde beroven, zodat geen sprake is van vol opzet. De rechtbank overweegt voorts dat voorwaardelijk opzet eveneens niet kan worden bewezen, aangezien niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever.
Subsidiair: poging zware mishandeling Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 februari 2025, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik was op 24 januari 2025 aan het werk op afdeling [afdeling] in Franeker. Ik was in gesprek met een patiënt. Ik ken deze persoon als [verdachte] . Hij zei opeens: “Ik moet iemand steken”. Hierbij pakte hij opeens een broodmes uit de keukenla, waar we beiden bij stonden. Onmiddellijk maakte hij een stekende beweging met het mes in mijn richting.
Hij was ongeveer een kleine meter van mij vandaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 27 maart 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Het was een boterham mes. Omdat hij zo dicht bij mij stond lukte het mij om de steekbeweging te onderbreken en af te weren doordat ik zijn polsen vast kon
pakken. Indien ik dit niet gedaan had dan hij mij zeker met het mes een verwonding toegebracht.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 februari 2025, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :
Opeens hoorde ik een schreeuwend geluid uit de woonkamer komen. Ik zag door het raam mijn collega [slachtoffer 2] , in een worsteling verwikkeld met een van onze patiënten, de heer [verdachte] . Ik zag dat de heer [verdachte] een mes in zijn rechterhand had. Ik schat dat de punt van het mes ongeveer 20 centimeter van het gezicht van [slachtoffer 2] verwijderd was. Het was mijn indruk dat de heer [verdachte] probeerde het mes in het gezicht van [slachtoffer 2] te drukken.
Overwegingen over het bewijs Opzet
De rechtbank is van oordeel dat de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachtes opzet daarop was gericht. Uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige 3] leidt de rechtbank af dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Enkele seconden voor het incident werd door verdachte gezegd dat hij iemand wilde steken. Vervolgens pakt hij een broodmes uit de keukenla en maakt hij stekende bewegingen met het mes in de richting van het gezicht van aangever.
Begin van uitvoering
Anders dan de raadsman naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de aanval van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een begin van uitvoering, doordat verdachte een mes heeft gepakt waarmee hij een stekende beweging maakte op korte afstand van het gezicht van aangever. Zij heeft zijn aanval kunnen afwenden door hem bij zijn polsten te pakken.
(On)deugdelijk middel
De rechtbank verwijst voor het antwoord op de vraag of sprake zou zijn van een ondeugdelijk middel naar hetgeen onder feit 1 is overwogen over de leer van de absolute en relatieve ondeugdelijke poging. Het oordeel dat een broodmes een absoluut noch een relatief ondeugdelijk middel is om dodelijk letsel toe te brengen impliceert dat hetzelfde geldt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een dergelijk mes.
De rechtbank acht aldus het subsidiair ten laste gelegde onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 18-248729-25
Aangever [slachtoffer 3] Primair: poging tot doodslag Vrijspraak
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat poging tot doodslag op basis van het dossier niet kan worden bewezen, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat verdachte zich niets meer kan herinneren van het incident en op basis van de verklaringen van betrokkenen niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangever van het leven wilde beroven, zodat er geen sprake is van vol opzet. De rechtbank overweegt voorts dat voorwaardelijk opzet eveneens niet kan worden bewezen, aangezien niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever.
Subsidiair: poging zware mishandeling Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 mei 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025137177 d.d. 29 augustus 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 17 mei 2025 was ik aanwezig in de woonkamer van [woonkamer] in Franeker. Op een moment kwam [verdachte] , een patiënt van ons, die ook in de woonkamer zat in beweging. Hij rende naar de open keuken van de woonkamer, griste een broodmes van de keukentafel, en kwam hiermee op mij af. Hij schreeuwde hierbij een soort dierlijk geluid. Hij hief het broodmes met de rechterhand ter hoogte van zijn hoofd. Toen hij vlak bij mij was kon ik hem een trap geven met mijn rechterbeen. Gelukkig was dit genoeg om hem te laten struikelen. Hij viel op de grond.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 26 juni 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Het mes waarover het gaat is een broodmes. Het is geheel van metaal, ongeveer 20 centimeter lang. Het heeft een stompe punt en een kartelrand, die halverwege het mes begint. Ik hoorde en zag [verdachte] op mij afkomen, hij had hierbij het mes geheven met
zijn rechterarm, ter hoogte van zijn hoofd. Hij kwam steeds dichterbij. De punt van
het mes was toen op een bepaald moment ongeveer 80 centimeter van mijn hoofd verwijderd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 juni 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :
We zaten toen opeens [verdachte] gillend opveerde uit zijn stoel en naar de huiskamerkeuken liep. Hij graaide hier een broodmes uit een lade. Het was een klassiek broodmes met een
stompe punt. Vervolgens kwam hij gillend op de heer [slachtoffer 3] af. Hij hief zijn hand met het mes erin, ter hoogte van zijn hoofd, en gilde onsamenhangend.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
Het was weer dezelfde drang. Ik ben gewoon op hem afgelopen en ik wou hem neersteken.
Overwegingen over het bewijs Opzet
De rechtbank is van oordeel dat de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachtes opzet daarop was gericht. Uit de verklaring van verdachte kan de intentie worden afgeleid dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen, aangezien hij de drang kreeg om hem neer te steken. Verder blijkt uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige 4] dat verdachte gillend op aangever is afgekomen en dat hij het mes had geheven ter hoogte van zijn hoofd en op korte afstand van het hoofd van aangever. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de zware mishandeling van aangever heeft gewild, en daarmee vol opzet had.
Begin van uitvoering
Anders dan de raadsman naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat de aanval van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm wel is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een begin van uitvoering, doordat verdachte een mes heeft gepakt, daarmee gillend op aangever is afgerend, waarbij hij het mes ter hoogte van zijn hoofd vasthield en op korte afstand van haar hoofd. Zij heeft zijn aanval kunnen afwenden door hem een trap te geven en te laten struikelen.
(On)deugdelijk middel
De rechtbank verwijst voor het antwoord op de vraag of sprake zou zijn van een ondeugdelijk middel naar hetgeen onder feit 1 van parketnummer 18-203537-25 is overwogen over de leer van de absolute en relatieve ondeugdelijke poging. Het oordeel dat een broodmes een absoluut noch een relatief ondeugdelijk middel is om dodelijk letsel toe te brengen impliceert dat hetzelfde geldt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een dergelijk mes.
De rechtbank acht aldus het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 18-203537-25 en het subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-248729-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-203537-25:
1. Primair
hij op 3 juli 2025 te Franeker ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een broodmes in de richting van die [slachtoffer 1] is gerend en daarbij stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. Subsidiair
hij op 24 januari 2025 te Franeker ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een broodmes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18-248729-25:
Subsidiair
hij op 17 mei 2025 te Franeker, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een broodmes, in de richting van die [slachtoffer 3] is gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-203537-25:
Parketnummer 18-248729-25:
Subsidiair. Poging tot zware mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met daarnaast ambulante behandeling en begeleid wonen aansluitend op de klinische opname, indien de reclassering dit nodig acht) en aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Ook heeft zij gevorderd om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: de 38z-maatregel) aan verdachte op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk op te leggen gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest. Voorts heeft hij aangevoerd dat de bewezenverklaarde feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen zijn. Ten aanzien van de gevorderde bijzondere voorwaarden en de 38z-maatregel heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte
rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en tweemaal een poging tot zware mishandeling. De drie, op zichzelf en los van elkaar staande, geweldsincidenten worden gekenmerkt door het feit dat verdachte steeds op een willekeurig moment de drang kreeg om een mes te pakken en iemand neer of zelfs dood te steken. De slachtoffers, [organisatie] medewerkers die in de uitoefening van hun beroep aan het werk waren, werden ieder geconfronteerd met een onverwachtse aanval van verdachte.
Dat de slachtoffers geen letsel hebben opgelopen en het niet erger is afgelopen, is telkens een gelukkige omstandigheid geweest die niet te danken is aan het handelen van verdachte. Door adequaat optreden van de aangevers en aanwezige [organisatie] medewerkers is verdere escalatie steeds voorkomen. De verdachte heeft met zijn handelen voor angst gezorgd bij de slachtoffers en een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 27 juli 2026 blijkt dat verdachte in 2024 is veroordeeld voor een mishandeling, maar dat verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het psychologisch Pro Justitiarapport van 28 november 2025, opgemaakt door R.W. Blaauw, gezondheidszorgpsycholoog, en A.R.S. Langes, klinisch psycholoog. Uit het rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. De gedragsdeskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat verdachte, ten tijde van de ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-203537-25, dusdanig werd beïnvloed door de psychotische symptomen en/of de traumagerelateerde problematiek, dat zijn denken en handelen in hoge mate werd gestuurd door paranoïde overtuigingen, boosheid en angst en dat hij onvoldoende in staat was zijn handelen te sturen. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was sprake van een verstoorde realiteitstoetsing in de vorm van waandenken. Geadviseerd wordt om bij bewezenverklaring verdachte het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate toe te rekenen. Er worden geen interne beschermende factoren gezien en het risico op ernstig gewelddadig gedrag wordt matig tot hoog ingeschat. Concluderend wordt geadviseerd om verdachte langdurig te plaatsen in een forensische psychiatrische kliniek, gevolgd door intensieve behandeling bij een forensische polikliniek, begeleid wonen en reclasseringstoezicht. Een (deels) voorwaardelijke straf met verplichte behandeling wordt als mogelijk haalbare oplossing gezien, mede gelet op de aanwezige bereidheid tot behandeling. Om te voorkomen dat verdachte onbehandeld op straat zou komen, adviseren de deskundigen om tevens een 38z-maatregel op te leggen.
De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het reclasseringsadvies van 15 april 2026 en de aanvulling per mail van mevrouw [reclasseringsmedewerker] van 2 september 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog en adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling en beheersing van het middelengebruik. Verdachte is geaccepteerd bij [instelling 2] , een kliniek met expertise op gebied van autisme in combinatie met bijkomende psychiatrische problematiek. Gelet op de grote kans dat verdachte een misdrijf met schade voor personen zal plegen, dienen voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Tot slot adviseert de reclassering als vangnet oplegging van de 38z-maatregel, om te voorkomen dat verdachte onbehandeld op straat zou komen te staan.
De rechtbank leidt uit het Pro Justitiarapport en het reclasseringsadvies af dat de kans op recidive wordt ingeschat als hoog vanwege meerdere psychotische stoornissen, waardoor adequate en langdurige behandeling en begeleiding wordt geadviseerd. Daarnaast wordt geadviseerd verdachte in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van de gepleegde feiten onder parketnummer 18-203537-25. De rechtbank kan zich met voornoemde inhoud en conclusies verenigen en concludeert dat het bewezen verklaarde aan verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 18-248729-25. Dit feit vertoont een grote gelijkenis met de andere twee feiten en heeft plaatsgevonden in de periode gelegen tussen de beide andere feiten. In die gehele periode verbleef verdachte in de FPA Franeker.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zouden worden. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, vanwege de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en omdat zij uit de rapportages afleidt dat het noodzakelijk is dat verdachte langdurige begeleiding en behandeling krijgt van de bij hem aanwezige problematiek. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, stelt de rechtbank de proeftijd op 3 jaren vast en verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden: klinische opname in [instelling 2] (of een soortgelijke instelling), meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en begeleid wonen (aansluitend op klinische opname, indien de reclassering dit nodig acht) en controle op het middelengebruik.
Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank zal deze voorwaarden ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen wordt ingeschat als groot en de rechtbank het van belang acht dat de klinische opname in [instelling 2] aansluitend op de detentiefase ten uitvoer kan worden gelegd om de kans op herhaling te verkleinen.
De 38z-maatregel
Ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en goederen zal de rechtbank de 38z-maatregel opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Gelet op hetgeen de gedragsdeskundigen in de rapportages hebben overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er een noodzaak bestaat om verdachte na zijn straf onder toezicht te stellen, om het recidiverisico ook in de toekomst te kunnen terugdringen. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat het mogelijk is dat een klinische behandeling niet zal slagen, als de bereidheid van verdachte om mee te werken op termijn bijvoorbeeld afneemt, waardoor voornoemde maatregel als stok achter de deur kan fungeren.
Benadeelde partij
Parketnummer 18-203537-25, feit 1 primair
De heer [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 820,- ter vergoeding van immateriële schade,
vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en oplegging van de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard in verband met het ontbreken van de beschikking tot bewindvoering. Subsidiair moet de vordering worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering aangezien de vordering tot schadevergoeding niet door hem zelf of zijn bewindvoerder is ondertekend en ingediend. De benadeelde partij heeft een mentor, zoals blijkt uit een beschikking tot mentorschap van 7 maart 2023. De vordering tot schadevergoeding is ingediend door zijn mentor. Deze is echter niet bevoegd de vermogensrechteljike belangen van verdachte te behartigen. Door de officier van justitie is opgemerkt ter terechtzitting dat zij te horen heeft gekregen van de benadeelde partij dat hij onder bewindvoering staat, maar de rechtbank ziet een dergelijke beschikking niet terug in het dossier en acht het een onevenredige belasting van het strafproces om de zaak aan te houden en over dit punt nader te worden geïnformeerd. Concluderend zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde. Wanneer, zoals in de onderhavige zaak, geen sprake is van lichamelijk letsel, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft kort gezegd gesteld dat hij door de gebeurtenis angstig is geworden en dat hij meer op zijn hoede is. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen acht de rechtbank de gevorderde schadevergoeding, welke bovendien niet door of namens verdachte is betwist, billijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. De rechtbank zal daarom beslissen dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte zal worden opgelegd, ter hoogte van 820,-.
Concluderend legt de rechtbank aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 820,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2025. De rechtbank bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 8 dagen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18-203537-25 onder feit 2 primair is ten laste gelegd en het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-248729-25, en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair in de zaak met parketnummer 18-203537-25 en het subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-248729-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en neemt contact op met veroordeelde voor de eerste afspraak.
2. veroordeelde zich voor de duur van zijn proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend op detentie of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren.
3. veroordeelde aansluitend aan de klinische behandeling, voor zover en zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht, zal verblijven in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels van die instelling en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
4. veroordeelde zich ambulant laat behandelen door een door de reclassering te bepalen zorgverlener. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De ambulante behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
5. veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek of een ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ten aanzien van 18-203537-25, feit 1 primair:
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij zijn eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 820,- (zegge: achthonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 820,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.
Mr. C.A.J. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.